Verbelen, Robert Jan

De schrik van België

Inleiding

In 1962 werd de Vlaamse collaborateur en oorlogsmisdadiger Robert Jan Verbelen door nazi-jager Simon Wiesenthal in Wenen opgespoord. Verbelen was in 1945 naar Oostenrijk uitgeweken. Daar dook hij onder in het stadje Zell am See. Een jaar later zat hij in Wenen. Hij leefde daar onder de naam van de in Auschwitz vermoorde Jood Isaac Meisels, daarna nam hij de naam Diehl aan. In Wenen werkte hij 11 jaar voor de Amerikaanse contraspionagedienst (Counter Intelligence Corps (CIC)). Toen de Amerikaanse bezettingstroepen in 1955 uit Oostenrijk vertrokken bood hij zijn diensten aan de Oostenrijkse Staatspolizei als infiltrant in extreemrechtse organisaties.

Collaboratie

SS-Obersturmführer van de Germaanse SS Robert Peter Jan Verbelen, werd geboren op 5 april 1911 in de Vlaamse gemeente Herent (Leuven). Zijn vader was een politiecommissaris. Het gezin bestond uit twee zonen en een zus. Verbelen begon zijn carrière als journalist en in het theater. Begin jaren dertig was hij een actieve aanhanger van de Vlaamse afscheidingsbeweging/ Vlaamse activisten die streefden naar een Groot Dietschland, los van de Walloniërs. In 1931 richtte hij de voetbalclub Flandria Herent op, waarvan hij tot 1938 voorzitter was.

Aan het begin van de oorlog trad hij toe tot het Vlaams Nationaal Verbond (VNV). Hij werd hiervan gewestleider in Leuven. Dat was voor hem echter niet voldoende. Verbelen meldde zich bij de Duitse Wehrmacht. Daar konden echter alleen Duitse staatsburgers in dienen, zodat hij werd ingedeeld bij de "germanische Freiwillige Waffen SS". Hij diende in de SS Brigade "Brabant en Limburg" .

Verbelen klom in de Vlaamse SS Vlaanderen snel tot Untersturmführer, en wegens zijn verdiensten aan het Oostfront zelfs tot Oberleutnant, een rang die in Vlaanderen gelijk staat aan majoor.

Vanuit zijn hoofdkwartier in Brussel organiseerde hij de activiteiten van de Vlaamse SS in Brussel, Leuven en Limburg. Daarnaast hield hij zich bezig met propaganda activiteiten voor geheel Vlaanderen: zo wist hij tientallen Vlaamse jongeren voor de strijd in het Oosten te ronselen.

Terreur

Na zijn dienstperiode aan het Oostfront werd Verbelen in 1942 stafleider van de pro nazi-vereniging DeVlag (Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft). Eind 1942 specialiseerde hij zich in het liquideren van verzetstrijders en vrijmetselaars. Hij werd benoemd tot Stormbaanleider: commandant van Stormbaan Brabant, een van de vier Stormbaans van de Algemene SS Vlaanderen. De voornaamste taak bestond uit de beveiliging van nazisympathisanten, collaborateurs en hun gezinnen. Verbelens eenheid werd echter meer een eenheid die gespecialiseerd was in de uitoefening van terreur.

Daar was hij uitermate goed in. Hij joeg met zijn doodseskaders de schrik aan onder verzetslieden en de lokale bevolking. Hij zaaide een ware terreur met huiszoekingen, mishandelingen, razzia’s, deportaties en moorden op bekende Vlamingen. Persoonlijk stelde hij een zwarte lijst samen van Belgen die actief waren (of leken) in het verzet tegen de Duitsers, en stelde de plannen op voor hun executie.

Op 18 december 1943, verscheen in ‘De SS-Man’ een ‘oorlogsverklaring’ aan het verzet. De auteur was niemand minder dan Robert Verbelen, leider van het Veiligheidskorps van ‘DeVlag.’ Hij schreef: "Naast de zwarte lijsten die de Anglofielen en de bolsjewisten-vereerders met zoveel ijver aanleggen, maken wij ook onze lijsten klaar... En laten zij nu nog zozeer geloven aan een Engelse overwinning, wij weten zo zeker als God leeft, dat de mannen onzer lijsten het eerst aan de beurt zullen komen, het eerst zullen worden afgeschreven, het eerst zullen worden gelikwideerd."

