Zo leven wij nu van de eene dag in de andere

Inleiding

In mei 2017 verscheen bij uitgeverij Aspekt het boek met als titel: 'Zo leven wij nu van de eene dag in de andere'. Het boek heeft als ondertitel: 'Brieven uit de oorlogsjaren.' (ISBN: 9789463381543)

De samensteller, dr. Philip Everts, bericht hierin middels een selectie uit de omvangrijke correspondentie, die zijn ouders in de oorlogsjaren (periode 1939-1946) onderhielden met hun wederzijdse ouders, Everts en Goddard, en met broers en zusters en vrienden, over de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de oorlogsjaren zonder dat deze door het filter van de herinnering en de kennis van achteraf zijn gegaan. Het leven van alledag - geboorte en sterven, verjaardagen en ziekten - ging in de oorlog "gewoon" door, maar steeds tegen de parallel verlopende achtergrond van mobilisatie, oorlogsdagen, bezetting: het bombardement op Rotterdam, maatregelen van de bezetter, moeten vluchten en huis en goed moeten achterlaten bij de Slag om Arnhem, tot de bevrijding en het moeizaam begin van het herstel. Het laat zien hoe de samenleving steeds verder desintegreerde toen telefoneren en reizen niet meer mogelijk was, brieven niet meer aankwamen en alleen te voet of per fiets en via af en toe een koerier de communicatie nog mogelijk was.

De uitgever omschrijft het boek als het voldoen aan een 'opdracht' van zijn grootvader, Frans Everts, die op 21 januari 1943 ter gelegenheid van de vijfde verjaardag van zijn kleinzoon schrijft:

"... de kleuters van nu zullen later niet meer weten hoe het was, toen hun vaders jong waren en hun wereld en levensomstandighe­den aanvaardden als iets dat volkomen billijk en normaal is. Eerst veel later, als zij de briefwisse­ling van hun ouders en grootouders gaan herlezen (zoo die althans bewaard mocht blijven), zullen zij te weten komen dat er in hun prille jeugd heel wat is omvergeworpen en kapot gemaakt."

Door welwillende medewerking van dr. Everts kunnen wij hier enkele hoofdstukken plaatsen, zodat de lezer een indruk kan krijgen van de inhoud van dit boek.


Frans Everts (Jr) aan Hannie

"Veldleger" , 17 november 1939


Liefste Han,

Vanwege verduisterd Harderwijk (bij wijze van oefening gelukkig) zitten we vanavond in de miniatuur-hall van het familiepension De Stadsdennen nog wat meer op elkaars schoot dan andere avonden, maar wij vinden langzamerhand allemaal wel onze avondbezigheid. Er is altijd een bridgetafel, een kring van "hoogere pieten", een aantal schrijvers-aan-vrouwen, en een tafeltje diversen. Zoo zit ik nu bij die schrijvers, waarvan De Sitter vloekt over een epistel aan de dame, waarmee hij zich laatst vanuit Beekbergen verloofde – wat hij juist zou gaan vieren toen het Hitler-mysterie ons plotsklaps hierheen haalde, en nu wij reikhalzend uitkij­ken naar een herstel van de verlofdagen is hij vanzelfsprekend in een stemming van nog een aard erger dan wij.

      Sinds eenige dagen is de alarmtoestand weer vrijwel opgeheven en gaat onze dage­lijksche dienst weer gewoon door, alsof we nooit uit Beekbergen (Vaassen, Wenum) waren weggeweest. ’t Is alleen veel drukker omdat we hier een vrij normaal kazerneleven hebben. De paarden staan in de spiksplinternieuwe model-stallen van een in aanbouw zijnde artil­leriekazerne en de troep woont in infanteriebarakken, helaas 20 min. loopen van de stallen. Zoodoende is er veel controledienst van de officieren – wij slapen zelfs om de beurt in de kazerne – over de ruim 1200 huzaren en paarden. Na de serieuze bewakingsdienst geduren­de het afgeloopen weekend hebben wij nu weer afzonderlijke oefeningen in de buurt van het garnizoen. Er is een mooie exercitiehei bij Ermelo, en ook overigens is het terrein prach­tig voor cavalerie. Harderwijk is in vredestijd een groot garnizoen en heeft zoodoende een zeer welkome accommodatie voor allerlei zaken: een ontspanningszaal, 7 (van elke richting één) militaire tehuizen, eigen sportvelden, zeer goede schietbanen, en, wat het belangrijkste is: een op militairen ingestelde bevolking (met alle goede en kwade kanten van dien: de hygiene onder de soldaten is een voorwerp van bijzondere zorg voor de regiments­arts als vanwege de zeer eenvoudige tarieven van Harderwijk’s vrouwelijke slechte jeugd!).

