Joods Hospitaal Berlijn tijdens de nazi-periode

Voor de oorlog

Inleiding

Tijdens de Slag om Berlijn in 1945 moet het ziekenhuis op de hoek van de Exerzierstrasse en de Schulstrasse in de wijk Wedding eruit gezien hebben als ieder willekeurig fronthospitaal. Terwijl de grond trilde van de granaatinslagen en buiten het geluid van vuurgevechten klonk, deden artsen en verplegers in met bloed besmeurde witte uniformen hun best om het leven van de binnengebrachte gewonden te redden. Het enige ongebruikelijke was dat het medische personeel een Jodenster droeg en dat terwijl de Duitse hoofdstad al in 1943 vrij van Joden was verklaard.

Voorgeschiedenis

Tegenwoordig bevindt het ziekenhuis zich nog steeds op dezelfde plek, al staan de straten intussen bekend als Iranische Strasse en Heinz-Galinski-Strasse. Op het timpaan boven de voormalige hoofdingang van het in neoclassicistische stijl opgetrokken gebouw is de tekst "Krankenhaus der JŁdische Gemeinde" gebeiteld, zoals de naam van het Joodse hospitaal oorspronkelijk luidde. De geschiedenis van de Joodse ziekenzorg in Berlijn gaat terug tot omstreeks de 13e eeuw, toen de eerste Joden zich in Berlijn en omgeving vestigden. Armlastige Joden konden voor medische hulpverlening terecht in een zogenoemde Hekdesh. Van oorsprong was dit een soort hostel voor Joodse reizigers, behorende tot een synagoge, maar de instelling ontwikkelde zich tot een plek voor ziekenzorg.

Na de voorafgaande eeuwen meermaals het slachtoffer geweest te zijn van pogroms en verdrijving werd het Joden in 1671 door Friedrich Wilhelm I, de koning van Pruisen, toegestaan zich te vestigen in Berlijn en omgeving. De verlichting met haar ideaal van tolerantie gaf de aanzet tot de geleidelijke integratie van Joden in de christelijke samenleving. Joden gingen een belangrijke rol spelen in het economische en culturele leven van Berlijn en hun aantal zou oplopen tot 186.000 in 1933. Met de bouw van de eerste synagoge in Berlijn werd in 1712 begonnen en in 1756 werd het eerste echte Joodse hospitaal geopend aan de Oranienburger Strasse. Het ziekenhuis stond open voor patiŽnten en personeel van alle religies en bood voor die tijd uitstekende medische zorg. Met uiteindelijk een jaarlijks patiŽntenaantal van 400 deed het niet onder voor het Charitť, het oudste en meest prominente ziekenhuis van de Duitse hoofdstad. Daarom werd het Joodse ziekenhuis ook wel "het kleine Charitť" genoemd.

Omdat het ziekenhuis niet langer voldeed aan de eisen van de moderne geneeskunde werd in 1861 door de Joodse gemeente een nieuw hospitaal geopend aan de Auguststrasse. Met op elke verdieping behandel- en operatiekamers en sanitaire ruimtes met waterclosets (een nieuwigheid) was het ťťn van de modernste ziekenhuizen van Europa. Amper een halve eeuw later voldeed ook dit gebouw niet meer. De Joodse gemeente kocht een perceel in de wijk Wedding, waar het hospitaal zich tegenwoordig nog steeds bevindt. Weliswaar lag de locatie verder weg van het stadscentrum, maar de grond was er goedkoop. Het ziekenhuis met 230 bedden opende in 1914, slechts enkele dagen voor het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog. De opzichtige neoclassicistische architectuur van het gebouw was het bewijs van de welvaart en trots van de Joodse gemeenschap. Het complex telde acht gebouwen, waarvan het toegangsgebouw en hoofdgebouw het grootst waren. Paviljoens en een ruime binnentuin gaven het gebouw de ambiance van een kuuroord. De interne synagoge vormde het bewijs van de Joodse identiteit van het hospitaal.

Vooroorlogs antisemitisme

Terwijl de Joden in Berlijn een geassimileerd bestaan leefden, was het antisemitisme vanaf het einde van de 19e eeuw weer in opkomst. De Jodenhaat kwam tot uitbarsting toen Hitler in 1933 aan de macht kwam. Het gevolg voor het hospitaal was dat tussen 1933 en 1938 het aantal patiŽnten drastisch afnam. Hoewel het voor AriŽrs vooralsnog niet verboden was behandeld te worden door Joodse artsen, lieten steeds meer niet-Joodse Berlijners het na zich in het Joodse hospitaal te laten behandelen als gevolg van antisemitische propaganda en pressie door de naziís. Daar kwam bij dat het hospitaal geen patiŽnten (zelfs geen Joodse) meer mocht opnemen wier behandeling bekostigd werd door gemeenschapsgeld. In juli waren nog slechts 180 van de 380 bedden bezet. Het gevolg was dat artsen en verplegers onderbenut waren. Tegelijkertijd was er sprake van een aanwas van artsen die elders ontslagen waren, onder meer vanwege het verbod van 7 april 1933 voor Joden om in overheidsdienst te werken (artsen in door de overheid gefinancierde ziekenhuizen waren ook ambtenaren). Diverse hooggekwalificeerde artsen kwamen te werken in het Joodse hospitaal. Een forse personeelstoename werd echter vermeden, omdat meerdere artsen Duitsland verlieten en emigreerden.

Het duurde tot 1938 vooraleer het antisemitische overheidsbeleid werkelijk een bedreiging werd voor het voortbestaan van het hospitaal. In maart van dat jaar werd de legale status van de Berlijnse JŁdische Gemeinde (de vertegenwoordiging van de Joodse gemeenschap) opgeheven. De Gemeinde, die het hospitaal financierde, moest andere geldbronnen zien te vinden om het ziekenhuis in Berlijn te kunnen laten voortbestaan. Die werden onder andere gevonden in de vorm van giften van Joden in het buitenland. Behalve dat het ziekenhuis zo bekostigd kon blijven, lukte het met dit geld ook scholen open te houden voor Joodse kinderen (die niet langer welkom waren op openbare scholen) en welzijnswerk te verrichten voor behoeftige Joden.

De ongeveer 3.000 Joodse artsen in Duitsland werden zelf in 1938 zwaar getroffen. In juli van dat jaar werd hun medische licentie ingetrokken. Dit werd in september uitgebreid met de bepaling dat nog slechts 700 Joodse artsen in Duitsland hun beroep mochten uitoefenen, maar enkel met Joodse patiŽnten en in Joodse instellingen. Ze moesten zich voortaan Krankenbehandler (ziekenbehandelaar) noemen. Ook het Joodse hospitaal als geheel mocht geen Arische patiŽnten meer opnemen. Desondanks zou het aantal patiŽnten tot 1941 toenemen. Zo werden in 1940 70% meer operaties uitgevoerd dan gedurende de periode 1925-1927. De patiŽntentoename kwam mede omdat andere Berlijnse hospitalen weigerden Joodse patiŽnten te behandelen, zelfs als ze tot het christendom bekeerd waren. Ook werden buiten Berlijn steeds meer Joodse medische instellingen gesloten, totdat enkel nog het Joodse hospitaal in de hoofdstad overbleef. En dan was er in Berlijn ook nog een toename van het aantal Joodse inwoners, omdat veel Joden uit kleinere gemeenschappen hierheen verhuisden in de hoop dat ze hier minder last van antisemitisme zouden hebben. Voor al deze Joden gold dat het hospitaal de enige plek was waar ze nog terecht konden voor ziekenhuiszorg.