Verbelen werd ook ingezet om gebieden te "neutraliseren", dat wil zeggen dat in die gebieden waar veel verzetsactiviteiten te bespeuren waren, een duidelijk signaal afgegeven werd aan het verzet en hun sympathisanten. Zo werd in het dorpje Sint Truiden en Brustem (dichtbij het vliegveld Evere) een voorbeeld gesteld. Het slachtoffer daarvan was een bekende in die omgeving, namelijk de vrederechter Jean Pierre Frére in Bokrijk. Volgens de Belgische collaborateurseenheid de Zwarte Brigade een rechter die te laks optrad tegen het verzet. In de nacht van 12 op 13 juli 1944 klopte Verbelen met vijf man in zijn gevolg aan bij de rechter. Eerst doorzochten ze zijn huis en vervolgens werd de rechter zonder pardon neergeschoten.

Vanaf november 1943 tot februari 1944 liquideerde de groep Verbelen tientallen tegenstanders. Zijn toenmalige adjudant was Tony van Dijck, de pas benoemde Standartenführer van de Algemene SS Vlaanderen. Op 28 februari 1944 beraamden ze samen de moord op de industrieel Alexandre Galopin, directeur van de Société General de Belgique. Daarop volgden pogingen tot moord op staatsminister Michel Deveze, op de procureur generaal Charles Collard de Slooveren, de secretaris-generaal van het ministerie van justitie Robert de Foy, eerste president van het Hogere Gerechtshof J. Jamar en aanslagen in cafés en herbergen. Ook leden van de politie of Rijkswacht werden niet gespaard. Zo werden vier leden van het politiekorps uit Voorst zonder pardon geëxecuteerd.

Zijn represailledaden leverden hem het IJzeren Kruis op en promotie tot Hauptsturmführer. Om de acties van Verbelen en andere pro-Duitse doodseskaders een meer officiële status te geven richtte de vertegenwoordiger van Reichsführer-SS Heinrich Himmler in België, SS-Gruppenführer Richard Jungclaus, op aandringen van de leider van DeVlag Jef van der Wiele in mei 1944 het Veiligheidskorps op. Verbelen werd benoemd tot hoofd van dit Belgische Veiligheidskorps. Zijn moordeskaders, bestaande uit leden van de Algemeene Vlaamse SS Vlaanderen en DeVlag opereerden nu met een vrijbrief van de SS.

Vlucht

Toen de geallieerde troepen België bevrijdden, vluchtte Verbelen in augustus 1944 naar Duitsland. Hij liet zijn vrouw en twee kinderen achter. Daar maakte hij kortstondig deel uit van de Vlaamse regering in ballingschap, de Vlaamse Landsleiding.

In 1983 vertelde hij in een interview met de Oostenrijkse journalist Harald Irnberger dat hij als politiechef van de Vlaamse regering in ballingschap een stapel blanco identiteitsbewijzen had ontvangen die hij onder zijn manschappen verdeelde. Zijn kameraden en hijzelf zochten de clandestiniteit op onder een nieuw alias. Een van zijn andere aliassen over de jaren heen was Peter Mayer, een staatloze uit Nederland, andere schuilnamen waren: Richard Becker, Van Martens Verbelen, Erich Diel, Herbert Carpentier, Joseph Pollack en Alfred H. Schwab.

Uitspraak in absentia

Op 14 oktober 1947 werd Verbelen door de Belgische Krijgsraad bij verstek veroordeeld tot de doodstraf wegens 47 gevallen van moord, medeplichtigheid aan moord en terreur. Hij werkte in de oorlog voor de Sicherheitsdienst in Brussel en werd beschuldigd van het martelen van Amerikaanse piloten (luitenant Nuntion Street en Eugene Dingledine) en andere misdrijven tegen de menselijkheid. Zo werd hij voor zijn terreurdaden in België schuldig bevonden aan minstens 100 moorden.