      Of we voorloopig hier blijven is nog altijd niet bekend. Niets is trouwens bestendig in dit leven van gemobiliseerde huzaar! Sinds wij verleden week zoo plotseling moesten oppak­ken en wij op marsch gingen met een eerst volkomen onbekende bestemming hebben wij nog veel sterker dat gevoel gekregen van geen plannen voor langer dan hoogstens een week vooruit te moeten maken. Het was zeer merkwaardig te bemerken dat van eenige angst voor wat mogelijk komen kon geen sprake was – noch bij de troep noch bij ons. Wij wisten eenvoudig dat alleen het meest elementaire vertrouwen in wat de legerleiding met al die maatregelen voor had de eenige maatstaf kon zijn voor onze beoordeling van den toestand. Dat maakte ook dat alles bijzonder vlot liep – dat de troep zelfs opgewekt ’s nachts in de regen uitrukte – dat het eigenlijk een vanzelfsprekende groote oefening leek. Ook misschien, omdat toch eigenlijk velen in hun hart dachten dat het wel niet zoo’n vaart zou loopen – m.i. een overigens volkomen ongemotiveerd voorgevoel gezien de positieve zéér ernstige aan­wij­zingen die er voor een mogelijk gevaar geweest moeten zijn.

      Ik kan mij indenken dat vooral in de kringen van de verantwoordelijke militairen die voor het nemen van de meest ingrijpende maatregelen kwamen te staan de sympathie en het respect voor Min. de Geer niet zeer groot meer is. Met alle critiek die er terecht op de Telegraaf is uitgeoefend geloof ik ook dat de regeering bepaald tekort schoot in de voor­lichting van de bevolking, die zich na een zoo officieel spannenden tijd niet licht meer laat afschepen met de vriendelijke mededeeling dat het gevaar volkomen denkbeeldig was en van "onevenwichtigen" afkomstig is geweest.

      Hoe het ook zij, dit gevaar is tenminste nu afgedreven. Heeft Hitler op het laatste moment geaarzeld of heeft de Duitsche legerleiding de politiek van de partij niet willen vol­gen? Was het misschien toch de misrekening met een Holland dat zich in 24 uur onder de voet zou laten loopen? Niemand weet het nog en het zal later wel eens blijken. Voor ons was deze paraatheidsproef een nuttig experiment – ook met onze eigen mentaliteit, waarvan we toch vooruit niet wisten hoe het zich zou houden tegenover een werkelijk aanstaand gevaar. Achteraf die dagen bedenkend herinner ik me wel heel goed dat ik rekening hield met de mogelijkheid van misschien nog maar een paar dagen te zullen leven, en dat vond ik toch geen prettig idee, hoofdzakelijk omdat mijn nieuwsgierigheid naar wat er misschien na de dood komt niet opweegt tegen de aanhankelijkheid aan en het terugverlangen naar al het geluk dat ik totnutoe in m’n leven genoot met jou en met Philipje en met Arnhem en zoo­veel. ….

      Liefste, blijf bereid om álles te dragen wat ons misschien wordt opgelegd. Op ’t mo­ment hebben we ’t nog zoo ontzettend goed samen – ook al lijkt ’t of we elkaar in geen maanden zagen. Juist nu heb ik ook jouw behoefte om heelemaal samen te zijn en een lang moment heelemaal samen één leven te leven! Maak van Philip een mensch zooals jij, die het leven durft aan te zien en die dankbaar wil zijn voor dat leven dat toch zoo enorm prachtig is – ondanks de duivel die het nu weer in z’n macht schijnt te hebben. ….
Dag, Fr


Frans Everts (Jr) aan Hannie (2)

‘Te velde’, 9 mei 1940 [ de avond voor de Duitse aanval!]