Opmerkelijk genoeg bleef het hospitaal gedurende de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 van gewelddadigheden en vernielingen bespaard. Er deed zich na die nacht en de weken daarna wel een (tijdelijke) toename van het aantal patiŽnten voor. Maar liefst 150 bedden moesten worden toegevoegd aan de afdeling chirurgie. Meerdere Joden die tijdens de door de overheid georkestreerde pogrom gewond raakten, moesten zich namelijk laten behandelen in het hospitaal, net als de Joden die later dat jaar terugkeerden uit een concentratiekamp, waarin ze gedurende die geweldsuitbarsting terecht gekomen en mishandeld waren. Speciaal voor Joden die in gevangenschap van de Gestapo of politie ernstig verwond werden, werd er in het hospitaal een zogenaamd Polizeistation ingericht, een gesloten afdeling in het hoofdgebouw waar tussen de 20 en 80 gevangenen behandeld konden worden, totdat ze weer konden terugkeren in gevangenschap of (vanaf 1941) gezond genoeg waren om gedeporteerd te worden.


Eerste oorlogsjaren

Begin van de deportaties

Als gevolg van het antisemitisme kozen tienduizenden Duitse Joden ervoor te emigreren, totdat in oktober 1941 nog 163.000 Joden overgebleven waren van de 523.000 die Duitsland in januari 1933 geteld had. Onder de geŽmigreerde Joden waren meerdere prominente artsen van het Joodse hospitaal. Eťn van hen was professor Martin Jacoby. Vanaf 1907 was hij chef geweest van het chemisch instituut van het Moabit-ziekenhuis in Berlijn, totdat hij eind 1933 met verplicht pensioen werd gestuurd. Hij kon in 1934 de overstap maken naar het Joodse hospitaal, waar hij de leiding kreeg over een soortgelijke afdeling als in het Moabit. In 1939 ging zijn kennis en ervaring voor het hospitaal verloren, toen de professor emigreerde naar Engeland. Een andere gerespecteerde Joodse arts die ervoor koos Duitsland te ontvluchten was de uroloog Dr. Paul Rosenstein, die al vele jaren in het Joodse hospitaal werkte, sinds 1923 als hoofd van de afdeling chirurgie. BraziliŽ was het land waarheen hij in 1938 emigreerde. Ook na 1941 slaagden enkele artsen en verpleegsters van het Joodse hospitaal er nog in om Duitsland te verlaten of onder te duiken. Gedurende de hele oorlog zou het hospitaal desondanks de beschikking houden over voldoende personeel om de nodige medische zorg te blijven verlenen, maar wel onder de supervisie van Adolf Eichmanns afdeling Joodse zaken van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA).

Toen emigratie in oktober 1941 verboden werd, bleven ruim 70.000 Joden over in Berlijn. Sinds september van dat jaar waren ze verplicht een davidster op hun kleding te dragen. Ook artsen en verplegers in het hospitaal droegen de ster op hun witte uniform. De invoering van dit stigmatiserende herkenningsteken vormde een voorbode van de deportaties naar gettoís en kampen in het Oosten, die in oktober begonnen. Op dat moment wisten de Joden nog niet dat ze daar vermoord zouden worden.Hen werd voorgehouden dat ze naar werkkampen gebracht werden. Het hospitaal raakte op meerdere manieren betrokken bij de deportaties. In de Sammellager (verzamelkampen die overal in Berlijn ingericht waren) en op de stations waarde Joden op de trein gezet werden, moesten dokters en verpleegsters eerste-hulp-posten bemannen. Ook werden ze geacht transporten te begeleiden, waarbij ze ook zelf niet meer terugkeerden. Veel meer dan de slachtoffers gerust stellen konden de hulpverleners niet, maar dat was dan ook precies waarom ze ingezet werden. Mede dankzij hun aanwezigheid brak er geen paniek uit en verliepen de deportaties voorspoedig.

Duivelse werk

Een andere wijze waarop het Joodse hospitaal betrokken was bij de deportaties was via de zogenoemde Transportreklamationstelle. Deze in december 1941 in opdracht van het RSHA opgerichte commissie was belast met de behandeling van de verzoeken tot uitstel van deportatie die Joden konden indienen op grond van medische redenen. Het kantoor van deze instelling was gevestigd in het Schwesterheim (verpleegstersverblijf) van het Joodse hospitaal. Dagelijks van 8:00 tot 23:00 uur werd er door een commissie van zes artsen, zes secretaressen en zes verpleegsters gewerkt aan het afhandelen van de vele ingediende verzoeken. Het was een komen en gaan van patiŽnten. Soms zouden er wel dertig ambulances bij het hospitaal hebben gestaan om zieke Joden af te leveren. "Blinden arriveerden en kreupelen, epileptici en mensen die leden aan tuberculose", zo herinnerde een secretaresse uit het hospitaal zich. "Vanwege de grote aantallen moesten ze urenlang staand wachten op hun onderzoek. Het was het meest zwaar wanneer we door de wachtruimtes moesten en we opgemerkt werden door vrienden en kennissen die smeekten om iets voor hen te doen, hoewel ze zelf ook wel wisten hoe machteloos we waren met betrekking tot dit duivelse werk."

Joden die voldeden aan de strenge eisen en ziek genoeg bevonden werden om nog niet op transport te hoeven, kregen uiterlijk drie maanden uitstel. Velen werden echter afgekeurd. Zo werden zwangere vrouwen gewoonlijk op transport gezet, tenzij ze op het punt stonden te bevallen. Zes weken na de bevalling werden ze dan alsnog met hun baby gedeporteerd. Wat ook gebeurde was dat zieken werden behandeld of geopereerd in het ziekenhuis om hen alsnog geschikt te maken voor deportatie. Veel viel er door de Joodse artsen niet te manipuleren in het voordeel van patiŽnten. De Gestapo hield streng toezicht en schakelde Arische artsen in voor een second opinion om bedrog te voorkomen. Toch zijn er aanwijzingen dat er mogelijk gesjoemeld werd om deportaties van individuen uit te stellen. Zo waren er in 1941 opvallend meer operaties dan in de jaren daarvoor. De oogarts in het ziekenhuis bijvoorbeeld voerde toen de deportaties begonnen, in december 1941, twee keer zoveel operaties uit als zijn maandelijkse gemiddelde.

Eind 1942 werd de commissie opgeheven. In juni van dat jaar was het RSHA in Berlijn begonnen met de zogenoemde Alterstransporte (ouderentransporten), waarbij bejaarde Joden werden afgevoerd naar het getto Theresienstadt in TsjechiŽ. Hoewel de locatie werd gepresenteerd als een modelgetto, waar de Joden een goed leven hadden, waren de levensomstandigheden er erbarmelijk. 89% van de ouderen stierf hier of werd gedeporteerd naar Auschwitz om daar alsnog vermoord te worden. Nu ook de ouderen werden afgevoerd en er vooral jongere en gezonde Joden achterbleven in de Duitse hoofdstad was de commissie overbodig geworden. Het werd Joden bovendien niet langer toegestaan om met het openbaar vervoer te reizen (uitgezonderd diegenen die 7 kilometer of verder van hun werk woonden) en ook ambulances waren nauwelijks nog beschikbaar voor Joden. Dat betekende dat het voor zieken niet langer mogelijk was naar het ziekenhuis te komen en ook de twee keuringsartsen die huisbezoeken aflegden, werden ernstig beperkt in hun bewegingsvrijheid.

Zelfmoorden

Een gevolg van de deportaties was dat het aantal zelfmoorden onder de Joden toenam. Het aantal zelfdodingen steeg vooral schrikbarend vanaf de jaarwisseling van 1942-1943, toen er in Berlijn steeds meer geruchten de ronde deden over het noodlot dat de Joden na deportatie wachtte. Het feit dat er van gedeporteerde familieleden, vrienden en buren al maandenlang niets meer vernomen werd, deed de vrees onder de nog overgebleven Joden toenemen. In de jaren 1942 en 1943 zouden 7.000 Joden in Berlijn zelfmoord gepleegd hebben. Er was een goed georganiseerde zwarte handel in opiaten en andere drugs die in hoge dosering dodelijk waren. Vooral het kalmeringsmiddel Veronal en kaliumcyanide (cyaankali) werden vaak gebruikt door degenen die een einde aan hun eigen leven wilden maken. Lang niet altijd slaagden de zelfmoordpogingen. Degenen die hun suÔcidepoging overleefden, werden behandeld in het Joodse hospitaal waarna ze alsnog op het door hen zo gevreesde transport gezet werden.