Het vonnis werd zelfs in 44 stadjes en dorpjes, waar mannen en vrouwen op bevel van Verbelen waren terechtgesteld, openbaar gemaakt. Alleen al in het stadje Meensel-Kiezegem (Vlaams Brabant) werden tussen 1 en 11 augustus 1944 op last van Verbelen 45 inwoners geëxecuteerd. Aanleiding van laatstgenoemde executies was de moord op Gaston Merck van de Zwarte Brigade (30 juli 1944) door het verzet. Als reactie hierop werden tijdens de eerste razzia vier dorpelingen geëxecuteerd en werden diverse arrestaties verricht. Op 11 augustus vond een tweede razzia plaats. Het dorp werd onder leiding van Robert Verbelen opnieuw door 350 Vlaamse SS’ers omsingeld. Vijfennegentig inwoners werden opgepakt. De arrestanten werden verzameld in de meisjesschool in Meensel. De meesten van hen werden op transport gesteld naar Neuengamme. Slechts 28 keerden na de oorlog terug.


Naoorlogse activiteiten

Vlucht naar Oostenrijk

Na de oorlog vluchtte Verbelen vanuit Duitsland naar Oostenrijk waar hij ging werken voor de Amerikaanse contraspionagedienst.

Rond 1970 werd Verbelen geïnterviewd door de Vlaamse extreemrechtse beweging Vlaamse Militanten Orde. In het interview verklaarde Verbelen dat hij zich in Zell am See bij de Amerikanen had aangemeld. In Zell am See had Verbelen de Amerikaanse legerkapitein Roemer ontmoet die hem werk bezorgde als manager bij Hotel Austria, dat ook een Amerikaanse officiersclub huisvestte. Toen werd hij opnieuw door het Counter Intelligence Corps (CIC) benaderd. In de veronderstelling dat zijn ware identiteit was achterhaald vreesde hij naar België te worden gerepatrieerd en berecht. Tot zijn verbazing werd hij door twee leden van het CIC gerekruteerd, majoor Chidrik en het hoofd van het denazificatieprogramma, sectie Wenen Captain Frank Harris. Verbelen werd zo Harris’ rechterhand. Harris werkte voor het 430th Counter Intelligence Corps Detachment in Wenen. De taak van dit onderdeel was: "de opsporing van overlopers, propaganda-, staatsondermijnende activiteiten, de opsporing en preventie van spionage of sabotage activiteiten binnen de grensen van het door de Geallieerde gecontroleerde gebieden in Oostenrijk, in de periode van mei 1945 tot augustus 1955."

Volgens Verbelen zou hij in 1946 in Wenen een voormalige collega hebben ontmoet met wie hij in België had samengewerkt en de voormalige SS-Hauptsturmführer Hermann Milleder. De laatste had hem gevraagd of hij zich wilde inzetten voor de strijd tegen het communisme. Verbelen antwoordde hierop positief en werd vervolgens naar het 430th Counter Intelligence Corps Detachment gebracht aan de Porzellangasse. Daar werd hij voorgesteld aan zijn toekomstige baas Harris. Harris informeerde hem dat hij niet Verbelens echte naam wilde weten maar een alias moest opgeven: "De Verenigde Staten van Amerika kon het zich niet veroorloven zich te officieel te alliëren met voormalige SS leden en waarschuwde dat wanneer calamiteiten zich voordeden, Verbelen niet op steun hoefde te rekenen van het Amerikaanse leger."

Een maand later begon Verbelen te werken voor de CIC, in het bijzonder voor Harris, als leider van het netwerk van informanten dat "positieve en politieke inlichtingen" inwon. Hij werd ondergebracht in een tabakshandel. Vandaar uit werden de operaties gecoördineerd. Verbelen rapporteerde doorgaans aan Milleder en aan Harris’ assistent Bruger. De laatste viel twee jaar later in handen van de Russische geheime dienst.

Erg succesvol was de CIC niet. Een aantal CIC agenten van twee informanten netwerken genaamd "Bobby"en "Nick"werden door Bruger verraden. In 1948 werd Bruger door de Russische geheime dienst ontvoerd en biechtte alles op. Het netwerk van Verbelen onder de naam "Herbert" bleef operationeel. Kort daarna volgde een reorganisatie, waarbij alle antecedenten van de agenten werden nagetrokken en geverifieerd.

