Duits Spoorweggeschut

Duits Spoorweggeschut

Inleiding:
Spoorweggeschut werd al vanaf de invoering van het spoorwegnet in Europa toegepast. Vooral Frankrijk heeft hierin een pioniersrol vervuld. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog, en wel in 1916, bereikte het eerste Duitse spoorweggeschut het front. Dit eerste geschut had een kaliber van 24 cm en een bereik van 19 of 26,5 km.

Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de ontwikkeling van het spoorweggeschut, met name door Duitsland, zeer voortvarend ter hand genomen. Dit leidde uiteindelijk tot het formidabele 80-cm kaliber.


Ontwikkeling

Het verdrag van Versailles verbood de Duitsers het bezit van deze wapens, maar verbood hen niet om de kennis ervan in huis te houden.
Toen het Duitse leger in de jaren dertig met de wederopbouw begon ontstonden er twee programma's met betrekking tot spoorweggeschut.
Op korte termijn bracht men via het "Sofort-programm" reeds beschikbaar materieel bijeen. Het programma startte in 1936 en bracht zware wapens (meestal ouder marinegeschut), welke door Duitsland verborgen waren gehouden voor de geallieerde inspectieteams, samen met nieuwe spoorwegwagons. Op basis van de bestaande, uit de Eerste Wereldoorlog daterende tekeningen, aangepast aan nieuwe technieken, bouwde men tussen de 40 en 45 exemplaren met een kaliber variërend tussen de 15 en 28 cm. Na deze twee eerste ontwerpen kwamen er al snel meer van de tekentafel. Vastgelegd zijn hierin; 15 cm KL/40, 17 cm SKL/40, 24 cm KL/35 (Theodor-Bruno kanone), 24 cm SKL/40 (Theodor kanone), 28 cmSKL/40 (Kurze Bruno kanone), 28 cm SKL/45 (Lange Bruno kanone) en 28 cm KST KL/45 (Schwere Bruno Kanone).
In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd dit samenraapsel nog aanzienlijk uitgebreid door met name buitgemaakt Frans materieel.

Het tweede lange termijnprogramma kende aanvankelijk twee ontwerpen. Van het eerste ontwerp, de 21-cm Kanone 12 (Eisenbahn) werd maar één exemplaar gebouwd. Het tweede ontwerp was meer succesvol. De 28-cm Kanone 5 (Eisenbahn) zou dan ook uitgroeien tot het standaard spoorweggeschut.
Een volgend groter ontwerp werd de 38 cm "Siegfried", het grootste uit één geheel bestaande spoorweggeschut.
Een laatste ontwerp, waarvan maar twee exemplaren zijn gebouwd en dat zeer ambitieus was, was de 80-cm Kanone (Eisenbahn) "Gustav". Dit gigantische wapen was speciaal ontworpen voor het aanvallen van de Franse Maginot-linie, maar is daar nooit gebruikt. De enige inzet van dit wapen is in de oorlog tegen de Sovjet-Unie geweest.

Voor het spoorweggeschut met een kaliber vanaf 20 cm werd een speciale verplaatsbare draaischijf ontwikkeld, waarmee het geschut dus niet alleen in hoogte verstelbaar was, maar ook gedraaid kon worden in de vuurrichting.

Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog in september 1939, bezat het Duitse leger 34 stukken spoorweggeschut, verdeeld over 16 zogenaamde batterijen. ze waren toen als volg ingedeeld:

Batterij Geschut
655 2x 15 cm
664 2x 24 cm
674 2x 24 cm
688 3x 28 cm
689 2x 28 cm
690 2x 28 cm
694 2x 28 cm
695 2x 28 cm
696 2x 28 cm
701 1x 21 cm
710 2x 28 cm
712 2x 28 cm
717 3x 17 cm
718 3x 17 cm
721 1x 24 cm
722 2x 24 cm

In de loop van de oorlog is hier nog een aantal batterijen aan toegevoegd, te weten:

532 20,3 cm
685 20,3 cm
687 20,3 cm
691 24 cm
713 28 cm
726 28 cm
749 28 cm
765 28 cm


Sofort-program

Het Sofort-programma
Toen het Duitse leger opnieuw moest worden opgebouwd werd er, door de ervaringen opgedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog, gelijk gekeken naar mogelijkheden voor spoorweggeschut. Om snel de beschikking over dergelijke artillerie te hebben werd het Sofort-programm opgezet. Het merendeel van deze wapens waren verouderde 15 cm en 17 cm marinewapens. Alhoewel de wapens van een ouder type waren werden er nieuwe onderstellen gebouwd voor het gebruik als spoorwegkanonnen. De meeste exemplaren werden in een open opstelling geplaatst, maar enkelen behielden hun van marineoorsprong zijnde bepantsering. Het werden als het ware geschutskoepels op een spoorwegwagon. Het programma omvatte echter een geheel scala aan kalibers tussen de 15 cm en de 28 cm