Liefste Han,

’t Wordt wel een beetje overdreven met die crisissen! Zouden we niet even een briefje aan Mr Hitler schrijven dat het in ’t vervolg minstens drie maanden tussen twee verlofintrekkin­gen moet duren? ’t Kwam deze keer wel weer zeer onverwacht. Wij hadden Dinsdagmiddag juist een kleine cross country (terreinrit te paard met hindernissen) gereden voor officie­ren /onderofficieren, en een half uur later pakte iedereen weer gelaten zijn bullen bij mekaar en wachtte kalm op wat komen kon. ’t Is mogelijk dat deze zenuwenoorlog ons op den duur op een of andere rare manier parten kan spelen, maar voor ’t moment zijn deze frequente alarm­toestanden nog steeds de allerbeste training die er denkbaar is voor het leger te velde.

      ’t Kwam overigens kalmer aan dan de vorige keer – hoewel de intrekking van de za­ken-verloven een ogenblik ernstig leken – en wij zitten dan ook nog altijd rustig in De Vergulde Wagen (die tussen 2 haakjes een zeer redelijke inkwartieringsregeling heeft voorgesteld, waardoor de attractie van een gemeenschappelijk huis, dat trouwens voor de zomermaanden inmiddels verhuurd bleek wel zeer verminderd is). De dienst is uiteraard weer wat straffer dan normaal, maar als pelotonscommandant heb ik weer een nauwer omschreven taak die zelfs een tijdig naar bed gaan veroorlooft, zoolang er tenminste geen bijzonderheden zijn.

      Ik hoop erg, dat er a.s. Zondag-Maandag weer bewegingsvrijheid tussen de appèls komt: dan kom ik stellig beide dagen even aanwippen. Ik ben tenminste geen van die dagen in de dagdienst.

      Wij zitten hier in de Vergulde Wagen hutje-mutje op elkaar en iedereen verlangt kennelijk redelijk om deze "gezelligheid" (hoe goed het onder leiding van den Majoor v.d.Goes ook loopt) eens te kunnen ontvluchten. Er logeeren hier max 7 menschen en we zitten met z’n veertienen aan tafel in een kamer ± zoo groot als onze eigen eetkamer!

      Overigens is dit nieuwe zomerweer een uitkomst voor de dienst: we worden allemaal bruin alsof we een vacantie aan zee hebben doorgebracht! …

      Op ons aller veerkracht komt het voorloopig voor 100 % aan en als we er zóó tus­schen door blijven rollen mogen we de hemel duizendvoudig danken. Als we even onze gespannen paraatheidsdemonstratie verslappen, bestaat de kans voor de zotste verras­singen en als we daar niet van doordrongen zijn kan het voor ettelijke generaties Neder­landers na ons finaal uit zijn met het vrije leven en de welvaart waar we zoo onmatig veel van genoten hebben.

      Dit is waarachtig geen preek: als ik van iemand overtuigd ben dat hij in dat opzicht voor 100% met mij gelijk denkt, dan ben jij het.

Dag liefste lief, in gedachten ben ik steeds bij je. Bij zóóveel wat ik doe en denk voel ik je aanwezigheid vlak bij mij en dat maakt me ondanks alles grenzenloos rustig en gelukkig. Omhelsd
Fr.


Frans Everts (Sr) aan zijn zoon

Arnhem, 18/19 September 1944 (bezorgd in Aerdenhout op 10 juni 1945!)


Beste Hans,

….. Gisterochtend (Zondag) begon het, eerst een paar korte luchtalarmen en dade­lijk daarop de blijvende alarmtoe­stand, die sterk doet denken aan een reusachtig vuur­werk, met veel slotnum­mers waarvan je niets ziet maar zooveel te meer hoort. We hebben onze schuilkelder ingewijd, want het was dermate dicht bij ons dat het een wonder mag heeten dat ons huis nog staat, ook vandaag nog. Lang hebben we vertoefd dicht bij de kelder­trap, en eens was het als­of alles boven ons hoofd instortte.

      Het begon met een gewone optocht van 6 of 7 zestallen, die keurig netjes voor­bij paradeerden. Maar toen brak een hek­sen­ketel los van bommen, boordwapens, duikvluchten, vlak in de buurt. N.L. eenige malen vlak achter onze tuin. Toen we laat op den middag een kijkje waagden op de Beekstraat, constateerden we dat alle groote winkel­ruiten verdwenen waren, dat het Catrijne Gasthuis achter totaal in puin lag, het Mili­taire Kleedingmagazijn achter de Schouwburg afgebrand was, de conciergewoning van de Schouw­­burg in puin lag en dat de Willemskazerne in lichterlaaie stond. Op straat deelde men ons mede dat men op het vliegveld Deelen de witte vlag geheschen had (nu zeer onwaar­schijn­lijk) en Nijmegen, Wageningen en Heelsum in handen der geallieerden waren. Of het waar is weten we op dit moment nog niet.

