Luchtaanval op Wangerooge

Inleiding

Zeventig jaar geleden, op 25 april 1945, werd het Oost-Friese eiland Wangerooge door 480 bommenwerpers van de Royal Air Force (RAF) gebombardeerd. Dit was de laatste grote geallieerde luchtaanval op Duits grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er vielen tijdens deze zonnige lentedag niet alleen vele militaire- en burgerslachtoffers, maar er kwam ook een groot aantal van de aanwezige dwangarbeiders om het leven.

Het eiland Wangerooge ligt aan de monding van de rivier de Jade, die de verbinding vormt tussen de Noordzee en Wilhelmshaven en een onderdeel is van het Wattenmeer, de Duitse Waddenzee. Het eiland is het meest oostelijk gelegen Oost-Friese eiland en behoort tot de deelstaat Nedersaksen. Het is een duineneiland van slechts acht en een halve kilometer bij één kilometer. Er bevindt zich één dorp op Wangerooge dat dezelfde naam heeft. Vanaf halverwege de negentiende eeuw was Wangerooge een belangrijke badplaats voor de meer welgestelde burgers van Bremen en Hamburg. Ook nu nog is toerisme de belangrijkste inkomstenbron voor de eilandbewoners. Wilhelmshaven is al ruim anderhalve eeuw een belangrijke Duitse marinebasis. In 1912, toen de eerste tekenen van een grote oorlog zich aandienden, kreeg Wangerooge als natuurlijke voorpost van de oorlogshaven in de Jademonding de nodige fortificaties en verdedigingswerken. Er werden bunkers en een kustbatterij gebouwd. Deze zouden zich tijdens de Eerste Wereldoorlog niet hoeven te bewijzen omdat de gevreesde Britse aanval op Wilhelmshaven uitbleef.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog herhaalde de geschiedenis zich. Het Oost-Friese eiland kreeg een ware invasie van militairen en dwangarbeiders te verwerken. Dit waren overwegend Kriegsmarinesoldaten en gevangenen die voor Organisation Todt aan het werk werden gezet. De eerstgenoemden bemanden de luchtafweerposten, kustbatterijen en later in de oorlog de radarposten. De tewerkgestelden werden ingezet voor de bouw van nog meer militaire steunpunten. Naarmate de geallieerde druk op Duitsland groter werd, nam bij het Duitse opperbevel de vrees voor een invasie van Noord-Duitsland en de verovering van Wilhelmshaven toe. De Duitsers namen daarom maatregelen om dit tweede front, dat ze via een landing in de Duitse Bocht verwachtten, een halt toe te roepen. Hiertoe werden de verdedigingsmiddelen op Wangerooge vanaf 1943 enorm opgevoerd. Na de geslaagde landing van de geallieerden in Normandië in juni 1944, het verwachtte eerste front, kreeg de aanleg van de versterkingen op Wangerooge zelfs prioriteit. Het aantal militairen op het Oost-Friese eiland nam drastisch toe en grote groepen gevangenen en andere (dwang-)arbeiders werden via schepen aangevoerd. De gevangenen werden als dwangarbeiders ingezet bij de aanleg van luchtafweer- en kustbatterijfundaties, bunkers, schuilkelders en andere militaire fortificaties.


De dwangarbeiders

De gevangenen hadden vooral de Poolse, Russische, Franse en Nederlandse nationaliteit, maar er waren ook enkele tientallen Belgen en een handvol Franssprekende Marokkanen. De gevangenen hadden per nationaliteit een eigen status en werden al naar gelang hun afkomst ook verschillend behandeld. De Polen hadden in de ogen van de Duitsers de laagste status. De Russen waren over het algemeen ex-krijgsgevangenen en hadden zelf voor de Duitse dienst gekozen om aan een langzame hongerdood in de Duitse krijgsgevangenkampen te ontkomen. Formeel waren zij dus vrijwilligers. De Fransen en Marokkanen waren officiële krijgsgevangenen en werden overeenkomstig het oorlogsrecht behandeld. Zij hadden haast onbeperkte bewegingsvrijheid op het eiland en waren gehuisvest op bovenverdiepingen van huizen en openbare gebouwen in het enige dorp dat het eiland rijk was.