Het hospitaal kreeg gedurende de tijd van de deportaties vele suÔcideslachtoffers te verwerken. Een verpleegster herinnerde zich dat het aan beide kanten van een hal in het hospitaal vol stond met bedden. "Je kon er amper langs. Overal waar je je voeten zette was een bed met iemand die had geprobeerd zelfmoord te plegen." Toen er geen plek meer was in de zalen en gangen werden er ook bedden geplaatst in het badhuis. Vanwege de door hen afgelegde eed van Hippocrates waren de artsen in principe gedwongen de overlevenden van zelfmoord te genezen, maar ze zouden desondanks meerdere ouderen in rust hebben laten sterven.

Ook onder het hospitaalpersoneel kwamen er zelfmoorden voor. Een betrokkene schatte dat er in de periode 1942-1943 veertien personeelsleden zelfmoord pleegden, waaronder ten minste twee dokters. Het bekendste geval van zelfmoord onder het ziekenhuispersoneel was dat van hospitaaldirecteur Dr. SchŲnfeld. Nadat hij in oktober 1942 geselecteerd was om op transport gezet te worden, pleegde hij samen met zijn vrouw zelfmoord in hun woning. Eerder had een verpleegster met wie hij een geheime verhouding had gehad haar zelfmoord gefingeerd. Ze liet een injectiespuit achter en een zelfmoordbriefje waarin ze schreef dat ze haar stiekeme relatie met SchŲnfeld niet langer aankon. In werkelijkheid dook ze onder en overleefde zo de oorlog.


Joodse leiding

Herr Dr. Dr.

Net zoals elders in door de naziís overheerst Europa werden ook in Duitsland de Joden zelf ingezet bij de organisatie van de deportatie van hun lotgenoten. Het orgaan dat hiermee belast werd, was de Reichsvereinigung der Juden in Deutschland, de in Berlijn gezetelde landelijke Joodse vereniging waaronder alle lokale Gemeinde (gemeenten) vielen. Bij de oprichting in 1933 had de organisatie nog Reichsvertretungder deutschen Juden geheten en sinds 1935 Reichsvertretung der Juden in Deutschland. Na de Kristallnacht mocht de illusie dat de Joden nog iets te zeggen had (Vertretung betekent vertegenwoordiging) echter niet langer gewekt worden. De Reichsvereinigung was vanaf dat moment niets meer dan een doorgeefluik van nazibevelen aan de Joodse gemeenschap. Tijdens de deportaties was de organisatie belast met het samenstellen van de transportlijsten. Ook de Transportreklamationstelle viel onder haar verantwoordelijkheid, net als (vanaf 1941) het Joodse hospitaal (hoewel die verantwoordelijkheid gedeeld werd met de afdeling Gezondheidszaken van de Berlijnse Gemeinde).

Een centrale figuur binnen de geschiedenis van de Reichsvereinigung en Berlijnse Gemeinde en het hospitaal tijdens de naziperiode was de in 1891 geboren Walter Lustig. Hij was volgens de naziwetten Joods maar leek in niets op de karikaturen uit de antisemitische propaganda. Een tijdgenoot beschreef hem als op en top Duits en vergeleek hem, vanwege zijn grote snor en Pruisische uitstraling, met "een majoor uit de Eerste Wereldoorlog". Autocratisch, afstandelijk en arrogant, zo werd hij omschreven door anderen die hem gekend hebben in de tijd dat hij in het hospitaal werkte. Hij wenste aangesproken te worden met Herr Dr. Dr., verwijzend naar zijn doctorstitels in de geneeskunde en filosofie. Sommigen beschuldigden de geassimileerde Jood ervan dat hij, ondanks zijn eigen afkomst, een antisemiet was. Hij had zich in elk geval bekeerd tot het christendom en was getrouwd met een Arische vrouw. Dankzij dit huwelijk was hij tijdens de oorlogsjaren beschermd tegen deportatie.

Voorafgaand aan het nazitijdperk had Lustig zich ten volle ingezet voor het Duitse Rijk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als legerarts, onder andere in Breslau waar hij medische zorg verleende aan soldaten die ziek of gewond van het Oostfront terugkeerden. Daarna volgde een jarenlange en succesvolle carriŤre in overheidsdienst. Hij klom op tot chef van de afdeling Medische Zaken van het Berlijnse politiepresidium met de titels Oberregierungsrat en Obermedizinalrat. In die functie kwam hij in contact met politiemensen die later in dienst van het RSHA toezicht zouden houden op het Joodse hospitaal, zoals Rolf GŁnther, de plaatsvervanger van Adolf Eichmann.

Lustigs uitstekende staat van dienst deed niet ter zake toen hij in oktober 1933 werd ontslagen omdat Joden in overheidsdienst niet langer getolereerd werden. Hij werkte daarna op de afdeling Gezondheidszaken van de Joodse Gemeinde in Berlijn en kreeg vanaf juli 1939 de leiding over diezelfde afdeling binnen zowel de Gemeinde als de Reichsvereinigung. Als verantwoordelijke voor alle Joodse medische aangelegenheden zag Lustig ook toe op het Joodse hospitaal en op de Transportreklamationstelle. Elk door de commissie uitgevaardigd uitstel van transport werd door hem persoonlijk gecontroleerd. Binnen het hospitaal werd hij gevreesd omdat hij er nauw op toezag dat de regels en bevelen van de Gestapo opgevolgd werden. Misschien nog wel beruchter was hij als vrouwenverslinder. Hij zou buitenechtelijke affaires gehad met meerdere jonge verpleegsters.

Eenmans-Joodse Raad

Dat het hospitaal gedurende de oorlogsjaren open bleef, betekende niet dat personeelsleden automatisch gevrijwaard waren van deportatie. Behalve dat dokters en verpleegsters transporten begeleidden en dan zelf ook niet meer terugkeerden, werden ziekenhuismedewerkers zelf ook individueel en collectief op transport gezet. Onder hen de gerenommeerde arts professor Hermann Strauss. Voor het nazitijdperk had hij een leerstoel in de interne geneeskunde aan de universiteit van Berlijn bekleed en daarnaast was hij sinds 1910 hoofdarts in het Joodse hospitaal. De hoogleraar, die al in de zeventig was, werd in juli 1942 gedeporteerd naar het "ouderengetto" Theresienstadt, waar hij een paar maanden voor het einde van de oorlog overleed.

Het eerste collectieve transport van hospitaalpersoneel vond plaats in oktober 1942 tijdens wat bekend is komen te staan als de Gemeindeaktion. Omdat er in Berlijn steeds minder Joden overbleven, was het niet langer nodig de Gemeinde en Reichsvereinigung op volle sterkte te houden. Daarom werden 553 medewerkers, samen met 328 familieleden, gedeporteerd naar Theresienstadt en Auschwitz. Onder hen waren ook medewerkers van het hospitaal, die in opdracht van SS-SturmbannfŁhrer GŁnther door Walter Lustig uitgekozen waren. Het was GŁnther zelf die ziekenhuisdirecteur SchŲnfeld aanwees, waarna die zelfmoord pleegde en Lustig de leiding over het hospitaal overnam. In juni 1943 volgde de opheffing van de Gemeinde en de Reichsvereinigung, al werd de opheffing van die laatst genoemde organisatie spoedig teruggedraaid waarna deze de rest van de oorlog bleef bestaan.

Nadat drie topmannen van de Reichsvereinigung in januari 1943 afgevoerd waren, was Lustig de machtigste man binnen de Joodse gemeenschap. Als leider van het hospitaal en het restant de Reichsvereinigung, dat zetelde in het ziekenhuis, bekleedde hij vanaf 1943 een functie die is omschreven als een "eenmans-Joodse Raad".