      Gisteravond (en ook vanmorgen) hadden we nog telefoon, zoodat we onze bevin­dingen met die van anderen konden vergelijken. Het klopte vrijwel. Vannacht hebben wij in de kleeren gekampeerd in de wachtkamer, maar om twee uur verhuisden we naar de eet­kamer. Van slapen kwam toch niet veel; we dankten intusschen de hemel dat noch onze evacués, nóch onze voedselambtenaren tot heden gekomen waren.

      Vanochtend ontwaakten we in uiterst rustige stemming; om 7 uur zag je overal buren schichtig uit de ramen loeren. Maar geen kip op straat en dat is den geheelen dag zoo geble­ven Aanvankelijk geloofden we dat we over eenige uren heel wat verder zouden zijn, vooral toen we telefonisch vernamen dat het Westen van de stad al in geallieerde handen was, be­ne­vens het Station en het Politiebureau. Maar tot nu toe – het is nu half zes – zijn we nog niet verder. Ongeveer op het Velperplein of daaromtrent schijnt Duitsch geschut te staan en in de Arke Noachstraat en Klarestraat staan nog altijd Duitsche soldaten; het geheel maakt een heidensch kabaal, maar toch staan we er iets minder onwennig tegenover dan giste­­­ren. [….]

Nader is gebleken dat een van de bewuste kanonnen staat op de hoek van de Walburgstraat. Totdat het donker werd daverde dit aan één stuk door. Alles schudt en telkens hoor je nieu­we ruiten naar beneden komen. Menschen zie je zoo goed als niet. Af en toe schieten eenige lieden voorbij, bepakt met koffers en beddegoed.

      Gisteren ontdekten we een rosse gloed achter de groote toren. De Sabelspoort, een groot deel van de Markt en de Eusebiusbinnensingel bleken in brand te staan. Maar om te gaan kijken, daar was geen sprake van. Na eenig beraad besloten we toch maar te gaan sla­pen.

      De telefoon die we tot gisteren hadden, zweeg nu ook, zoodat we geenerlei verbin­ding meer hebben met kennissen. Wat er in Arnhem gebeurt, is ons totaal onbekend. Het eenige wat wij weten moeten wij uit verhalen van Schens en andere buurlieden opmaken. Zoo was het gisteravond een groote tegenvaller te hooren dat de Engelschen – die zeer kor­daat met parachutisten zich van de brug hadden meester gemaakt vóórdat hij werd opge­bla­zen hem weer in den steek hadden moeten laten, omdat zij geen aanvoer ont­vingen uit het Zuiden. Inmiddels hadden de Duitschers kans gezien al die huizen aan de Markt en de Singel in de brand te schieten. Dan zullen nu de Duitschers de brug wel op­blazen, dacht ik. Maar ik weet nog steeds niet of dit zoo is. Het zou wel spijtig zijn als onze brug ten tweede male in de lucht ging.

      De nacht was ondertusschen tamelijk rustig. We kampeerden ditmaal op den grond in de eetkamer. De electriciteit is ook opgehouden, zoodat we eergisteren ons diner koud opaten en nu het kleine kacheltje in de keuken stoken.

      Ik denk dat we heel dicht bij wel getuige zullen moeten zijn van eenige treffens tus­schen de partijen. Gisteravond waren de Duitschers aan het "üben" in het tirailleeren, aan weerszijden van de straat, met veel mitrailleurs, handgranaten etc..

      De dag begon vandaag met een gerucht uit het raam van Schens dat we allemaal uit huis moesten omdat de heele Koningstraat er aan zou moeten gaan. Nu wordt de pap niet zoo heet gegeten als Schens haar pleegt op te disschen. Ook hoorden we dat het huis van Van Heemstra is gaan branden, doch het Provinciehuis stond er toen nog.

