VIP-gevangenen van de SS in de Alpenfestung

Voorgeschiedenis

Inleiding

Het was een exclusief gezelschap dat begin mei 1945 verzameld was in het in chaletstijl opgetrokken hotel Pragser Wildsee in Zuid-Tirol, Italië. De groep telde bijna 140 personen van 17 verschillende nationaliteiten. Er waren ministers, hoge geestelijken, generaals en prinsen bij. Twee Churchills waren ook present. Vanuit hun hotelkamers keken ze uit op een blauwgroen bergmeer, omringd door naaldbomen en besneeuwde bergtoppen. Eén van de hotelgasten noemde de locatie een "paradijs op aarde". Voor velen van hen was het voor het eerst sinds maanden of zelfs jaren dat ze konden slapen op een gewoon bed zonder bang te hoeven zijn voor de dag van morgen. Eindelijk waren ze ontsnapt uit de klauwen van de SS.

Alpenfestung

Zuid-Tirol maakte onderdeel uit van de Alpenfestung, het laatste verzetsbolwerk van de nazi’s in het Alpengebied. Het was het plan dat samengeraapte nazi-eenheden vanuit versterkingen in de Alpen een guerrillastrijd zouden voeren tegen de westerse geallieerden, die moest leiden tot een wapenstilstand aan het westfront. De westerse geallieerden zouden zich daarna moeten aansluiten bij de Duitse strijd tegen de Sovjetbondgenoot. Voor de geallieerde opperbevelhebber Dwight Eisenhower was een strijd tegen onverzettelijke naziguerrilla’s een dusdanig schrikbeeld dat hij de verovering van Berlijn overliet aan het Rode Leger, terwijl hij zijn eigen troepen liet oprukken richting de Alpen.

De door Eisenhower gevreesde uitputtingsstrijd bleef uit, maar dat betekende niet dat de Alpenfestung slechts een mythe was. Al in de zomer van 1944 had SS-leider Heinrich Himmler geologen naar de Alpenregio gestuurd om geschikte locaties voor vestingwerken te vinden. Van een massale verplaatsing van Duitse troepen naar het zuiden was echter geen sprake. Ook de zogenoemde Werwolf-eenheden, verzetsgroepen die terreur moesten zaaien achter de geallieerde linies, waren dominanter in de propaganda dan in werkelijkheid.

Gijzelaars

Een belangrijke pleitbezorger van de Alpenfestung was SS-Obergruppenführer Ernst Kaltenbrunner. Hij was in januari 1943 benoemd tot chef van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), nadat zijn voorganger, Reinhard Heydrich, als gevolg van een aanslag op zijn leven was omgekomen. Samen met zijn chef, SS-leider Heinrich Himmler, dacht Kaltenbrunner in de laatste weken van het Derde Rijk nog een belangrijke troef in handen te hebben om de westerse geallieerden aan de onderhandelingstafel te krijgen. Verspreid over het Rijk zaten vele tientallen prominente buitenlanders gevangen in kampen en op speciale locaties. Door hen als ruilmiddel in te zetten hoopte de SS-leiding een stok tussen de deur te hebben om geaccepteerd te worden als onderhandelingspartners.

Op bevel van Kaltenbrunner werden in het voorjaar van 1945 de meeste prominente gevangenen, ofwel Sonderhäftlinge, als gijzelaars overgebracht naar de Alpenfestung. Datzelfde gold ook voor Sippenhäftlinge, familieleden van de betrokkenen bij de aanslag en staatsgreep van 20 juli 1944. Het ging onder andere om familie van aanslagpleger Claus Schenk Graf von Stauffenberg en van oud-burgemeester Carl Friedrich Goerdeler, die na een geslaagde staatsgreep premier zou zijn geworden. Kaltenbrunner probeerde via zijn adjudant Wilhelm Höttl onderhandelingen te voeren met Allen Welsh Dulles, de latere directeur van de CIA die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Bern was gestationeerd als agent van het Office of Strategic Services (OSS), de geheime militaire inlichtingendienst van de VS. Die wees echter alle contact met de SS af. Daarmee hing de gijzelaars een onzeker lot boven hun hoofd.