Van de 350 buitenlanders, die aanvankelijk op het eiland tewerkgesteld waren, hadden er ongeveer 110 de Nederlandse en Belgische nationaliteit. Zij waren strikt genomen geen gevangenen, maar zeer zeker ook geen vrijwilligers. De Nederlanders waren vooral mannen uit Oost-Groningen die verplicht werden voor de Duitsers te werken. Eén van hen was de heer Jans Hut. Hij herinnert zich het volgende over die tijd: "wij waren zoals gewoonlijk bezig met ons ontginningswerk voor de Heidemij toen er opeens Duitsers op het werk kwamen, die de papieren van onze baas in beslag namen. Wij kregen de opdracht om ons de volgende dag in Appingendam te melden voor werkzaamheden in Delfzijl. Toen we daar de volgende dag aankwamen, leek het me direct al niet goed, want daar waren ook lui van Organisation Todt. Dat waren Duitsers die over bouwkundige zaken gingen. We gingen niet naar Delfzijl, maar in een bus via Nieuweschans naar het kustplaatsje Norddeich en van daar naar het eiland Norderney. Daar moesten we beton storten. We hebben daar een behoorlijke tijd gezeten tot we met kleine kustvaarders werden overgebracht naar het haventje van Wangerooge."

Formeel waren de Nederlanders geen gevangenen, maar de leef- en werkomstandigheden waren niet best. De heer Hut daarover: "ook op Wangerooge hebben we onder trieste omstandigheden gewerkt. We kwamen in barakken waar voordien Polen in gezeten hadden. Het was er een en al wandluis. Van tijd tot tijd gingen we naar de vaste wal, naar een fabriek in Bremen waar we werden ontluisd. Daar werd ook de kleding gereinigd. Het was van dat grijze soldatengoed. Je kreeg het zo gloeiend heet terug dat je het niet aan je lichaam kon houden. En daarna terug naar Wangerooge". Vanaf eind 1943 werden een aantal Nederlanders aangevoerd vanuit het kamp Amersfoort. Dit waren vooral mannen die zich onttrokken hadden aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Sommigen hadden in eerste instantie niet gereageerd op de oproep zich te melden voor de Arbeitseinsatz. Anderen hadden zich na verlof niet terug gemeld. De mannen uit Oost-Groningen hadden nog enigszins wat vrijheid op Wangerooge, maar degenen die afkomstig waren uit Kamp Amersfoort werden, net als de Polen, behandeld als gevangenen en hadden de laagste status.

De omstandigheden waar de dwangarbeiders in moesten werken waren vanaf het begin van de oorlog slecht en gingen naarmate de oorlog vorderde van kwaad naar erger. Er was een chronisch tekort aan kleding, schoeisel en vooral aan eten. Tijdens de laatste jaren was er voor de gevangenen alleen nog brood en verdunde erwtensoep of koolsoep beschikbaar. Op dit karige rantsoen moesten de mannen van acht uur `s morgens tot vijf uur `s middags werken. Dit werk was fysiek zwaar. Het bestond vooral uit graaf- en sjouwwerk, betonijzer vlechten en beton storten. De Groninger Daan Smit vertelde over het werk: "de Baustellen werden met de hand gegraven. We hebben massa`s zand verzet. Je was met zo`n vijftig man in zo`n put aan het werk. Je stond elkaar soms gewoon in de weg als je een schep zand weg wilde gooien. Als zo`n kuil klaar was, ging er een ijzeren mat onderin en dan begon het beton storten. De bouwmaterialen werden per smalspoor uit de haven aangevoerd."

De heer Bob Veenstra uit Groningen over de slechte omstandigheden op Wangerooge: "wij hebben daar een slechte tijd gehad. Zwaar en ongewoon werk van `s morgens tot `s avonds. Je zat in het grind, zand of cement. Vooral dat laatste was niet best, zeker niet als er wat wind stond. Dat spul stoof zo dat je na een paar dagen helemaal vol zat en je ogen kapot waren. Op een keer vroegen we de voorman of we afgelost konden worden, maar daar kwam niks van in. Maar wij konden eenvoudig niet meer. Toen kwamen er soldaten bij met het geweer in de aanslag. Je stond als het ware voor een vuurpeloton. Maar ook al hadden ze me toen willen doodschieten, het interesseerde me niet, zo moe was ik. Toen kwam er een superieur die wel eens wilde zien waarom er niet gewerkt werd. Hij nam de zaak in ogenschouw en verdween weer even snel. Even later werden we afgelost en gingen we van cement naar zand. Achteraf realiseer je je dat je op dat moment ook dood had kunnen zijn."