      Ook hebben we de heele morgen vanaf half acht en een deel van de middag besteed om alles in te pakken wat we zouden kunnen dragen en ook veel naar de kelder verhuisd. Maar waar we naar toe moeten dat weten we niet. De voedselvoorziening staat natuurlijk geheel stop en ieder behelpt zich met wat hij in huis heeft. Verder staat natuurlijk ook het geheele leven stop. Inmiddels begint ook de waterleiding op te houden en ‘s avonds zitten we tot elf uur bij een paar kaarsjes te lezen voor zoover dat gaat. Af en toe komt er een projectiel naar binnen. Gisteravond zagen we in een van de ruiten van de slaapkamer een rond gaatje terwijl de bedden bezaaid waren met glassplinters.

      Die Engelsche doelen van Zondag waren inmiddels goed gekozen en goed uitgevoerd. De Willemskazerne en de Saksen Weimar kazerne zijn beide totaal verdwenen. Het militaire kleedingmagazijn dito dito.

      Wat het worden moet in de eerstvolgende dagen weet ik niet; we weten zelfs niet waar de Engelschen zitten, terwijl de Duitschers gisteren het Land van de Markt angstvallig vermeden rijden zij vandaag weer die kant op. Ik zal deze op de bus trachten te doen, maar hij zal vooreerst daar wel in blijven liggen.

      Toen men ons Zondag op straat het een en ander vertelde, sprak men ook van een lan­ding in Holland. Het zou een groot opgezette onderneming zijn. Hier schiet het intusschen nog niet op. Het is gek zoo dicht bij het slagveld te zitten en van niets te weten. Van wat er in *de rest van de stad gebeurt weten we evenmin iets. Ik hoop eerlang wat nieuws uit Holland te hooren. Ik heb deze getypt, maar het is niet fraai; het schrijven gaat echter heelemaal niet, tenminste niet voor een brief.[…]

Toen ik Dinsdag de vorige pagina juist voltooid had kwam een buurman zeggen dat het Paleis van Justitie en het belastingkantoor al brandden. Ook achter ons, op de Beekstraat stonden twee huizen in brand. We wilden juist aan tafel gaan voor het souper, naar we besloten toen maar te vluchten. Met vier handkoffers aan een lange stok gingen we maar de straat op en trokken de deur achter ons dicht. Moeizaam ging het, tot het Velperplein, af en toe schuilen­de voor geschiet met boordwapens. We belden aan bij de Mij. "Arnhem". De concierge was heel behulpzaam en wilde ons opnemen.

      Maar toen we met hem stonden te praten kwam de Heer Croockewit op de fiets juist voorbij die ging kijken of zijn kantoor er nog stond. Hij zei dat we natuurlijk met hem mee moesten gaan en nam de zwaarste koffers achter op zijn fiets. Dat was een uitkomst! En nog mooier werd het toen we met onze overige bagage de Steijnstraat passeerden. Daar riep ons een Heer van de Luchtbescherming aan of we logies hadden en of we niet bij hem wilden ko­men. We zeiden dat we al op weg naar de Roëllstraat waren; dan wilde hij in elk geval onze koffers dragen. Hij haalde nog een vriend op en samen brachten ze ons veilig in de Roëll­straat.

      Daar werden we allerhartelijkst ontvangen door de families Croockewit en Engel­berts­-van Heek (die bij Croockewits in huis zijn als evacués). Een groot gezin dus. We frisch­ten ons wat op en even later [zaten] we met ons 9 aan tafel, alsof er niets gebeurd was. De Engelbertsen hadden zelfs de logeerkamer voor ons ontruimd. Bij het naar bed gaan zagen we de groote toren in een rode gloed gehuld en de lucht daarom heen dito dito. We hadden niet de minste hoop ons huis weer terug te zullen zien. ……


Frans Everts (Sr) aan zijn zoon (2)

Frans Everts aan zijn zoon, 12 mei 1945

     ….. Eindelijk kwam dan Vrijdag 4 mei met de avond-radio het bericht van de onvoorwaar­delijke capitulatie in West-Nederland; op welke tijding aanstonds opgewonden betogingen voor het huis van Burgemeester Oud volgden en men bij tal van families in Kralingen tot laat in de nacht bijeen bleef bij de ontkurkte flesschen.

      Alle wegwijzers en andere borden van de Duitschers stonden in een oogenblik in vlam­men. Nu verwachtte men stellig de geallieerde troepen den volgenden dag, vooral daar zij Utrecht reeds gepasseerd heetten te zijn.