Verbelen werd gevraagd een zogenaamd Personal History Statement in te vullen, waarbij Harris Verbelen adviseerde deze hierbij een valse naam te gebruiken. Op deze wijze verkreeg Verbelen zijn nieuwe alias: Alfred Heinrich Gustave Schwab.

’Alfred Schwab’ bleef aan het hoofd staan van de groep "Herbert" (later het departement "H" genoemd). Het was een CIC tak, bestaande uit 150 voormalige SD’ers, SS’ers en Gestapoleden. Zowel mannen als vrouwen maakten er deel van uit, evenals Hongaarse en Kroatische fascisten. Het doel was de communistische geheime dienst) te bestrijden, organisaties te penetreren en misinformatie te verspreiden. Schwab benaderde oud-nazi’s die communist waren geworden en maîtresses en / of vrienden van de leden van de Communistische Partij in Oostenrijk. Schwab probeerde via zijn netwerk hen om te kopen of te chanteren in ruil voor informatie.

Kortom, de Koude Oorlog was in volle gang. Kennelijk was hij zo succesvol dat hij tot twee maal aan toe een speciale dankbetuiging kreeg van de Oostenrijkse sociaal-democratische minister van Binnenlandse Zaken, Oskar Helmer.

Ratlines

"Schwab" had voor zijn departement "H"een specialist aangetrokken, een voormalige nazi expert in falsificaties, die de benodigde identiteitskaarten, passen en stempels kon namaken voor zijn eigen dekmantel en die van zijn ondergeschikten. De CIC gebruikte de expert om "vluchtelingen"uit Wenen te smokkelen.

Dit werd bevestigd in een interview waarbij Verbelen verklaarde dat hij contacten had met voormalige kameraden in Europa, Zuid-Afrika en Zuid- Amerika. "Ik heb veel mensen aan valse identiteitskaarten geholpen om uit te wijken naar Zuid Afrika, Ierland, Spanje en Zuid Amerika".

In 1951 kwam de CIA er achter dat ze te doen had met een gezochte oorlogsmisdadiger, die meerdere identiteiten had aangenomen, zoals "Schwab", "Mayer" en die in werkelijkheid Verbelen heette. Verbelen onthulde tijdens zijn verhoor zijn echte naam aan de CIC. Hij verklaarde dat hij in de oorlog slechts had deelgenomen aan repressieve acties die hij op bevel had uitgevoerd en dat hij niet betrokken was geweest bij de vervolging van Joden. Verbelen achtte zich daardoor niet schuldig aan oorlogsmisdrijven en dus geschikt voor inlichtingenwerk. De 66th Counter Intelligence Corps Group van het CIC gaf hem vervolgens identiteitspapieren onder een nieuwe valse naam; zijn taak bestond uit het infiltreren van communistische (inlichtingen-)organisaties.

In 1955 vertrok het Amerikaanse bezettingsleger uit Oostenrijk. Verbelen mocht met hen mee. De Amerikanen verklaarden dat hij na 9 jaar trouwe dienst voor de Verenigde Staten recht had op het Amerikaanse staatsburgerschap. Hij zou benoemd worden in de rang van een Amerikaanse officier en zijn leven lang een inkomen genieten zolang hij op belangrijke missies zou gaan in Berlijn en Frankfurt. Hij weigerde en prefereerde in Wenen te blijven. Kort daarna werd hij benaderd door de Oostenrijkse Staatspolizei. Er werd gepeild of hij interesse had in de oprichting van een contraspionagedienst. Opnieuw weigerde hij maar hij stelde zich wel beschikbaar als bron van informatie voor Sovjet- of Oostblok-aangelegenheden. In ruil hiervoor ontving hij op 2 juni 1959 het Oostenrijks staatsburgerschap. De Oostenrijkse chef van de Staatspolizei Oswald Peterlunger had geen moeite met het accepteren van de oorlogsmisdadiger Verbelen als informant. Verbelen: "Ik was nooit in dienst van de Staatspolizei, maar toen de Amerikaanse bezettingstroepen uit Oostenrijk vertrokken, bleven de communistische geheime diensten achter. Ik hoefde alleen maar door Wenen te lopen en kon zo aanwijzen waar ze zaten. Ik kende iedereen. Ik bracht hierover rapport uit aan de Staatspolizei."