Voor de luchtaanval

De westerse geallieerden stelden op 1 april 1945 een plan op om, tegelijk met het veroveren van de havens Emden en Wilhelmshaven, ook enkele versterkte Oost-Friese eilanden aan te vallen. Men vreesde vooral een herhaling van het probleem in Zeeland, eind 1944. Nadat de haven van Antwerpen veroverd was kon deze niet gebruikt worden omdat de Scheldemonding nog in Duitse handen was. Maarschalk Bernard Montgomery, de opperbevelhebber van de geallieerden in West-Europa, had het volgende plan: Canadese troepen zouden na de verovering van Bremen oprukken langs de kust via Emden naar Wilhelmshaven. Zij zouden tevens de verovering van de eilanden voorbereiden. Het eiland Wangerooge kreeg wegens de strategische ligging voorrang, gevolgd door Borkum, Norderney en Juist. De operatie zou samen met de Royal Navy gepland en uitgevoerd moeten worden. Nadat geallieerde verkenningsvliegtuigen de kust en de Oost-Friese eilanden stelselmatig gefotografeerd hadden, om de Duitse verdediging op sterkte te kunnen inschatten, bleek dat Wangerooge in een ware vesting was veranderd. Dit kwam niet alleen door de batterijen en militaire gebouwen die reeds in bedrijf of in aanbouw waren, maar ook omdat de Duitsers op het eiland vele schijnbatterijen hadden opgesteld. Dit leidde er toe dat de Canadezen in dit laatste stadium van de oorlog geen enkel risico meer wilden lopen om via een landing Wangerooge te veroveren. Dit zou ongetwijfeld vele slachtoffers eisen. Een vernietigende luchtaanval moest fort Wangerooge uitschakelen. Bij nader inzien was Montgomery het met deze beredenering eens.

Op 25 april 1945 rond 14:25 uur stegen vanaf vijfentwintig vliegvelden in Zuidoost-Engeland 466 viermotorige Handley Page Halifax en Avro Lancaster bommenwerpers en zestien tweemotorige De Havilland Mosquito jachtbommenwerpers op voor de laatste grote luchtaanval van de RAF op een doel in Duitsland. Van de 482 bommenwerpers werden er 266 bemand door de Royal Air Force, 196 door de Royal Canadian Air Force (RCAF) en achttien door de Forces Aériennes Françaises Libres (FAFL, de luchtmacht van de vrije Fransen). In totaal waren er ongeveer 3.300 bemanningsleden aan boord van de geallieerde vliegtuigen en de toestellen hadden 2.176 ton bommen bij zich.

In de namiddag, tegen vijf uur, werden de dwangarbeiders op Wangerooge afgemarcheerd van de werklocaties naar hun barakken. Verschillende Duitse militaire verkenningsposten hadden toen al melding gemaakt van een formatie van circa 500 vliegtuigen die zich op zo`n 350 kilometer van Wangerooge bevond. Op het eiland werden deze berichten door de Duitsers met gelatenheid ontvangen. Zij waren inmiddels gewend aan grote hoeveelheden geallieerde bommenwerpers die hun dodelijke lading ergens op de laatste vierkante kilometers nog niet veroverd Duits grondgebied lieten vallen. De sterkste radar op Wangerooge van het type Wassermann, met een bereik van 400 kilometer, had de bommenwerpers op dat moment al lang gepeild. De officier van dienst had een koerswijziging geregistreerd en trok de conclusie dat de vijandelijk toestellen wel eens richting Wangerooge konden komen. Hij gaf dit door aan de eilandcommandant, maar om onbekende redenen volgde er geen reactie. Een half uur later kregen ook de Würzburg- en Freyaradars met klein bereik op het eiland de naderende luchtvloot op de schermen. Wederom werd er een intern alarm gegeven, maar weer kwam er geen reactie. De burgers, militairen en gevangenen waren daardoor geheel onwetend van het onheil dat op hen afkwam.