Verzameld Dachau

Lange en angstige reis

Aan hun overplaatsing naar de Alpen ging voor de meeste gijzelaars een lange en angstige reis vooraf. Voor Fey von Hassell, de dochter van verzetsman Ulrich von Hassell, en andere Sippenhäftlinge begon hun transport al in november 1944, toen ze vanuit verschillende gevangenissen en concentratiekampen werden overgeplaatst naar hotel Hindenburg-Baude bij Bad Reinerz in Neder-Silezië. Op dat moment was er nog geen plan om hen naar het zuiden te transporteren en werd hun reis op 30 november vervolgd in noordelijke richting. Hun bestemming was het concentratiekamp Stutthof bij Danzig aan de Oostzee. Daar zouden ze ongeveer twee maanden verblijven, totdat ze eind januari 1945 vanwege de nadering van het Rode Leger werden geëvacueerd om te voorkomen dat ze in handen van de Sovjets vielen. Via verschillende tussenstations bereikten ze uiteindelijk op 3 maart 1945 concentratiekamp Buchenwald bij Weimar.

Voor Fey von Hassell was de verhuizing van kamp naar kamp zenuwslopend. Ze had onderweg vernomen dat haar vader in september 1944 terechtgesteld was nadat het Volksgericht de doodstraf tegen hem had uitgesproken. Over het lot van haar twee zoontjes wist ze echter nog niets. Pas na de oorlog zou ze met hen herenigd worden.

In Buchenwald waren tegelijkertijd met de Sippenhäftlinge ook acht Sonderhäftlinge uit Hongarije gearriveerd, waaronder minister van Binnenlandse Zaken Péter Schell. Al sinds 1943 zaten de Franse oud-premier Léon Blum en zijn vrouw Jeanne in totale isolatie gevangen in een valkeniershuis in het kamp. Op 7 februari 1945 werden ook meerdere Sonderhäflinge vanuit Berlijn afgevoerd naar Buchenwald, waaronder de Russische luitenant Vasily Vasilyevich Kokorin. De enige reden dat hij werd beschouwd als prominente gevangene was dat hij een neef was van de invloedrijke Sovjetpoliticus Vyacheslav M. Molotov, die als minister van Buitenlandse Zaken in 1939 het niet-aanvalsverdrag met naziminister Joachim von Ribbentrop afsloot. Theoloog en verzetsman Dietrich Bonhoeffer werd eveneens vanuit Berlijn naar Buchenwald gedeporteerd.

Prominenten in Flossenbürg

Een achttal andere prominente gevangenen werd vanuit de gevangenis van het Gestapo-hoofdkwartier aan de Prinz-Albrechtstrasse 8 en concentratiekamp Sachsenhausen afgevoerd naar concentratiekamp Flossenbürg. Onder hen meerdere personen die verdacht werden van betrokkenheid bij het julicomplot, zoals ex-naziminister van Economische Zaken en oud-president van de Rijksbank Hjalmar Schacht en de voormalige chef van de generale staf van de landmacht, Generaloberst Franz Halder. Kurt Schuschnigg, de Oostenrijkse bondskanselier van 1934 tot 1938, behoorde eveneens tot deze groep prominenten. In Flossenbürg verbleven onder andere ook de Britse Lieutenant Colonel Jack Churchill en Captain Peter Churchill, die allebei onterecht werden beschouwd als familieleden van de Britse premier Winston Churchill.

Na een verblijf van enkele weken in het kamp werden alle Sonderhäflinge in drie transporten, op 8, 9 en 15 april 1945, verder vervoerd naar Dachau. Onder hen bevond zich ook prins Philipp von Hesse, een neef van de Duitse keizer Wilhelm II en een achterkleinkind van koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk. Deze goede vriend van nazibons Hermann Göring was de echtgenoot van prinses Mafalda, de dochter van de Italiaanse koning. Na de val van de Italiaanse dictator Benito Mussolini in 1943 was hij opgepakt op verdenking van betrokkenheid hierbij. Prinses Mafalda raakte bij een bombardement op Buchenwald op 24 augustus 1944 gewond en stierf de volgende dag na een slecht uitgevoerde amputatie van haar linker arm.