Hij wist diverse overgelopen voormalige nazi’s en nu bekeerde Sovjet-agenten te ontmaskeren en droeg deze over aan de Oostenrijkse staatspolitie.

Veel andere nazi-collaborateurs die werkzaam waren voor de CIC, vertrokken na het vertrek van de Amerikanen naar de Organisation Gehlen, de voorloper van de latere Bundesnachrichtendienst (BND; de buitenlandse veiligheidsdienst van de Bondsrepubliek).Ook hier werd niet gekeken naar het oorlogsverleden van de nieuwe rekruten.

Buiten zijn spionage-activiteiten om was Verbelen volledig gesetteld in Oostenrijk. In een voorstadje van Wenen (Wien-Döbling) woonde hij samen met de onderwijzeres N. Tusnelda Bankhofer en zijn twee zonen. Voor de buitenwereld was hij een journalist.

Contacten met neonazi’s

In 1956 richtte hij een persdienst (Neue Internationale Reportagen (NIR)) op, die contacten onderhield met neonazistische persbureaus in Antwerpen, Caïro, Bagdad, Londen, Madrid, Malmö, München, Winterthur, etc. Dit beroep zette Verbelen in de jaren zestig en zeventig voort. Dit was deels dekmantel, deels echt journalistiek werk. Op zijn perskaart stond dat hij "special items editor" van het onafhankelijke Salzburger Volksblatt was.

Hij bleef een nazi in hart en nieren. Onder het pseudoniem John Marais publiceerde Verbelen artikelen voor Spaanse en Argentijnse kranten. In de artikelen dweepte hij over de grandeur van het nazirijk.

Verbelen ondersteunde andere nazi’s en bood hen schuilplaatsen aan. In 1960 ontmoette hij de voormalige leider van Rex-beweging Léon Degrelle, alias Juan Sanchez,in Madrid. Hij onderhield contacten met talloze neofascistische/ rechts-extremistische bewegingen en leiders.

Hij schreef boeken over de nazi-ideologie en nam actief deel aan lezingen en voordrachten. Hij gaf ook een tijdschrift uit, "Buttenbriefe" genoemd. Zo organiseert de Oostenrijkse rechts-extremistische groep 'Arbeitsgemeinschaft für Politik' (AFP) elk jaar een zogenaamde "Politieke Academie". Naast Verbelen spraken ook de leiders van de extreemrechtse bewegingen en politieke partijen in Oostenrijk, waaronder leidinggevende FPÖ'ers als radicalere elementen.

Dubbele pet op

In 1961 zou Verbelen door zwarthandelaar, voormalig lid van de Oostenrijkse nazi partij en na de oorlog Sovjet spion Volkmar Riessberger gerekruteerd zijn om te gaan werken voor "Committee of German Emigree Officers" een KGB-dekmantel. Verbelen verklaarde dat de communistische geheime dienst hem onder druk wilde zetten door zijn oorlogsverleden bekend te maken als hij niet meewerkte. Verbelen zou naar eigen zeggen niet hebben toegegeven.

Een CIA rapport, daterend van 1983, maakte melding dat er geruchten rond gingen dat Verbelen na de oorlog een opleidingsschool leidde voor Sovjet agenten in Schneidersmühl (DDR). Ook de persoonlijke vriend Erich Rajakowitsch zou Sovjetagent zijn.


Vervolging en overlijden

Proces

In april 1962 kwam nazi-jager Simon Wiesenthal Verbelen op het spoor. Verbelen werd op 11 april 1962 gearresteerd vanwege zijn oorlogsverleden. België vroeg direct om zijn uitlevering, maar Oostenrijk weigerde. In 1959 had Verbelen namelijk het Oostenrijkse staatsburgerschap verworven, waardoor het Belgische verzoek tot uitlevering niet werd ingewilligd.

De voormalige Franse verzetsleider en premier Daniel Mayer en de vicepresident van de Belgische illegaliteit Hubert Halin waren speciaal naar Oostenrijk afgereisd om de uitlevering van Verbelen te bewerkstelligen. Dit kon alleen als Verbelen zijn Oostenrijkse nationaliteit zou verliezen. Het Oostenrijkse recht staat namelijk de uitlevering van haar onderdanen niet toe. Het proces zou in Landesgericht Wenen plaatsvinden. Alle getuigen moesten in persoon in Oostenrijk voor de rechtbank verschijnen.