15-cm en 17-cm Kanone (Eisenbahn)
Tot 1938 werden 18 exemplaren afgeleverd van 15 cm met of zonder geschutskoepel en slechts zes exemplaren van 17 cm.
Het eerste 15 cm exemplaar werd in 1937 opgeleverd. De wapens gingen gelijk in operationele dienst. Het bleek geen succes te zijn. De kosten om de wapens operationeel te houden wogen niet bepaald op tegen het operationele nut. Het kaliber was eigenlijk te klein om als toegevoegde waarde tegenover de bestaande artillerie te functioneren. Ook de geproduceerde 17 cm wapens waren eigenlijk van een te klein kaliber.
De stukken werden ondergebracht in drie eenheden. De 15 cm's in Eisenbahnbatterie 655 en de 17 cm's in Eisenbahnbatterie 717 en 718.
Het spoorweggeschut werd in de beginjaren vooral gebruikt voor propagandadoeleinden, waarbij door Duitsland werd getoerd. Hierdoor leek het alsof de Wehrmacht beschikte over een groot aantal van deze wapens, terwijl er eigenlijk een klein aantal continu werd rondgereden door het land. De 15 en 17 cm K (E)'s zijn voornamelijk ingezet ter versterking van de kustbatterijen van de Duitse marine tussen Calais en de Nederlandse kust. Hierbij werden ze regelmatig verplaatst. De wapens zijn tot aan het eind van de oorlog gebruikt.

Technische gegevens:

Type: 15-cm Kanone (Eisenbahn)
Kaliber: 149,1 mm
Lengte loop: 5,571 m
Totaal gewicht: 74000 kg
Gewicht granaten: 43 of 52,5 kg
Bereik: 22500 m

Type: 17-cm Kanone (Eisenbahn)
Kaliber: 172,6 mm
Lengte loop: 6,90 m
Totaal gewicht: 80000 kg
Gewicht granaten: 62,8 kg
Bereik: 26100 m

20-cm Kanone (Eisenbahn)
Dit typisch marine kalibergeschut, werd door Krupp geleverd door gebruik van acht overbodig geworden marinekanonnen. De bedoeling was om voor dit geschut legerkanonnen van 21 cm te gebruiken, echter de wagons waren zo snel klaar dat gekozen werd voor overbodig marinematerieel.

Technische gegevens:

Type: 20-cm Kanone (Eisenbahn)
Lengte: 19,4 m
Totaal gewicht: 86000 kg
Gewicht granaten: 122 kg
Bereik: 37 km

Theodor en Bruno Kanone
In een bouwprogramma uit de Theodor/Bruno-serie werden in totaal twee series geschut geproduceerd. Het eerste deel bestond uit geschut op basis van een zogenaamd Theodor Bruno-ontwerp, waarbij marinegeschut uit 1910 op basis van een ontwerp uit de Eerste Wereldoorlog werd gebruikt. Twee versies zijn bekend, beide met een geschut van 24 cm, de Theodor Bruno en de Theodor. Van de Theodor Bruno werden zes exemplaren gebouwd terwijl er van de Theodor slechts drie werden geproduceerd.

Technische gegevens:

Type: 24-cm Kanone (Eisenbahn) Theodor Bruno of Theodor
Lengte: 20,7 m
Totaal gewicht: 94000 kg
Gewicht granaten: 148,5 kg
Bereik: 20,2 km

Een vervolgprogramma kreeg de naam Vierer-Bruno-Familie en omvatte geschut van 28 cm. De Kurze Bruno, waarvan er acht werden gebouwd, had een gewicht van 129000 kg en schoot een granaat van 240 kg over een maximale afstand van 29,5 km. Op basis van de Kurze Bruno werd de Lange Bruno ontworpen (drie stuks) welke hetzelfde gewicht granaat over een afstand van 36,1 km schoot door gebruik van een langere loop (12,7 m tegenover 11,2 m). Om een zwaardere granaat te kunnen afschieten werden twee exemplaren gebouwd van de Schwere Bruno. Deze waren echter geen groot succes.
Tussen 1938 en 1940 werden drie exemplaren gebouwd van de Neue Bruno, waarbij een geheel nieuw geschut werd gebruikt in plaats van bestaand geschut. In feite werden deze exemplaren gebruikt voor de ontwikkeling van het K5-programma.