Naar Dachau

Ook de prominenten in Buchenwald werden verder zuidwaarts verplaatst. Dat gebeurde op 3 april in twee bussen voor de Sippenhäftlinge, een gevangenenwagen voor de Sonderhäftlinge en een personenauto voor het echtpaar Blum. Het konvooi bereikte allereerst Flossenbürg, maar werd door de kampcommandant niet toegelaten omdat het kamp overvol was. De reis werd vervolgd via Regensburg naar Schönberg in het Beierse Woud, dat op 6 april bereikt werd. Hier kregen de gevangenen, achter de rug om van de SS, levensmiddelen toegestopt door de lokale bevolking. Het was ook hier dat de Gestapo twee gevangenen uit de groep ophaalde: Dietrich Bonhoeffer en General der Artillerie Friedrich von Rabenau. Beide mannen, verdacht van betrokkenheid bij het julicomplot, werden naar Flossenbürg gebracht en daar diezelfde maand nog geëxecuteerd. De overige gevangenen van het transport arriveerden op 16 en 17 april in Dachau.

Behalve de transporten vanuit Flossenbürg en Buchenwald arriveerde in Dachau ook een transport dat op 15 april vanuit concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk vertrokken was. Het bestond onder meer uit de Hongaarse minister-president Miklós Kállay en zijn landgenoot Miklós Horthy jr., de zoon van het in 1944 afgetreden staatshoofd van Hongarije. Enkele andere prominente gevangenen verbleven al langere tijd in Dachau, zoals pastoor en verzetsman Martin Niemöller, die sinds 1938 in concentratiekampen gevangen had gezeten, eerst in Sachsenhausen en later in Dachau. Hij werd beschouwd als persoonlijke gevangene van Hitler. Dat gold ook voor zijn medegevangene Georg Elser, de pleger van de aanslag op Hitler op 8 november 1939 in de Bürgerbräukeller in München. Anders dan Niemöller zou hij niet worden overgeplaatst naar de Alpenfestung, maar werd hij op 9 april 1945 geëxecuteerd op bevel van Gestapo-chef Heinrich Müller.


Van Dachau naar Niederdorf

Bonte groep

De 98 Sonder- en 37 Sippenhäftlingen van 17 nationaliteiten die eind april 1945 in Dachau verzameld waren, vormden een bonte groep. Behalve de eerder genoemde prins Philipp von Hesse telde het gezelschap ook andere royals, zoals prins Xavier de Bourbon, de broer van keizerin Zita, de echtgenote van keizer Karl I van Oostenrijk. De eerder genoemde militairen kregen gezelschap van onder andere de Griekse opperbevelhebber generaal Alexandros Papagos en zijn generale staf, die in juli 1943 naar concentratiekamp Dachau waren afgevoerd. Naast Kokorin telde de groep nog vijf andere Sovjetmilitairen, inclusief NKVD-generaal Ivan Georgievich Bessonov, die als krijgsgevangene van de Duitsers medeverantwoordelijk was geweest voor de mislukte operatie Goelag. In het kader van deze operatie moesten in het geheim door de Duitsers opgeleide Sovjetkrijgsgevangenen Goelagkampen in Siberië aanvallen en gevangenen rekruteren in de strijd tegen het Rode Leger.

In drie afzonderlijke transporten, respectievelijk op 17, 24 en 26 april, vertrokken de gijzelaars vanuit Dachau. SS-Obersturmführer Edgar Stiller voerde de leiding over het transport. Dertig bewakers vanuit Dachau en een SS-Sonderkommando van twintig man onder bevel van SS-Untersturmführer Ernst Bader bewaakten de gijzelaars. In overvolle vrachtwagens werden ze getransporteerd naar het 200 kilometer zuidelijker gelegen Arbeitserziehungslager Reichenau bij Innsbruck. In het kamp in Reichenau waren de omstandigheden slecht: de barakken waren vergeven van de luizen en de toiletten waren open beerputten.

Boulevard of Broken Dreams

Omdat Stiller het vervuilde kamp Reichenau geen geschikte verblijfplaats vond voor de aan hem toevertrouwde gevangenen verzocht hij de Gauleitung in Innsbruck om een betere locatie. Als nieuw kwartier werd hotel Pragser Wildsee toegewezen, vlakbij Niederdorf/Villabassa in het Hochpustertal/Alta Pusteria in Zuid-Tirol. In dit deel van Italië wordt door de meerderheid van de bevolking Duits gesproken. In de avond van 27 april vertrok het transport met vijf touringcars naar de nieuwe bestemming. De gijzelaars waren niet op de hoogte gebracht van hun bestemming en vreesden voor wat komen zou. Om de stemming erin te houden werd in één van de bussen gezongen. Aan boord bevonden zich onder andere de Britse gevangenen en de populaire Berlijnse cabaretière en accordeoniste Isa Vermehren. Nadat haar broer, Abwehr-agent Erich Vermehren, met zijn vrouw op 27 januari 1944 in Istanbul naar de Britten overgelopen was, werden Isa en haar ouders in Sippenhaft genomen. Op de top van de Brennerpas zongen Isa en de andere passagiers luid de melancholische musicalhit ‘Boulevard of Broken Dreams’ uit Moulin Rouge.