Uitzonderingspositie

Fabrikaktion

Er zijn verschillende redenen te noemen waarom het Joodse hospitaal ook na 1942 bleef bestaan. Een belangrijke reden was de blijvende aanwezigheid van Joden in Berlijn die beschermd werden door hun huwelijk met een AriŽr of door hun gedeeltelijke Arische afkomst. In dat laatste geval werd er gesproken van Mischlinge. Tweedegraads Mischlinge (of kwartjoden: personen met ťťn Joodse grootouder) werden over het algemeen hetzelfde behandeld als AriŽrs. Hoewel fanatici binnen de nazipartij eerstegraads Mischlinge (of halfjoden: personen met twee Joodse grootouders) hetzelfde wilden behandelen als volle Joden verkregen zij in nazi-Duitsland toch een uitzonderingspositie, tenzij zo iemand de Joodse religie aanhing of getrouwd was met een volle Jood (zo iemand werd dan een Geltungsjude genoemd en beschouwd als een volle Jood). De reden voor deze uitzonderingsposities was de angst die er binnen het nazibestuur bestond voor protesten door Arische familieleden wanneer hun halfjoodse of Joodse naaste gedeporteerd zou worden. In een tijd van oorlog kon men weerstand binnen de Duitse volksgemeenschap niet gebruiken.

Ondanks dat halfjoden en Joden met een Arische huwelijkspartner uitgezonderd waren voor deportatie konden ze niet rekenen op een gelijke behandeling. Het was voor de naziís bijvoorbeeld ondenkbaar dat Joden in dezelfde ziekenhuizen opgenomen zouden worden als Arische patiŽnten. Om hen toch medische zorg te geven, bleef het Joodse hospitaal open. Deels was dat ook uit eigenbelang, want wanneer halfjoden leden aan besmettelijke ziekten dan vormden ze zonder medische behandeling of ziekenhuisopname een risico voor de volksgezondheid. Om vergelijkbare redenen bleef behalve het hospitaal ook de Joodse begraafplaats in de Berlijnse wijk Weissensee gedurende de oorlog geopend met een handjevol Joodse werknemers. Zo werd vermeden dat de lichamen van Joden begraven moesten worden door AriŽrs op Arische begraafplaatsen.

Het Joodse hospitaal bleef de beschikking houden over een laboratorium en een apotheek. Het beheer over de medicijnen werd echter niet toevertrouwd aan iemand van Joodse afkomst en was de verantwoordelijkheid van een Arische apotheker die tot het einde van de oorlog in dienst bleef. Hij was het enige overgebleven niet-Joodse personeelslid nadat het de trouwe Arische vroedvrouw door de naziís niet langer toegestaan was om in dienst van het hospitaal te blijven.

Op 27 februari 1943 leek het alsof de voorheen van transport uitgezonderde Berlijnse Joden niet langer veilig waren. Circa 1.800 bevoorrechte Joodse mannen werden toen gearresteerd en gevangen gezet in een gebouw van de Joodse gemeente aan de Rosenstrasse 2-4. Hun Arische echtgenotes of moeders verzamelden zich voor het gebouw en eisten dat ze vrijgelaten werden. Dat gebeurde op 1 maart en vermoedelijk was het nooit de bedoeling geweest om deze mannen op transport te zetten. Waarschijnlijk wilden men hen tijdelijk afzonderen van niet-bevoorrechte Joden, waarvan er ongeveer 10.000 opgepakt en gedeporteerd werden naar Auschwitz. Omdat de meeste van deze Joden opgepakt werden in de fabrieken waar ze dwangarbeid verrichtten, ging de operatie de geschiedenisboeken in als Fabrikaktion. Onder de gedeporteerde Joden waren ook medewerkers en patiŽnten van het hospitaal. Na deze gebeurtenis was het hospitaal de enige overgebleven plek in Duitsland waar Joden in een groot aantal legaal verbleven.

Lustigs lijst

Kort na de Fabrikaktion sloeg in maart 1943 het noodlot opnieuw toe voor de hospitaalbewoners. Op de straat voor het hospitaal stopten op 10 maart meerdere arrestatiewagens. Een groep officieren van de Gestapo en Kriminalpolizei stapte het hospitaal binnen en gaf Lustig de opdracht tot het ontruimen van het hospitaal. Lustig weigerde echter mee te werken zolang er geen officieel bevel van het kantoor van Eichmann was. Er werd contact opgenomen met dit bureau met als gevolg dat de ontruiming van het complete hospitaal afgeblazen werd. Blijkbaar was er sprake geweest van een misverstand tussen verschillende afdelingen van de SS. Korte tijd later verschenen drie andere SS-officieren, waaronder Fritz WŲhrn die de supervisie voerde over het hospitaal, die Lustig opdroegen om voor de volgende ochtend de helft van zijn personeel plus hun familieleden te selecteren voor transport.

Lustig en zijn secretaressen werkten de hele nacht door om de lijst samen te stellen. Ongetrouwde voljoodse mannen liepen een grote kans om uitgekozen te worden, terwijl onmisbare artsen en verpleegsters juist van de lijst gehouden werden. De volgende dag werden de Joden op de lijst afgevoerd naar een Sammellager in Berlijn, waarvandaan ze gedeporteerd werden naar de vernietigingskampen in het Oosten. Lustig werd door zijn medewerking aan het transport gehaat door de meeste Joden in het hospitaal en ze beschuldigden hem van verraad. Een gewillige collaborateur van de naziís lijkt hij echter niet te zijn geweest. Meerdere Joden dankten juist hun leven aan hem. Toen in mei 1943 opnieuw een inval van de Gestapo in het hospitaal volgde, hadden de Gestapomensen zelf een lijst samengesteld. Toen zijn secretaresse werd meegenomen en in een Sammellager terecht kwam, haalde hij haar daar persoonlijk uit, samen met nog tien of vijftien anderen.

Een ander dramatisch moment in de geschiedenis van het hospitaal vond eveneens in 1943 plaats, namelijk in juni. Toen werden de laatst overgebleven bewoners van Joodse verpleeg- en bejaardenhuizen gedeporteerd naar Theresienstadt, waaronder ook de bewoners van het aan het Joodse hospitaal verbonden verpleeghuis. De bedlegerige patiŽnten werden door personeelsleden warm aangekleed en kregen schoon ondergoed, schoenen en een warme deken mee. Velen kregen een luier om, die door alle stress vaak al snel weer verschoond moest worden. Toen het gereedmaken van de ouderen langer duurde dan de toegestane twee uur droeg de Gestapo er bij Lustig op aan om haast te maken. Hoe het uiteindelijk met deze hulpbehoeftige mensen afliep, laat zich raden.


PatiŽnten en personeel

Bastion van het leven

Van 1942 tot het einde van de oorlog verbleef een bont gezelschap binnen de hospitaalmuren, bestaande uit ziekenhuismedewerkers, patiŽnten en diverse andere bewoners. Na afloop van de deportaties van 1943 telde het hospitaal 60 personeelsleden, waaronder artsen, verpleegsters en ondersteunend personeel, die woonden op het hospitaalterrein. Veel van die inwonende personeelsleden hadden hun eigen huis bij bombardementen verloren. Daarnaast stonden nog 24 andere personeelsleden op de loonlijst die elders verbleven, waaronder een aantal Mischlinge die hier na de Fabrikaktion tewerkgesteld waren. Eťn van hen was GŁnther Rischowsky, die met zijn broer door Lustig zelf was uitgekozen als terreinbeheerder, terwijl zijn broer als autopsie-assistent werd aangewezen. "We werkten zo goed als we konden, meer dan van ons verwacht werd", zo verklaarde GŁnther. "We waren ons bewust dat het hospitaal een bastion van het leven symboliseerde. We werkten waar we ook werden toegewezen, of dat nou was op de kinderafdeling, in de tuin, als dakwerkers, bij het spijkeren van kozijnen, als zaalhulpen of als liftjongens."