Na drie en een halfjaar voorarrest begon op 30 november 1965 het proces tegen Verbelen in Wenen. De aanklacht luidde moord op 7 Belgen: twee rechters, drie politiemannen, een waard en een communist; waaronder de rechters Camille Paulsen in Anderlecht, Jean Pierre Frére in Hasselt, de communistische verzetsleider Martin Goemans en de caféhouder Willem Nijssen in Winksele. De 54- jarige Verbelen antwoordde dat hij met zijn SS eenheid belast was met het beschermen van collaborateurs tegen aanvallen van Belgische verzetstrijders. Verbelen verweerde zich met Befehl ist Befehl en "hij handelde uit nood": "Notbefehl". "Hij kon niet voor de (7) moorden ter verantwoording worden geroepen omdat hij in de Vlaamse SS slechts de rang bekleedde van majoor en niet van Standartenführer. De laatste kon alleen bevel tot represaille maatregelen geven."

Hij verklaarde dat hij uit "bezettingstechnische overweging en onder valse naam had geleefd en wegens zijn vroegere ‘politieke’ houding niet naar zijn vaderland wenste terug te keren. Zijn verzoek om naturalisatie in Oostenrijk werd door de magistraat van Wenen ingewilligd, vooral omdat dit verzoek werd ondersteund door de staatspolitie."

Een van de getuigenissen was van de voormalige jezuïet Marcel Brauns, een fanatiek Vlaams nationalist. Hij verklaarde als getuige in Wenen dat Verbelen erger had voorkomen in de oorlog door de bevelen van zijn SS generaal Jungclaus niet altijd te gehoorzamen.

"Toen Verbelen die partizanen onschadelijk wilde maken hem (Brauns) om raad was komen vragen, had de priester gezegd dat het heel erg was, maar dat er geen andere uitweg bestond. Volgens Brauns volgden de partizanen hun laagste instincten. Ze roofden en moorden er maar op los. Vooral eenvoudige lieden, die vaak om sociale redenen met de Duitsers werkten, moesten het ontgelden".

Verbelen verklaarde dat niet de nazi’s maar het verzet in België terreur in Vlaanderen heeft gezaaid. Hij beweerde dat "98 procent van het uit 200.000 man bestaande partizanenleger in Vlaanderen, Brabant, Antwerpen en Limburg moordenaars, rovers en vrouwenverkrachters waren."

Het proces kwam er echter nooit en uiteindelijk werd het vonnis nietig verklaard. Op 21 december 1965 werd Verbelen vrijgesproken van medeplichtigheid van moord op 7 Belgen. Hij had onder "dwang" gehandeld. Hij volgde orders op van hogerhand. In 1967 werd bij hoger beroep zijn vrijspraak herroepen, maar het kwam niet meer tot vervolging.

Na zijn vrijlating schreef Verbelen diverse spionageromans. Hij hoopte dat hij met Warner Bross een contract kon sluiten voor een serie spannende tv-films.

Office of Special Investigations

In 1983 werd opnieuw onderzoek gedaan naar Verbelen. Dit keer vanuit de Verenigde staten. Een speciale eenheid, het Office of Special Investigations (OSI), kreeg toestemming van de procureur generaal Trot om Verbelens relatie met de Amerikaanse geheime dienst te onderzoeken, in het bijzonder de rekrutering van oorlogsmisdadigers na de oorlog door het CIC. Zoals ook in het geval van Klaus Barbie waarbij een formeel excuus werd aangeboden aan de Franse regering. Het OSI stelde vast dat het CIC gebruik had gemaakt van voormalige nazi’s en hen ongeacht hun oorlogsverleden had ingezet in de Koude Oorlog.

Overlijden

Op 28 augustus 1990 overleed Verbelen op 79-jarige leeftijd. Zijn begrafenis werd bijgewoond door 100 voormalige SS’ers en neonazi’s.


Bronnen

Boeken


Versie: 16-4-2017 Artikel door: Jochem Botman

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/4801/Verbelen-Robert-Jan.htm