De volgende dag arriveerde het konvooi in Niederdorf in de stromende regen. De gijzelaars werden uit hun bussen gehaald en konden eindelijk hun benen strekken. Hun aankomst in het dorp was niet onopgemerkt gebleven. Therese Wassermann, de dochter van de banketbakker, schreef in haar dagboek dat ze thuis opgeschrikt werden door het geluid van een groot aantal langslopende mensen. "Eerst kwamen kinderen, dan bewapende soldaten, dan burgers met vrouwen, weer soldaten, dan militairen (hoge) in vreemde uniformen en weer Duitse manschappen ertussen. Veel van deze mensen zagen er verzwakt en moe uit, maar er waren er ook met een trotse houding met het hoofd omhoog en lachend. Het was beangstigend."

Gastvrije dorpelingen

Ondertussen bleek er een probleem te zijn: hotel Pragser Wildsee werd bezet door de Wehrmacht. Dat betekende dat er voor de gijzelaars alsnog elders onderdak gevonden moest worden. De gastvrije bevolking van het dorp was de redder in nood, want zowel particulieren als herbergiers waren bereid hen op te vangen. Een grote groep bracht de nacht door op strobedden in het gemeentehuis. De geestelijken werden ondergebracht in de pastorie. Voedsel voor hun onverwachte gasten werd door de dorpelingen ook verzorgd.

De SS vestigde zich in hotel Bachmann aan het dorpsplein. Er werd door de bewakers veel alcohol gedronken, wat de situatie enkel hachelijker maakte voor de gevangenen. Vooral de aanwezigheid van SS-Untersturmführer Bader baarde hen grote zorgen. Weliswaar was hij lager in rang dan Stiller, maar hij had meer autoriteit. Gefluisterd werd dat hij de leiding had gevoerd over een liquidatie-eenheid van de Gestapo. "Een echt prototype en postermodel van zijn soort", zo verklaarde Isa Vermehren over de nazi. "[…] De uitdrukking op zijn gezicht was onaangenaam: je zag dat de onbuigzaamheid die hij uitstraalde dodelijk kon zijn."

Maar er waren meer aanwijzingen die de gijzelaars sterk verontrustten. Sommigen van hen hadden gezien hoe een krat gevuld met granaten in één van de bussen getild was. De Duitse gijzelaar Oberst Bogislav von Bonin, die in januari 1945 gevangen was genomen na het weigeren van een bevel van de Führer, had SS’ers horen fluisteren over een bom onder de bus. Volgens een ander gerucht zouden de gijzelaars gefusilleerd worden. Hun lichamen zouden naar het hotel worden gebracht, waarna het gebouw in vlam gezet moest worden. Stiller zou bekend hebben dat hij inderdaad de opdracht had om zijn gevangenen op de 29e te liquideren om te voorkomen dat ze in geallieerde handen vielen. Als gijzelaars hadden ze geen waarde meer, nu duidelijk was dat de geallieerden niet bereid waren tot onderhandelingen en slechts genoegen namen met een Duitse nederlaag aan alle fronten.

Bevrijding door de Wehrmacht

Van Stiller bleken de gijzelaars de volgende dag weinig te hoeven vrezen. Tijdens een bijeenkomst in hotel Bachmann droeg hij de leiding over het transport vrijwillig over aan het door de Brit Sigismund Payne Best in het leven geroepen gevangenencomité. Deze agent van de Britse Secret Intelligence Service (SIS) werd al op 9 november 1939, tegelijkertijd met zijn collega Richard Stevens, door de Duitsers gevangen genomen tijdens het Venlo-incident, waarbij ze in een val van de SS liepen. Beide mannen verbleven sindsdien in Sachsenhausen en waren via Dachau toegevoegd aan de gijzelaarsgroep. Het was Best die zich vanwege zijn vloeiende beheersing van de Duitse taal en vaderlijke karakter ontpopte tot officieuze woordvoerder van de gijzelaars.