Onder de patiŽnten bevonden zich vanaf 1942 psychiatrische patiŽnten die afkomstig waren uit ontruimde Joodse psychiatrische instellingen elders in Duitsland. Het ging hoofdzakelijk om buitenlanders die dankzij hun niet-Duitse afkomst vooralsnog gespaard waren, terwijl de meeste Joodse psychiatrische patiŽnten in Duitsland met hun verzorgers al naar de vernietigingskampen afgevoerd waren. Speciaal voor hen was een psychiatrische afdeling geopend met 120 bedden. De psychische zorg die geboden werd was ontoereikend: er was geen geschoold personeel, geen speciale medicatie en de psychologische behandeling was beperkt. Om de patiŽnten een zinvolle dagbesteding te geven verrichtten ze in en om het hospitaal klusjes. Het was een zware klap toen het hen na verloop van tijd door de Gestapo verboden werd hun kamers te verlaten en te wandelen in de tuin.

Eind 1943 kwam er een einde aan de bevoorrechte positie van de buitenlandse psychiatrische patiŽnten in het hospitaal. Omdat geen enkele buitenlandse regering had gereageerd op het verzoek van de Gestapo van 31 juli 1943 om hun onderdanen in bescherming te nemen, werden de buitenlandse paspoorten ingetrokken en op 21 november 1943 werd de complete psychiatrische afdeling ontruimd. Alle patiŽnten werden geŽxecuteerd in het bos bij concentratiekamp Sachsenhausen, vlakbij Berlijn.

In 1942 arriveerden ook tientallen Joodse weeskinderen in het hospitaal in Berlijn, nadat hun weeshuizen gesloten waren. Het ziekenhuis had al een kinderafdeling, maar opende ook een Kinderunterkunft, een kinderverblijf. Het hospitaalpersoneel kon de deportatie van weeskinderen waarvan de voljoodse afkomst onomstotelijk vaststond niet voorkomen, maar slaagde er wel in om de kinderen te sparen waarvan de Joodse identiteit van de vader niet bewezen was. De afdeling sociale zaken van de Reichsvereinigung hield zich speciaal bezig met het opsporen van bewijzen van de Arische afkomst van de vader, zoals geboortecertificaten en doopgegevens. Ongeveer zestig wezen van tussen de zes en achttien jaar oud wisten in het hospitaal de oorlog te overleven.

Vips

Het hospitaal bood gedurende de laatste oorlogsjaren ook onderdak aan enkele dankzij hun vroegere positie geprivilegieerde Joden. Enkele van deze "vips" verbleven in het Polizeistation, waaronder Dr. Arthur EichengrŁn, die als chemicus van het Duitse concern Bayer aspirine ontdekte. Vanwege zijn huwelijk met een Arische vrouw werd hij uitgezonderd van deportatie. Het was hem zelfs gelukt om na de nazimachtsovername in dienst te blijven van Bayer. Pas toen hij op een patentaanvraag het naliet de voor Joden verplichte naam IsraŽl toe te voegen, kwam hij in het vizier van de autoriteiten. Vanwege deze overtreding werd hij opgepakt. Nadat hij na zijn arrestatie ziek geworden was, werd hij overgebracht naar de politiezaal van het hospitaal. Na zijn genezing werd hij gedeporteerd naar Theresienstadt, waar hij de oorlog overleefde.

De meeste vips verbleven op de afdeling die bekend stond als Extrastation (speciale afdeling). Hier woonden meerdere geprivilegieerde Joden in gemeubileerde privťkamers. Twee van de bewoners waren de tot het christendom bekeerde oud-minister van Justitie Eugen Schiffer en zijn ongetrouwde dochter. De oud-excellentie was een bekende verschijning in het ziekenhuis: dagelijks maakte hij een wandelingetje door de tuin, zelfs als het regende. Zijn dochter en hij overleefden de oorlog. De reden van hun overleving is onbekend, maar mogelijk hadden ze een onbekende beschermer met een hoge positie binnen de overheid.

De identiteit van andere bewoners van de speciale afdeling is enigszins in nevelen gehuld. Zo zouden hier enkele leden van de rijke Joodse familie Rothschild hebben verbleven, evenals een Frau Oppenheimer, eveneens afkomstig uit een welvarend Joods geslacht. Opmerkelijk is dat ťťn van de bewoners tijdens de oorlog aan een rolstoel gebonden was, maar na de bevrijding gewoon bleek te kunnen lopen. Een ander benoemingswaardige bewoner was een oudere vrouw die regelmatig bezocht werd door SSíer Walter Dobberke, de chef van het Sammellager dat vanaf 1944 op het hospitaalterrein gevestigd was. De bejaarde dame was de moeder van een jeugdvriend van de SS-officier.

Collegiale samenwerking

Gedurende de laatste oorlogsjaren zat het hospitaal overvol. Dat kwam omdat een deel van de gebouwen geconfisqueerd was en elk stukje overgebleven ruimte gebruikt werd als leefruimte voor de medewerkers en andere Joden die hier hun intrek hadden genomen. Al in 1942 was de Reichsvereinigung gedwongen het hospitaalcomplex over te dragen aan de Duitse Akademie fŁr Jugendmedizin, maar deze onderwijsinstelling zou zich hier nooit vestigen. Dat was mede te danken aan het feit dat delen van het ziekenhuis in gebruik waren door de Wehrmacht en later ook als Sammellager. Deze bestemmingen werden belangrijker geacht dan de academie en het hospitaal profiteerde daarvan.

Het waren de afdeling gynaecologie, de operatieruimte, het verpleegstersverblijf en de infectie-afdeling die door het Duitse leger geconfisqueerd waren om te dienen als veldhospitaal (Feldlazarett No. 147). Het Joodse hospitaal was daarom gedwongen elders een operatiezaal en verpleegstersonderkomen in te richten, maar had wel voordeel bij de aanwezigheid van het leger. Zowel de centrale verwarming als de elektriciteitsaansluiting werd gedeeld met het Feldlazarett. Terwijl er door Duitse burgers in de omliggende wijk kou geleden werd en er vaak geen stroom was, brandde in het hospitaal de verwarming en was er meestal wel elektriciteit. Opvallend is ook de collegiale samenwerking tussen de Joodse medici en de Duitse legerartsen. Medische voorraden werden met elkaar gedeeld en Joodse werknemers die in het Lazarett klusjes verrichtten, kregen doorgaans iets extraís te eten. Via de staf van het legerhospitaal en buurtbewoners waren de Joden in het ziekenhuis ook op de hoogte van de Duitse nederlaag in Stalingrad in februari 1943. Het gaf hen moed, maar de bevrijding zou nog ruim twee jaar op zich laten wachten.

Klein eiland

"Een klein eiland [Ö] afgesneden van de rest van de wereld", zo werd het Joodse hospitaal in Berlijn ten tijde van de oorlog genoemd door een overlevende. PatiŽnten, personeelsleden en andere aanwezigen verlieten het hospitaalterrein vanaf het moment dat er deportaties plaatsvonden zo min mogelijk om arrestatie te vermijden. Echter ook in het ziekenhuis waren ze niet helemaal veilig, want de gevreesde Fritz WŲhrn kwam regelmatig op inspectie en kon dan ieder willekeurige persoon aanwijzen en op transport sturen. Eens liet hij een Joodse vrouw deporteren omdat ze haar davidster niet droeg. Ook Adolf Eichmann zou een geregelde gast geweest zijn in het ziekenhuis.