      Maar[er] gebeurde weer niets; integendeel, alle blaadjes bleven uitdrukkelijk waar­schu­wen tegen te vroeg geuit vreugde-betoon. Hoe juist die waarschuwing was, bewijst wel het feit dat de tweede zoon van Jaap Mees dien Zaterdag (4 Mei) gefusilleerd is omdat hij het prikkeldraad van den naast hen wonende Ortskommandant begon stuk te knippen, blijkbaar in opdracht van de ondergrondschen.

      Ten slotte kwam Burgemeester Oud bij diverse Hoflaners aanbellen en hen verzoeken Zondagmorgen de vlag nu maar uit te steken, omdat men dit elders, bijv. in Den Haag ook gedaan had. Den volgenden morgen om half 8 werd dit verzoek echter weer ingetrokken. Men was namelijk nog niet zeker van de houding van de Duitsche troepen in het Westen, terwijl van de geallieerden nog steeds niets te bespeuren was.

      De Vrije Pers van 6 Mei deelde daaromtrent mede dat de Duitsche Commandant in Rotterdam zich niet wilde overgeven. Eerst hadden de Duitschers aangeplakt dat de capitula­tiegeruchten een gevolg zouden zijn van verkeerd begrepen vijandelijke radio-uitzendingen. Daarna verkondigden zij Zaterdagavond dat er een "wapenrust" was ingetreden, en dat hand­­having van de rust desnoods met wapenen zou plaats hebben.

      Daarop heeft Prins Bernhard de bekende bespreking in Hotel De Wereld in Wagenin­gen gehad met generaal Faulkes en Blaskowitz, waarbij werd meegedeeld dat alle Duitschers die het vuur openden, als oorlogsmisdadigers zouden worden beschouwd.

      Tegen 10 uur was Zondagmorgen een uitvoerig bulletin aangeplakt dat de capitulatie van alle Duitsche troepen in Nederland, West-Duitschland, Denemarken en Helgoland een voldongen feit was. Toch zou de onderteekening toen weer een dag zyn uitgesteld en wel tot Maandag 7 Mei.

      Onmiddellijk was de stad vol vlaggen en oranje-versieringen. Bij geen vroegeren feest­dag heb ik zooveel vlaggen gezien, en de hoeveelheden oranjedoek die verborgen wa­ren gehouden moeten enorm geweest zijn.

      En toen dan Maandag en Dinsdag eindelijk "de Canadeezen" kwamen, waande men zich in een heel andere stad.

      Inmiddels is er Zondagavond nog een treffen geweest tussen de S.D. en de S.S. eener­zijds en de B.S., later geassisteerd door de Wehrmacht, anderzijds. Er was Zondag een instuif bij Miems en B., en toen we daarheen op weg waren en in Zuid het kanon hoorden, dreigde de feeststemming weer geheel te verdwijnen. Tegen half 12 was het echter voor­goed uit.

      Aan belangstellenden heeft het de geallieerden natuurlijk niet ontbroken. Het ging zooals te voorzien was. Zelfs moest in Het Parool gewaarschuwd worden niet al te opdrin­gerig met zijn sympathieën te zijn, terwijl de aangeplakte aanmaning: "Vrouwen, gedraagt U waardig" allerminst overbodig bleek. Iedere auto die hier aan de Korte Kade binnen kwam, had reeds eenige Grieten aan boord, die de auto’s tegemoet waren geloopen.

      Bij gebreke van een stoel of bank waren bedoelde Grieten wel zoo bescheiden zich met een zitplaats op de schoot van de bemanning tevreden te stellen. Dat men de eisch zich waardig te gedragen niet had laten gelden voor de tegenpartij, blijkt wel uit de talrijke kappers-executies die hier in de buurt (ook een bij onze overburen) op de hoofden van de Duitschgezinde Grieten voltrokken werden.

      Verder loopt bijna iedere jonge man met een band om zijn arm, hetzij van het Strijdend Gedeelte, hetzij van den Ordedienst der B.S. De orde wordt door angstig veel menschen gediend, waarbij dan nog allerlei soorten padvinders komen. Al die menschen hebben een opvallend gezonden honger. Prins Bernhard heeft zich dan ook gehaast de B.S. te bedanken voor de moeite en hun mede te deelen dat hun taak nu was geeindigd. Zij zouden zich nieuwe lauweren kunnen oogsten bij het lenigen van den nood.
…..


Bronnen

Boeken


Versie: 16-6-2017 Geplaatst door: Leo G. Lensen

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/4837/Zo-leven-wij-nu-van-de-eene-dag-in-de-andere.htm