Naast Best speelde ook de Duitse kolonel Bonin een belangrijke rol bij de gebeurtenissen op 29 april. Hij slaagde die dag erin om telefonisch de hulp in te roepen van General Hans Röttiger, chef van de staf van Heeresgruppe C in Bozen/Bolzano. Hauptmann Wichard von Alvensleben werd vanuit het ongeveer 20 kilometer ten oosten van Niederdorf gelegen Moos/Moso naar het dorp gezonden en arriveerde nog diezelfde avond. Hij vond de situatie waarin de gijzelaars zich bevonden bedreigend genoeg om de volgende dag in de vroege ochtend terug te keren met een stoottroep van 15 onderofficieren met machinegeweren. Om de SS in mankracht te overtreffen, riep Alvensleben telefonisch de versterking op van een compagnie van de Wehrmacht uit het een paar kilometer verderop gelegen Toblach, die twee uur later met 150 soldaten arriveerde. Alvensleben liet het dorpsplein omsingelen, waarna de SS geen kant meer op kon.

De SS’ers kozen eieren voor hun geld en lieten zich ontwapenen door de overmacht aan soldaten van de Wehrmacht. Gedurende de bedreigende situatie hadden de leden van de familie Stauffenberg, die het meest gehaat werden door de SS’ers, zich verborgen in een afgesloten ruimte in de pastorie. Ze konden tevoorschijn komen nadat de SS het dorp verlaten had in opdracht van Alvensleben en met instemming van SS-Obergruppenführer Karl Wolff, de hoogste SS- en politieleider in Italië. De gijzelaars waren bevrijd.


In hotel Pragser Wildsee


In hotel Pragser Wildsee

Hotel Pragser Wildsee

De vorige dag al was het SS-officier Stiller, dankzij tussenkomst van de verantwoordelijke kwartiermeester van de Wehrmacht, gelukt om het hotel Pragser Wildsee te ontruimen. De bevrijde gijzelaars werden in legervrachtwagens vervoerd naar het op 1.496 meter hoogte gelegen berghotel. Het kostte de zwaar beladen vrachtwagens grote moeite de steile en besneeuwde bergweg te bestijgen. "Op de helft van het traject moesten we uitstappen en de overige anderhalf uur te voet afleggen", zo vertelde Isa Vermehren. "Door diepe, losse sneeuw, die kort geleden gevallen was, liepen we, niet gewend aan het lange wandelen en ietwat buiten adem, dieper de besneeuwde bergen in, tot we uiteindelijk een Duitse soldaat met een geweer naderden, die voor de toegang van het hotelterrein had postgevat."

De aankomst bij het uniek gelegen hotel aan de rand van het gelijknamige bergmeer en uitkijkend op de 2.810 meter hoge Seekofel, moet voor de groep een overweldigende ervaring zijn geweest. Er was echter één bijkomstigheid en dat was dat het hotel enkel in de zomer geopend was. De hoteleigenaresse, Emma Heiss-Hellenstainer ontving haar onverwachte gasten desondanks met open armen.

Griesmeelsoep

"De welwillende bezitster van het hotel Pragser Wildsee had zich onmiddellijk bereid verklaard haar grote gebouw als veilig onderkomen ter beschikking te stellen voor onze op zo merkwaardige wijze hierheen opgedreven groep", aldus Isa Vermehren. "Het speet haar dat het enkel een zomerhotel was en dat ze daarom niet in staat was ons tegen de heersende kou te beschermen, maar ze zou alles in het werk stellen om het ons aangenaam te maken." Bij het kwartier maken kreeg de gastvrouw hulp van Fregattenkapitän Franz Liedig, die in november 1944 gearresteerd was op verdenking van betrokkenheid bij de samenzwering tegen Hitler. Samen maakten ze een kamerindeling, waarbij nationaliteiten zoveel mogelijk bij elkaar werden geplaatst en families met kinderen een kamer met kachel toegewezen kregen.

Terwijl er anders culinaire lekkernijen op de menukaart stonden, moesten de hotelgasten die eerste dag genoegen nemen met griesmeelsoep, bereid met een kleine zak griesmeel die de gijzelaars meegebracht hadden vanuit Dachau. Met hun kommen en lepels, eveneens uit het kamp, gingen ze in de rij staan toen de soep verdeeld werd. "Ze vonden de soep heerlijk", zo verklaarde de waardin, "en waren blij dat ze eindelijk weer in een echt bed konden slapen!" De lokale bevolking schoot opnieuw te hulp door levensmiddelen en kleding te geven aan de hotelgasten.