De Joden in het hospitaal leefden voortdurend tussen hoop en vrees, maar tegelijkertijd ging het gewone leven door. Er ontstonden vriendschappen, relaties en ruzies, zoals in elke andere gemeenschap. Verpleegster ontsnapten aan de avondklok van 22:00 uur en verlieten via de buitendeur van de keuken in de kelder het gebouw voor een romantische ontmoeting of bijeenkomst met vrienden in de tuin.Nadat het Joden niet langer toegestaan was bioscopen en theaters te bezoeken, was er in het hospitaal een theatergroep opgericht. Ook was er een koor in de synagoge, bestaande uit verpleegsters en artsen. Nadat in 1942 alle religieuze diensten verboden werden door de naziís kwamen gelovige Joden enkel nog in het geheim samen om hun geloof te belijden.

Het levensonderhoud van patiŽnten, personeelsleden en andere personen die een vaste verblijfplaats hadden in het Joodse hospitaal werd gedurende de oorlogsjaren bekostigd door het RSHA en de patiŽnten of hun verzekering. Omdat steeds meer levensmiddelen, waaronder melk, boter, vlees, eieren en vers fruit, niet meer verkocht mochten worden aan Joden en de rantsoenen alsmaar kleiner werden, was het eten schaars en eenzijdig. De dagelijkse voeding bestond uiteindelijk vooral nog uit aardappelen en grof brood, wat voor patiŽnten met maagproblemen moeilijk te verteren was. Om de hongerige hospitaalbewoners nog enigszins iets gevarieerds voor te kunnen schotelen werd een groot deel van de hospitaaltuin omgeploegd en gebruikt als moestuin. Op een gegeven moment zouden ook koeien van een melkveehouder uit de buurt in de tuin er een veilig onderkomen gevonden hebben. De vers gemolken melk was een gezonde en voedzame aanvulling van het dagelijkse ziekenhuisrantsoen.


Laatste oorlogsjaar

Sammellager

Terwijl Joseph Goebbels als Gauleiter van Berlijn op 19 mei 1943 verklaarde dat Berlijn Judenrein was, verbleven er nog altijd duizenden Joden in de Duitse hoofdstad. Het betrof onder andere Joden uit gemengde huwelijken en de Joden in het hospitaal, maar ook onderduikers. Nadat alle andere verzamelkampen gesloten waren, vonden alle transporten vanaf februari 1944 plaats vanuit het Joodse hospitaal, waar de afdeling pathologie ingericht was als een Sammellager. Tot het najaar van 1944 vonden nog kleine transporten naar Auschwitz plaats. In het met prikkeldraad van de rest van het ziekenhuisterrein afgesloten verzamelkamp werd het bevel gevoerd door SS-HauptsturmfŁhrer Walter Dobberke, een voormalige politieman. Hoewel het strikt verboden was voor AriŽrs Ė en dus zeker voor SS-officieren Ė om intieme relaties te onderhouden met Joden had hij een geheime verhouding met een verpleegster van het Joodse hospitaal. Blijkbaar had de man een milde kant, want hij zou de Joden in het hospitaal meer dan eens gewaarschuwd hebben voor een naderende razzia.

Het Sammellager vormde gedurende het laatste oorlogsjaar ook het verblijf voor de zogenoemde Greifer, Joodse collaborateurs van de Gestapo die zich bezighielden met het opsporen en arresteren van Joodse onderduikers. Meest berucht was Stella Goldschlag, een knappe blonde Jodin die mogelijk wel honderden Joden in Berlijn heeft verraden. Het was een collega van haar die in augustus 1944 op een S-Bahn station een jonge Joodse vrouw inrekende, die voor een aankomende trein gesprongen was om aan arrestatie te ontkomen. Met een verbrijzelde voet werd ze van onder de trein gehaald en afgevoerd naar het hospitaal. Het was niemand minder dan dokter Lustig die een groot deel van de behandeling voor zijn rekening nam. Elke dag bezocht hij zijn patiŽnte om de botsplinters uit haar voet te halen en daarna de voet te wassen en opnieuw te verbinden. Normaal gesproken zou haar voet geamputeerd zijn, waarna ze op het volgende transport naar Auschwitz gezet zou zijn, maar mogelijk wilde Lustig haar dit lot besparen. Een Gestapo-officier, die zelf een aantal semesters medicijnen had gestudeerd, gaf zijn goedkeuring en vond het een interessant experiment. Maandenlang leed de vrouw afschuwelijke pijn en kon ze niet uit bed, maar ze overleefde wel de oorlog.

Stad in puin

Behalve dat de Joden in het hospitaal elke dag vreesden voor deportatie was er ook een ander gevaar, dat hen vanuit de lucht bedreigde. De geallieerde luchtmachten voerden in totaal tijdens de oorlogsjaren 363 bombardementsmissies uit op Berlijn. Daarbij verloren ten minste 20.000 burgers het leven en nog veel meer raakten gewond of dakloos. Ook industriŽle doelen in de nabijheid van het ziekenhuis waren veelvuldig het doelwit van zware bombardementen. Vooral tijdens het laatste oorlogsjaar waren de bombardement hevig en veelvuldig in aantal. Terwijl een steeds groter deel van de stad in puin veranderde, bleef het ziekenhuis echter het ergste bespaard. Het complex leed vooral schade door de luchtdruk van explosies dichtbij en rondvliegend puin en bomscherven, maar werd zelf opvallend weinig direct geraakt. Eens werden bij een bombardement veertig kraters geslagen in de binnentuin, maar desondanks bleef iedereen ongedeerd.

Dat het ziekenhuis de oorlog vrijwel ongeschonden doorkwam, was niet alleen een kwestie van geluk, maar mede te danken aan de inzet van de Joden die hier verbleven. Ze hadden er dan ook groot belang bij dat het bewoonbaar bleef. "We moesten ons hospitaal zo goed als mogelijk beschermen", aldus ťťn van hen. "Als het ziekenhuis er niet was geweest, dan zouden wij hier niet zijn geweest. Ze zouden ons niet in een hotel of zo hebben gezet." Omdat ze op de autoriteiten niet hoefden te rekenen Ė die weigerden Joden te helpen Ė zetten ze onder leiding van de chef van de technische dienst hun eigen luchtwacht en brandweer op. Een oud-brandweerman, die als Joodse echtgenoot van een Arische vrouw in het ziekenhuis verbleef, leidde hospitaalpersoneelsleden op in het bestrijden van vuur.

Elke nacht werd er door een wisselende ploeg jongemannen op een houten observatieplatform op het dak van het hoofdgebouw de wacht gehouden. Terwijl bommenwerpers met hun dodelijke lading over raasden, verwijderden zij brandbommen en brandende rommel van het dak voordat er meer schade aangericht kon worden. Als beloning voor het levensgevaarlijke werk kregen de nachtwakers na afloop van hun dienst een flinke slok alcoholische drank, dat in de apotheek vervaardigd was. Het werk was dan nog niet gedaan, want de bomschade moest hersteld worden. Met gebruik van materiaal, dat bij elkaar verzameld werd in de ruÔnes van gebombardeerde huizen, werden gaten in het dak gerepareerd. Hout en zelfs karton werd gebruikt ter afdichting van de ramen waarvan de ruiten gesneuveld waren. Het lukte zo om een groot deel van de gebouwen bewoonbaar te houden. Slechts enkele delen moesten vanwege schade ontruimd worden.

Een gevolg van de bombardementen op Berlijn gedurende de laatste fase van de oorlog was een verdere toename van het aantal personen dat verbleef op het hospitaalterrein. Wanneer Joden die dankzij hun beschermde huwelijk nog in de stad verbleven hun huis verloren bij een bombardement werden ze door de Reichsvereinigung ondergebracht in het hospitaal. Al die ziekenhuisbewoners bivakkeerden tijdens bombardementen in de kelder onder gebouwencomplex. Aanvankelijk werden bedlegerige patiŽnten alleen bij luchtalarm naar beneden gebracht, maar gedurende de laatste maanden van de oorlog verbleven ze daar voortdurend, omdat het heen en weer brengen onpraktisch was vanwege de toegenomen frequentie van de bombardementen. Toen Arische omwonenden eenmaal doorhadden dat het ziekenhuis elk bombardement wonderbaarlijk doorstond, zochten ook zij hier een veilig heenkomen gedurende luchtaanvallen. Om hen af te zonderen van de daar verblijvende Joden werd er door de Gestapo voor hen een speciale sectie in de kelder aangewezen.