De luchtaanval

Om 16:47 uur werd op Wangerooge eindelijk een vooralarm afgegeven door de centrale seinpost op het eiland, die berichten had ontvangen van seinposten aan de vaste wal. Dit alarm was gericht aan de burgerbevolking, die zich meteen naar de schuilkelders begaf. Een aantal van de burgers kwam echter te laat om een veilig heenkomen te vinden. Om 16:59 wierpen de Mosquito`s van de eerste aanvalsgolf hun brandbommen af die de doelen voor de bommenwerpers markeerden. Nog geen minuut later werden de geallieerde vliegtuigen door enkele Duitse luchtafweerkanonnen onder vuur genomen, maar de meeste militairen zochten dekking in de bunkers. Ook een groot aantal van hen kwam echter te laat. Pas op het moment dat de eerste bommen afgeworpen werden, gingen de luchtalarmsirenes op het eiland af. Het gillende geluid van de sirenes vermengde zich met het steeds sterker wordende geluid van de luchtarmada. Seconden later overstemden de explosies van de eerste bommen al deze geluiden inclusief de rinkelende telefoons en schreeuwende stemmen van militairen, burgers en dwangarbeiders.

De eerste aanvalsgolf was gericht op de oostzijde van het eiland. Achter deze groep volgden onmiddellijk de Mosquito`s van de tweede groep die hun markeerbommen lieten vallen boven doelen aan de westzijde van het eiland. De geallieerde bommenwerpers van deze eerste en tweede aanvalsgolven konden hun bommenlast nog nauwkeurig gericht afwerpen. De richters van de volgende aanvalsgolven werden echter verblind door de tonnen zand die door de eerder afgeworpen bommen werden opgeworpen, tot een hoogte van wel enkele kilometers. Met deze latere aanvalsgolven naderde het noodlot van het dorp dat onder de immense rook- en zandwolken schuil ging. De gehele aanval duurde slechts vijftien minuten, maar in deze korte tijd wisten de geallieerde vliegtuigen ruim 6.000 bommen af te werpen.

De Nederlandse dwangarbeider Daan Smit over het bombardement: "toen het bombardement begon, liepen wij buiten het dorp. Het was aan het einde van onze werkdag en onder toezicht van een soldaat gingen we in colonne terug naar onze barakken. Plotseling waren daar die vliegtuigen. Bij de eerste aanval gooiden ze vuurbommen, waarmee ze de aanvalsdoelen markeerden en vervolgens kwamen die zware vliegtuigen er achteraan. En die gooiden me daar wat naar beneden, onbeschrijfelijk. Wij stoven met een man of wat een bunker in, maar dit bleek een bunker voor munitie te zijn. Allemaal kisten met doodskoppen er op. Dus wij naar buiten gevlucht, maar toen kwamen wel de bommen moet je rekenen. Het was een hel, allemaal zand en ik dacht dat ik zou stikken. Ik had me op mijn buik tegen het duin gedrukt en het duurde maar heel even voor ik helemaal bedolven was. Duitse soldaten hebben me met de handen uitgegraven. Ik had gewoon mazzel dat die knapen vlakbij waren en dat ze me hoorden, want achteraf bleek dat er ook takken bovenop me lagen. Ik herinner me dat een van onze jongens verderop lag. Die kon geen woord meer uitbrengen. Zo waren er trouwens wel meer, het was een shocktoestand. Verderop lag een van onze jongens met zijn beide benen eraf. En gek hè, maar we waren opeens allemaal anti-Engels, hoewel dat toch onze bevrijders waren. Maar ja, zo reageert een mens dan zeker."