Kleine Volksbond

De bijzondere locatie van het hotel had een helend effect op het gemoed van de mannen en vrouwen die de voorafgaande periode zoveel hadden moeten doorstaan. Fey von Hassell noemde de plek "het paradijs op aarde". De sfeer tussen de vips van 17 nationaliteiten was opperbest. Er werd zo respectvol met elkaar omgegaan dat Isa Vermehren de groep later een "kleine Volksbond" noemde. In de karakteristieke huiskapel van de familie Hellenstainer, vlakbij het hotel, werd op 1 mei 1945 een kerkdienst georganiseerd, waarbij de ex-gijzelaars hun dank betuigden voor hun redding.

Amerikanen

Ondanks de idyllische omgeving, loerde er nog steeds gevaar voor de bevrijde gijzelaars. Om hen te beschermen tegen gedeserteerde Duitse soldaten, die aan het plunderen geslagen waren, en Italiaanse partizanen werd de toevallig in de buurt aanwezige Gebhard von Alvensleben, een neef van Wichard von Alvensleben, belast met de bewaking van het hotel. Hij had 80 soldaten onder zich die gelegerd waren in Toblach. Er zouden zich echter geen incidenten voordoen. Op 2 mei capituleerde de Wehrmacht in Italië, waarna op 4 mei circa 170 Amerikaanse soldaten van de 85th Division van het V Army, onder aanvoering van Captain John Atwell, hotel Pragser Wildsee bereikten. Ze namen de Duitse bewakers krijgsgevangen, maar niet voordat Payne Best zowel Wichard als Gebhard von Alvensleben had bedankt voor hun ridderlijke houding en een goed woordje voor hen deed bij de Amerikanen.

Gedurende de laatste dagen in het hotel stonden de gijzelaars onder Amerikaans toezicht. Het ontbrak hun aan niets, want de Amerikanen hadden voldoende voedsel, kleding en medicijnen meegenomen. De hotelgasten werden bedolven onder de sigaretten en chocolade. Kort na de Amerikaanse militairen arriveerde ook de internationale pers die het opmerkelijke verhaal van de gijzelaars wereldkundig maakte.

Na de oorlog

Na een verblijf van ruim een week in hotel Pragser Wildsee werd het internationale gezelschap door de Amerikanen via Verona naar Napels overgebracht, waarvandaan de meeste niet-Duitse vips terugkeerden naar hun moederland. Hoewel ook de Duitsers hoopten op een vlugge terugkeer naar hun Heimat werden zij eerst ondergebracht in hotel Paradiso Eden in Anacapri op het eiland Capri. Daar werden ze door de Amerikanen onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek naar een mogelijk naziverleden. De Duitse militairen werden als krijgsgevangenen overgebracht naar een militaire gevangenis in Duitsland.

Meerdere Duitsers uit de gijzelaarsgroep zouden later vervolgd worden vanwege hun rol in het Derde Rijk, waaronder Hjalmar Schacht, die tijdens het proces van Neurenberg vrijgesproken werd van alle beschuldigingen (zie: slotverklaring Schacht en Vonnis Schacht). SS-Obersturmbannführer Stiller, de aanvoerder van het gijzelaarstransport, werd na de oorlog gearresteerd en kwam op 14 september 1951 vrij uit Amerikaanse gevangenschap.

Enkele niet-Duitse gijzelaars speelden na de oorlog opnieuw een belangrijke rol in hun land. Léon Blum was van 1946 tot 1947 voorzitter van de voorlopige Franse regering en Alexandros Papagos was van 19 november 1952 tot zijn dood op 4 oktober 1955 premier van Griekenland. De enige Nederlandse ex-gijzelaar, oud-minister van Defensie Jannes Johannes Cornelis van Dijk, keerde niet meer terug in de politiek.

Hereniging

In 2005 vond in de kapel bij hotel Pragser Wildsee een hereniging plaats tussen de nog levende ex-gijzelaars. Een monument werd onthuld met daarop de namen van alle gijzelaars die op 30 april 1945 in het hotel opgevangen werden.


Bronnen

Boeken


Versie: 6-5-2017 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/4790/VIP-gevangenen-van-de-SS-in-de-Alpenfestung.htm