Voor ťťn groep bewoners van het hospitaal vormden de bombardementen het grootste risico, namelijk de patiŽnten in het Polizeistation. Ondanks dat hun onderkomen zich op de bovenste verdieping bevond en ze dus als eerste geraakt zouden worden bij een bominslag, mochten ze aanvankelijk hun afgesloten afdeling niet verlaten om een veilig heenkomen te vinden bij de anderen in de kelder. Toen de bombardementen later tijdens de oorlog in hevigheid toenamen, werd hier alsnog toestemming voor gegeven. Officieel moest daarvoor echter elke keer telefonische toestemming verkregen worden van de Gestapo. Dat nam zoveel tijd in beslag dat de patiŽnten niet op tijd beneden waren. Uiteindelijk besloten medewerkers van de Reichsvereinigung zonder toestemming de politieafdeling te evacueren toen het alarm weerklonk. Omdat disciplinaire maatregelen uitbleven, vervolgden ze deze praktijk gedurende de rest van de oorlog.

Slag om Berlijn

Terwijl gedurende de afgelopen herfst de laatste deportaties vanuit Berlijn naar Auschwitz hadden plaatsgevonden, leefden eind februari 1945 volgens een officiŽle telling in opdracht van de Gestapo nog 6.284 Joden in de Duitse hoofdstad. 162 daarvan waren "voljoden" die niet beschermd waren door een gemengd huwelijk. De meesten van die groep werkten in het hospitaal en dankten daaraan hun overleving. De overlevingsstrijd van de overgebleven aanwezigen in het hospitaal was echter nog niet ten einde. Terwijl het Rode Leger de Duitse hoofdstad steeds dichter naderde, vreesden ze dat er elk moment een einde aan hun bevoorrechte positie kon komen en dat ze op het laatste moment alsnog geŽxecuteerd zouden worden. Toen in april 1945 de Slag om Berlijn losbarstte, waren de Joden in het hospitaal echter nog altijd ongemoeid gelaten door de SS.

Waarom de Joden in het hospitaal ook gedurende de eindfase van de oorlog gespaard werden, is niet helemaal duidelijk. SS-officier Dobberke, de commandant van het op het hospitaalterrein gevestigde Sammellager, zou wel degelijk de opdracht tot de executie van de Joden hebben gekregen, maar dat nagelaten hebben. Volgens sommige overlevenden wist zijn minnares, een verpleegster uit het hospitaal, hem daartoe over te halen. Hij zou, voordat hij met haar op 24 april het hazenpad koos, zijn gevangenen een verklaring hebben laten tekenen waarin stond dat hij hun leven gespaard had. Daarmee hoopte hij te kunnen ontsnappen aan geallieerde vervolging (hij zou in 1946 sterven aan difterie in een Sovjet-krijgsgevangenenkamp). Ook de andere bewakers en de Joodse Greifer verlieten rond diezelfde tijd het hospitaalterrein. Tevoren had de Gestapo in de verbrandingsoven van het ziekenhuis eerst nog belastende documenten verbrand.

Gedurende de laatste dagen van de Slag om Berlijn gingen de dokters in het hospitaal dapper door met het behandelen van patiŽnten terwijl buiten de geluiden van artillerievuur en geweerschoten klonken. Hoewel dat volgens de naziwetgeving al sinds 1938 verboden was, zochten ook wanhopige en gewond geraakte Arische burgers hulp in het ziekenhuis, die hen niet geweigerd werd. Onder de gewonden die indertijd behandeld werden, was ook ten minste ťťn Joodse soldaat uit het Rode Leger. De omstandigheden in het ziekenhuis waren erbarmelijk. Alle ruimtes waren overvol met gewonden, zieken en gezonde bewoners. De stroom was uitgevallen, zodat er ook tijdens operaties met olielampen bijgelicht moest worden. Het aanvullen van de alsmaar kleiner wordende watervoorraad was levensgevaarlijk. De waterbron bevond zich namelijk in de buitenlucht op het hospitaalterrein, waar waterhalers blootgesteld waren aan sluipschutters en rondvliegende scherven, kogels en rommel.

Als gevolg van de onhygiŽnische omstandigheden en de beperkte medische zorg stierven gedurende de Slag om Berlijn naar verhouding meer patiŽnten dan gedurende eerdere jaren. In totaal vielen in 1945 567 doden te betreuren, wat neerkwam op 22% van het totale aantal patiŽnten van dat jaar. In 1943 was dat 29% (425 doden) en in 1944 ruim 17% (124), terwijl in de vooroorlogse periode dat percentage schommelde tussen de 8,6 en 15,8%. Ondanks het risico om beschoten te worden of door een artillerieaanval getroffen te worden, werden de doden gedurende de laatste dagen voor het einde van de oorlog begraven in de hospitaaltuin. Ze zouden later herbegraven worden op de Joodse begraafplaats Weissensee.


Bevrijding en daarna

Juden kaputt!

"Nichts Juden. Juden kaputt!", dat waren de woorden van een Sovjetsoldaat die op 24 april het Joodse hospitaal betrad. De SS had eerder die dag het ziekenhuisterrein verlaten en de Joden waren opgelucht dat het Rode Leger eindelijk gearriveerd was. Toen een vertegenwoordiger van het hospitaal aan de militair uitlegde dat de meeste aanwezigen in het hospitaal Joods waren kon de man dat niet geloven. Hij had immers vernomen van de massamoord op de Joden en vond het onvoorstelbaar dat in het centrum van het Derde Rijk nog steeds Joodse overlevenden waren. Dat waren er zelfs veel meer dan de 800 tot 1.000 in het hospitaal. In totaal telde Berlijn nog ongeveer 8.000 Joodse overlevenden, waaronder voornamelijk Joden uit gemengde huwelijken en circa 1.700 onderduikers. Van de 70.000 Joden die in 1941 nog in Berlijn geleefd hadden, waren er tijdens de oorlog circa 55.000 gedeporteerd naar concentratie- en vernietigingskampen. Slechts 1.900 van hen zouden levend terugkeren. De rest pleegde zelfmoord, werd slachtoffer van oorlogsgeweld of stierf door ziekte.

In gebrekkig Russisch konden de Joden in het hospitaal het Rode Leger uiteindelijk van hun Joodse identiteit overtuigen. De Sovjetsoldaten lieten hen vervolgens ongemoeid, terwijl ze wel alle personeelsleden en patiŽnten van het Lazarett krijgsgevangen namen (die echter voorlopig wel op dezelfde plek bleven). De komst van het Sovjetleger leidde niet tot een feeststemming in het hospitaal, hoewel er vermoedelijk geen Joodse vrouwen verkracht werden (wat veel Berlijnse vrouwen wel overkwam).Ongedisciplineerde Mongoolse troepen stalen juwelen van patiŽnten. Beter gedisciplineerde troepen deden later hun best de buit terug te geven. Aan de strijd om de Duitse hoofdstad was ook nog geen einde gekomen. In de hospitaaltuin werd door de Sovjets een veldartillerie-eenheid gehuisvest. Wat er in de tuin nog over was van de rozenstruiken werd aangevreten door de paarden van het Rode Leger. Vanwege een tekort aan munitie lag het hospitaal niet langer in de Duitse vuurlinie, maar buiten de poorten van het hospitaal vonden nog altijd gevechten plaats en lagen sluipschutters op de loer.