Het bombardement had het burgerleven en de militaire organisatie op Wangerooge in een chaos veranderd. Het dorp lag grotendeels in puin, bunkers waren door voltreffers vernietigd en de gevangenenbarak, waarin onder meer een aantal Groningers had gehuisd, was van de aardbodem weggevaagd. De verliezen waren aan alle zijden groot. Militairen, burgers en gevangenen hadden allen dezelfde doodsnood meegemaakt. Overal op het eiland werd dan ook eendrachtig hulp aan elkaar geboden. De heer Smit hierover: "de organisatie was helemaal weg, evenals onze barak trouwens. We zijn naar het dorp gegaan om daar te helpen. Wij wilden overal wel helpen. Het dorp lag plat, het brandde er en overal waren mensen druk in de weer. Het was ieder voor zich, maar je hielp ook waar je tegenaan liep. Het was ook een schitterende gelegenheid om brood te gappen, want we verrekten voortdurend van de honger."


Gevolgen van het bombardement op Wangerooge

De luchtaanval op Wangerooge kostte aan 131 militairen, zes zogenaamde Marinehelferinnen en 21 dorpelingen het leven. Onder de dwangarbeiders waren 121 slachtoffers gevallen waaronder 48 Nederlanders. De 120 gewonden werden naar het vasteland gebracht en opgenomen in een ziekenhuis in Wittmund. Het eiland zelf was door de vele bomkraters veranderd in een maanlandschap, de telefoonverbindingen, waterleiding en riolering waren verwoest.

Toch capituleerde het eiland niet na de luchtaanval. Het militaire apparaat probeerde zelfs enige organisatorische lijn in de chaos te brengen. Enkele gespaarde luchtafweerposten en kustbatterijen werden bemand en de verdeling van kleding en voedsel onder de gevangenen kreeg een aanvang. De gevangenen konden zich overigens vrij bewegen en de militairen deden geen enkele poging meer hen terug aan het werk te zetten. De laatste dagen van de oorlog bleef het eiland buiten schot en op 5 mei capituleerde het garnizoen op Wangerooge, tegelijk met de overige Duitse troepen in Noordwest-Duitsland.

De geallieerden hadden tijdens het bombardement op Wangerooge zes bommenwerpers verloren doordat de toestellen elkaar in de lucht raakten en neerstortten. Eén bommenwerper werd door de Duitse luchtafweer neergehaald. Bij het neerstorten van deze zeven toestellen kwamen 49 geallieerde bemanningsleden om het leven.

De overlevende Nederlanders wilden zo snel mogelijk van het eiland weggeraken. Enkele van hen liepen naar het haventje waar een viertal Nederlandse schepen lag. Zij vonden de kapiteins van deze schepen bereid om zoveel mogelijk van hen naar Delfzijl te brengen. Toen de Canadezen op 12 mei voor het eerst voet aan wal zetten op Wangerooge waren de meeste Nederlanders al dagenlang weg. Eén van de vluchtelingenschepen, het binnenvaartschip Joanna, was op 9 mei, vlakbij Delfzijl op een mijn gelopen en bijna alle opvarenden kwamen in het zicht van de haven om het leven. De ramp met de Joanna eiste 39 oorlogsslachtoffers op de Eems in vredestijd.


Besluit

Ondanks dat de geallieerde luchtaanval ten doel had de militaire objecten op Wangerooge te vernietigen, bleven deze grotendeels intact en werden zowel het dorp als de gevangenkampen zwaar getroffen. Dit kwam vooral doordat de RAF geen rekening had gehouden met de kolommen zand die hoog opgeworpen werden door de eerste bommenregens. Militair gezien was de luchtaanval op Wangerooge dan ook een mislukking en achteraf gezien zelfs overbodig geweest.

Eén van de bunkers, een 20-persoons commandobunker die tijdens de eerste aanvalsgolf een voltreffer kreeg, werd na de oorlog dichtgemetseld en tot oorlogsgraf verklaard. De Canadezen die vanaf 20 mei het eiland bezetten, bliezen in juni 1945 de overgebleven bunkers op. In 1951 legde de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge (VDK) een erekerkhof aan voor 238 slachtoffers van het bombardement. Tot in de jaren `70 van de vorige eeuw waren op Wangerooge in de duinen nog talrijke resten van bunkers en bomkraters te vinden. De meeste bunkerresten zijn inmiddels door zand bedolven en door planten overwoekerd. Sommige bomkraters zijn tegenwoordig gevuld met regen- en grondwater en huisvesten ecologisch waardevolle minibiotopen.


Bronnen

Boeken


Versie: 7-4-2015 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/4373/Luchtaanval-op-Wangerooge.htm