Technische gegevens:

Type: 28-cm Kanone (Eisenbahn) Neue Bruno
Lengte loop: 16,4 m
Totaal gewicht: 150000 kg
Gewicht granaten: 265 kg
Bereik: 46,6 km


21-cm Kanone 12

21-cm Kanone 12 (Eisenbahn)
In het langetermijnprogramma was het eerste ontwerp een langdragend geschut met een kaliber van 21 cm. Het geschut werd ontwikkeld met in het achterhoofd het succes van het Parijse kanon uit 1918. Dit ontwerp van de Duitse marine was in staat geweest om vanaf een afstand van 116 km een bombardement uit te voeren op de stad Parijs. Dit was nog steeds een doorn in het oog van het Duitse leger. Ze waren ronduit jaloers op de marine en zeer content dat ze door Krupp werden uitgenodigd voor de ontwikkeling van een verdragend kanon.
Het was vooral een experimenteel wapen dat weinig praktisch nut bleek te hebben.
De loop van het wapen was zo lang dat het onder zijn eigen gewicht dreigde door te buigen. Via een ingenieus technisch systeem van ondersteuning probeerde men dit probleem te ondervangen. De volle lengte van de loop was maar liefst 33,34 m. Een ander probleem, mede door de lange loop veroorzaakt, was om voldoende balans te verkrijgen voor de draaistellen. Alhoewel het bereik indrukwekkend was (max. 120 km) was de vuursnelheid veel te laag voor praktisch nut. Er is dan ook maar één exemplaar gebouwd. Het wapen werd ingedeeld bij Eisenbahnbatterie 701 en werd in 1940 gebruikt in het gebied rond het Nauw van Calais. Er werden beschietingen mee uitgevoerd op het Engelse graafschap Kent, waarbij de verst geregistreerde inslag er één was van 95 km ver op het plaatsje Rainham. De rest van de oorlog werd het geschut heen en weer gereden langs de Atlantikwall, waarbij zo nu en dan geschoten werd op scheepvaartverkeer. Uiteindelijk viel het in 1944 in handen van het Canadese leger in het Zeeuws Vlaamse plaatsje Sluiskil.

Technische gegevens:

Type:21-cm Kanone 12 (Eisenbahn)
Kaliber:21,1 cm
Lengte loop:33,34 m
Totaal gewicht:309000 kg
Gewicht granaten:107,5 kg
Bereik:115 km


28-cm Kanone 5, Leopold

28-cm Kanone 5 (Eisenbahn) "Leopold".
Het tweede ontwerp uit het langetermijnprogramma bleek een groter succes. Het was een totaal nieuw ontwerp van Krupp, dat in 1934 begon met de productie. De eerste exemplaren rolden in 1936 uit de fabriek en bleef in productie tot in 1945. Het totaal aantal geproduceerde exemplaren is onbekend, maar afgaand op de snelheid van afleveren, moeten het tussen de 25 en 28 zijn geweest. Ten tijde van de Duitse inval in Polen waren er al vijf in operationele dienst. Tegen het einde van 1940 was dat aantal gestegen tot acht.
De productie was verdeeld over twee fabrieken, namelijk Krupp zelf en de Hanomag-fabrieken in Hannover. In navolging van de beroemde "Dikke Bertha" uit de Eerste Wereldoorlog kreeg het geschut de bijnaam "Slanke Bertha".
Standaard werden met dit geschut 28 cm brisantgranaten afgevuurd van het type Granate 35.

Een ander projectiel dat nu en dan werd gebruikt was de met een raketmotor aangedreven RGr 4331 (Raketengranate), waarmee in combinatie met een K 5 (E) een bereik van maar liefst 86.500 m kon worden bereikt met een formidabele snelheid. De granaat was echter onvoldoende precies om van effectief nut te kunnen zijn.
In de loop van de productie werden er diverse versies van het geschut ontwikkeld. Door problemen met scheuren van de loop werd een loop ontwikkeld met ondiepere groeven (7 in plaats van 10 mm). Het gevolg was natuurlijk dat er ook granaten voor dit type moesten worden ontwikkeld. Een gevolg dat de efficiëntie in de bevoorrading niet ten goede kwam.
Een andere, niet succesvolle, variant, betrof daar waar nieuwe granaten met stuurbanden werden ingezet, waardoor ook de lopen moesten worden aangepast. Dat dit geen succes was blijkt uit het feit dat slechts twee exemplaren van deze variant werden gebouwd.
Van een andere variant werd er maar één exemplaar gebouwd. Het betrof hier een K 5 (E) met uitgeboorde gladde loop, voor het afvuren van het zogenaamde Peenemünder Pfeil Geschoss. Dit was een soort raketvormige granaat, waar maar liefst een afstand van 150 km mee kon worden overbrugd. De loop werd hiervoor uitgeboord tot een kaliber van 31 cm. Dit wapen is alleen in 1945 aan het oostfront gebruikt en bij een bombardement op Maastricht in 1945 vanaf een basis nabij Bonn.