De voedselvoorraad in het ziekenhuis was hachelijk. Vlees was er wel, nadat het Rode Leger het hospitaal een varken geschonken had. Dat het vlees niet koosjer was, maakte de meeste uitgehongerde Joden in het ziekenhuis niets uit. Om alle monden te kunnen blijven voeden werd er door een groepje Joden een gewaagde operatie uitgevoerd. Met valse identificatiebewijzen en armbanden van het Rode Kruis bezochten de Joden een vlakbij gelegen bakkerij, waar ze zich voordeden als medewerkers van het Lazarett en dankzij deze dekmantel broden meekregen. Op de terugweg werden ze echter aangehouden bij een SS-commandopost. De SSíers vertrouwden het niet en stonden op het punt om de Joden op beschuldiging van spionage neer te schieten toen de commandant van het Lazarett hen belde. De man was door Lustig ingelicht en wist de Joden vrij te krijgen. Toen ze terugkeerden konden zowel de Joden in het hospitaal als de Duitse militairen in het hospitaal profiteren van het brood.

Opluchting en herstel

Op 2 mei 1945 stopte het oorlogsgeweld in de omgeving van het Joodse hospitaal. Er kwam een einde aan een periode van 12 dagen en 11 nachten dat de Joden ononderbroken in de kelder hadden verbleven. Een niet minder grote opluchting moet het zijn geweest dat ze na al die jaren eindelijk hun ster af konden doen en hun vrijheid herwonnen. Op 8 mei 1945 tekende veldmaarschalk Wilhelm Keitel de Duitse capitulatie op het hoofdkwartier van het Rode Leger in Berlijn en kwam er een definitief einde aan het Derde Rijk. Voor de ongeveer 10 overgebleven dokters en circa 20 verpleegsters in het Joodse hospitaal brak er een drukke tijd aan. Terwijl er in de eerste vier maanden van 1945 245 opnamen geteld werden (onduidelijk is of de gewonden tijdens de Slag om Berlijn meegerekend zijn), waren dat er 2.319 gedurende de rest van het jaar. Deze toename werd veroorzaakt door Joodse overlevenden uit de kampen die in verzwakte conditie in het hospitaal opgevangen werden.

Bij de opvang van de gerepatrieerde kampgevangenen kwam er hulp uit onverwachte hoek. Een legerarts, die ontsnapt was aan krijgsgevangenschap en achtergebleven was in het verlaten Lazarett, voerde de leiding over de triage. Slachtoffers met tuberculose, tyfus en andere ernstige ziekten werden onder zijn aanvoering afgezonderd van de patiŽnten die er minder slecht aan toe waren. Ondanks de tekorten aan bedden, medicijnen, voedsel en andere benodigde voorraden leek het ziekenhuis nauwelijks tijd nodig gehad te hebben om zich te herstellen van de chaotische laatste oorlogsmaanden. Een 22-jarige kampoverlevende, die in augustus 1945 met andere overlevenden terugkeerde in Berlijn, was verbaasd over hoe georganiseerd hij het hospitaal aantrof. "De stad was verwoest, gebouwen waren platgebombardeerd", zo herinnerde hij zich. "We liepen naar het hospitaal, dat niet beschadigd was. Ik was verrast dat het leek alsof er niets gebeurd was, de tijd stond er stil. Een Joodse verpleegster in een schoon, gesteven uniform begroette ons en bracht ons naar een kamer met schone bedden [Ö]."

Op 11 mei 1945 vond de eerste naoorlogse geboorte plaats in het hospitaal. Het ging om een kindje van christelijke ouders. Diezelfde dag werd er in de synagoge in het hospitaal voor het eerst een Joodse religieuze dienst uitgevoerd door een rabbi uit het Rode Leger. Ongeveer een jaar later, op 3 juni 1946, werd de synagoge feestelijk heropend. Tijdens een ceremonie werden de originele Torahrollen naar binnen gedragen. Een opvallende afwezige bij deze gebeurtenis was de voormalige hospitaaldirecteur Walter Lustig. Kort na de bevrijding was hij door de Sovjetautoriteiten benoemd tot directeur Gezondheidszaken voor de wijk Wedding en leider van de naoorlogse Reichsvereinigung. Niemand was dan ook verbaasd toen hij op een dag in juni 1945 door twee Sovjetofficieren in een limousine werd opgehaald, ogenschijnlijk voor bijvoorbeeld een audiŽntie bij de bezettingsautoriteiten.

Lustig zou echter nooit meer teruggezien worden. Volgens de meeste bronnen werd hij door de Sovjets afgevoerd naar het door hen als interneringskamp in gebruik genomen concentratiekamp Sachsenhausen. Daar zou hij zonder proces geŽxecuteerd zijn, mogelijk omdat hij beschuldigd werd van collaboratie met de naziís. Waarom de Sovjetautoriteiten hem eerder dan wel in een hoge positie benoemd hadden is onduidelijk. Toen zijn vrouw een aanvraag deed voor een weduwenpensioen verklaarde de districtsrechtbank in Berlijn haar echtgenoot dood per 31 december 1945. Over de vraag of hij werkelijk een pion van de naziís was of dat hij juist zijn best gedaan heeft om te doen wat hij kon voor zijn patiŽnten en medewerkers in het hospitaal verschillen de meningen. Na de oorlog hadden de Berlijnse Joden geen goed woord voor hem over, maar door zijn plotselinge verdwijning heeft hij nooit verantwoording kunnen afleggen voor de omstreden rol die hij tijdens de oorlog speelde.

Multicultureel

Tegenwoordig worden door ruim 70 artsen jaarlijks circa 20.000 patiŽnten behandeld in het Joodse hospitaal, dat in 1970 gerenoveerd en uitgebreid werd. Als de, op de Joodse begraafplaats in Weissensee na, enige Joodse instelling die het nazi-tijdperk overleefd heeft, staat het zogeheten JŁdisches Krankenhaus Berlin symbool voor de hoogte- en dieptepunten die de Joodse gemeenschap in Berlijn gekend heeft. Bezoekers worden bij de ingang begroet door een buste van Heinz Galinski, de eerste voorzitter van de naoorlogse Zentralrat der Juden in West Duitsland, de opvolger van de Reichsvereinigung. Als belangrijkste vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap in Duitsland speelde Galinski een bepalende rol bij de verzoening tussen Duitsers en Joden. Voor bezoekers die meer willen weten over de geschiedenis van het hospitaal is een vaste expositie ingericht. De belangrijkste historische gebeurtenissen worden bovendien opgesomd op een bronzen plaquette op een muur buiten bij de hoofdingang.

Het hospitaal draagt nog steeds een Joodse identiteit. Er werken enkele Joodse artsen en in 2003 werd de gerenoveerde synagoge heropend. Momenteel is echter nog slechts circa 10% van de patiŽnten Joods. De omliggende wijk kent tegenwoordig een multicultureel karakter en veel patiŽnten zijn moslims van Turkse of Arabische afkomst. De hospitaalleiding is trots op het open karakter van het ziekenhuis en laat zich inspireren door de rijke geschiedenis. "Wij [Ö] zien onszelf als opvolgers en voortzetters van de langdurige medische traditie", zo verklaarde hospitaaldirecteur Dr. Jechezkel Singer in 2007. "Voor vele eeuwen was de Joodse gemeenschap in Berlijn ervan overtuigd dat een gemeenschap er is om hulp te verlenen aan de zieken en zwakkeren. In het Jodendom horen tzedakah (liefdadigheid) en bikur holim (het bezoeken van de zieken) tot de meest belangrijkste plichten van het gemeenschappelijke leven."


Bronnen

Boeken

Een kortere versie van dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in het tijdschrift Wereld in Oorlog. Wereld in Oorlog vertelt opmerkelijke, aangrijpende en dramatische verhalen achter belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en militaire operaties in de recente oorlogsgeschiedenis. Het accent ligt daarbij op de Eerste en Tweede Wereldoorlog.


Versie: 12-3-2017 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/4502/Joods-Hospitaal-Berlijn-tijdens-de-nazi-periode.htm