Een batterij van de K 5 (E) bestond standaard uit twee treinen. Beide werden getrokken door een dieselelektrische locomotief van het type C 14.
Eén trein bestond uit het wapen zelf, een magazijnwagon, een personenwagon voor uitrusting met een keuken, twee wagons met munitie (113 granaten per wagon), twee wagons met patronen voor luchtdoelgeschut, een platte wagon met schuilplaats tegen luchtdruk, een open wagon met een luchtdoelkanon en drie rijtuigen voor de manschappen. De tweede trein telde drie munitiewagons, nogmaals een wagon voor uitrustingstukken, negen wagons met diverse voertuigen, een wagon met schuilplaats, een open wagon met luchtdoelgeschut, een personenrijtuig en twee wagons voor de hulpstukken voor de K 5. Als stuksbemanning telde de eenheid 42 man, waaronder vijf officieren en onderofficieren. Voorts reisde er nog een grote hoeveelheid personeel mee ter ondersteuning, waaronder de eigen verdediging.
Een aantal van deze wapens werd vast gestationeerd ter verdediging van de Atlantikwall in het gebied van Calais.
Bij het 204e Marine Kustbataljon waren nabij Calais twee exemplaren van de 690e Eisenbahnbatterie ondergebracht. Bij het 240e Marine Kustbataljon, waren nabij Wimereux-Les-Oies twee vuurmonden ondergebracht van 702e Eisenbahnbatterie. Bij het 244e Marine Kustbataljon ten slotte waren de vuurmonden ondergebracht van de 710e, 712e, 713e en 765ste Eisenbahnbatterie.
Dit gebied was echter niet het enige inzetterrein. De K 5 (E)'s zijn nagenoeg op ieder oorlogstheater in Europa ingezet.

In 1941, bij de Duitse inval in de Sovjet-Unie werden ook de spoorwegwapens ingezet.
Heeresgruppe Mitte kreeg een aantal vuurmonden toegewezen van de uit het gebied rond Calais afkomstige Eisenbahnbatterie 710, 712, 713 en 765. Heeresgruppe Sud kreeg 2e Batterie Eisenbahnartillerieabteilung 725 toegewezen.
Tijdens het beleg van Leningrad zijn de K5's van Eisenbahnartillerieabteilung 679 ingezet.
Later tijdens de oorlog aan het oostfront werd aan Heeresgruppe Nord Eisenbahnbatterie 686 toegevoegd en aan Heeresgruppe Mitte de 8e Batterie Eisenbahnartillerieabteilung 100.
Het meest berucht tijdens de oorlog zijn wel geworden de twee vuurmonden van Eisenbahnbatterie 712, die in 1944 naar Italië waren gestuurd. De wapens waren eigenlijk bedoeld voor inzet in Tunesië, maar door de afloop van de Noord Afrikaanse campagne waren ze rond Milaan gestationeerd. Om de verdediging van de Gustavlinie te ondersteunen waren de vuurmonden naar het gebied rond Anzio gestuurd waar ze net na de geallieerde landingen aldaar aankwamen. Ze werden gestationeerd nabij een spoorwegtunnel op het traject tussen Rome en Nettuno. Het dubbelspoor in de tunnel was ideaal om de wapens te verbergen. In de tunnel werden ze vuurgereed gemaakt, waarna men ze naar buiten reed, afvuurde en weer verstopte. De beide wapens zaaiden dood en verderf op de landingsstranden en de bijnaam "Anzio Annie" bezorgde schrik bij velen aan geallieerde zijde.

In 1944 vielen er in Noord Frankrijk en Italië tien K 5's in geallieerde handen. De eerste twee werden veroverd in Italië op een rangeerterrein nabij Civitavecchia door het Amerikaanse 5e leger. Het waren de wapens van Eisenbahnbatterie 712, de Anzio Annie's. Eén hiervan is verscheept naar de Verenigde Staten. De Amerikaanse 36e Divisie veroverde de vuurmonden van Eisenbahnbatterie 749 in augustus 1944 in Zuid Frankrijk. Het eerste Canadese leger trof in september van dat jaar Eisenbahnbatterie 688, 710 en 713 aan op het rangeerterrein in Sluiskil, samen met de K 12 (E).
De laatste operationele actie van de K 5 (E) aan het westfront was de ondersteuning van het Ardennenoffensief door de wapens van Eisenbahnbatterie 686 en 765, de opnieuw uitgeruste Eisenbahnbatterie 712 en de 2e Batterie van Eisenbahnartillerieabteilung 725.
Naast het in de Verenigde Staten aanwezige exemplaar is er in Frankrijk nog een K 5 (E) te bezichtigen en wel in het Atlantikwall Museum te Audinghen (nabij Wissant, de voormalige Batterie Todt)

Technische gegevens:

Type: 28-cm Kanone 5 (Eisenbahn)
Kaliber: 283 mm
Lengte loop: 21,538 m
Totaal gewicht: 218000 kg
Gewicht granaten: 255,5 kg
Bereik: 62,4 km


38-cm Kanone, Siegfried

38-cm Kanone (Eisenbahn) Siegfried
De Siegfried werd het grootste Duitse spoorweggeschut dat nog in één geheel over het spoor kon worden vervoerd. Het geschut werd in de jaren 1942/1943 ontwikkeld door Krupp.
Als basis voor het ontwerp koos men voor het 38 cm SK c/34 geschut van de Kriegsmarine. Het 32,9 meter lange geschut werd gedragen door twee acht-assige spoorwagons.

Het geschut werd ondergebracht bij de batterijen 686 en 698 en werden ingezet aan de kanaalkust om Britse konvooien te bestoken en werd bij operatie Barbarossa gebruikt door de Armeegruppe Mitte. Twee exemplaren zijn in het westen in 1944 verloren gegaan. Aan het eind van de oorlog werd één exemplaar nog steeds aan het oostfront ingezet.

Technische gegevens:

Type: 38-cm Kanone (Eisenbahn)
Kaliber: 38 cm
Lengte : 32,90 m
Totaal gewicht: 294000 kg
Gewicht granaten: 495 of 800 kg
Bereik: 68 km of 42 km


80-cm Kanone, Gustav

80-cm Kanone (Eisenbahn) "Gustav/Dora"
Speciaal om bressen te kunnen slaan in de formidabel geachte Franse Maginot-linie, ontwikkelden de Duitsers een gigantisch stuk spoorweggeschut met een kaliber van maar liefst 80 cm. Toen Hitler de aanval inzette was het wapen echter nog niet klaar. Het werd nog gebouwd bij Krupp in Essen. Eind 1940 konden de proefnemingen beginnen en begin 1941 werd het operationeel verklaard. Op dat moment had men echter geen enkel doel dat de inzet van een dergelijk duur wapen rechtvaardigde.

Plannen werden ontwikkeld om vanuit Spanje met de inmiddels tot Dora omgedoopte reus het Britse Gibraltar onder vuur te nemen. De Spaanse dictator Franco wilde echter niet riskeren in een oorlog te worden betrokken en verbood gebruik van het Spaanse grondgebied. De operatie genaamd "Pelix" werd dan ook afgeblazen. In 1942 zag men pas mogelijkheden.

Duitse troepen bereikten de marinebasis Sevastopol in de Krim. Deze sterk gefortificeerde basis zou moeilijk te veroveren zijn. Het zou voor de Duitse marine echter een zeer strategische uitvalbasis kunnen zijn. Om de forten te vernielen werd de hulp van zeer zwaar geschut ingeroepen, waaronder de Dora. Het spoorwegkanon was echter zo groot en zwaar dat over het gehele traject een speciale spoorlijn moest worden aangelegd.
In totaal waren bij deze operatie 1420 man nodig voor transport en bewaking en maar liefst 500 man voor de bediening alleen.
Eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming heeft de Dora een grote rol gespeeld in de verovering van Sevastopols forten, maar is verder niet meer gebruikt.

Er zijn van dit type geschut twee exemplaren gebouwd, de Dora en de Gustav. Slechts één van beide is operationeel ingezet. Alhoewel het niet geheel zeker is, wordt over het algemeen aangenomen dat dit de Dora is geweest.

Technische gegevens:

Type: 80-cm Kanone (Eisenbahn)
Kaliber: 800 mm
Lengte : 47,30 m
Totaal gewicht: 400000 kg
Gewicht granaten: 7,1 ton
Bereik: 38 km


Bronnen

- Taube G., Deutsche Eisenbahn Geschütze, Motorbuch verlag, Stuttgart 2001
Versie: 16-12-2018 Artikel door: Wilco Vermeer

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/281/Duits-Spoorweggeschut.htm