Tankontwikkeling in de Verenigde Staten (1918-1945)

Inleiding

Dit artikel geeft een geschiedkundig overzicht van tankconstructie in de VS. Daarbij komt de historische achtergrond van Amerikaanse tanks aan bod. Zodoende kunnen Amerikaanse tanks in een historische context geplaatst worden. De belangrijkste Amerikaanse tanks met technische specificaties worden besproken.

Amerika nam pas deel aan de Tweede Wereldoorlog na 7 december 1941 (Pearl Harbor) en verstrekte legermateriaal (onder andere tanks) door middel van de Lend Lease (Leen- en Pachtwet) aan landen zoals Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie.

Na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) en tijdens de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) werden Amerikaanse tanks ontwikkeld. De eerste modellen waren lichte en middelzware tanks. Verschillende upgrades werden geďntroduceerd om de tanks 'up to date' te houden met snelle, technologische ontwikkelingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Amerika verschillende succesvolle tanks. De eerste goed gepantserde en bewapende Amerikaanse tank uit de Tweede Wereldoorlog was de M3 'Lee', een middelzware tank met een gewicht van plusminus dertig ton bewapend met een 75mm en 37mm kanon. De M3 'Lee' was de eerste, in grote aantallen geproduceerde Amerikaanse tank die het op het slagveld op kon nemen tegen vijandelijke tanks zoals de Duitse middelzware Panzerkampfwagen III (Panzer III). Uiteraard waren meer tankmodellen beschikbaar maar die waren over het algemeen slechter gepantserd en bewapend dan de M3 Lee. De M3 had als voordeel dat het voertuig goed bewapend was: afgezien van de hoofdbewapening had de tank ook nog machinegeweren tegen infanterie. Desondanks bleek de tank een groot nadeel te hebben: het hoofdkanon kon niet volledig rond worden gedraaid omdat het wapen in een sponson of kazemat in de romp was gemonteerd. Besloten werd om het M3 model te verbeteren en de romp te gebruiken voor nieuwe tankconstructies.

Besloten werd in 1941 door de Amerikaanse legertop dat het nieuw te ontwikkelen model, de M4 Sherman-tank, oftewel 'M4 Sherman', de belangrijkste Amerikaanse tank zou worden. De tank zou infanterie moeten ondersteunen en vijandelijke tanks kunnen vernietigen. De Sherman was middelzwaar (dertig tot vijfendertig ton), redelijk goed gepantserd en kon relatief eenvoudig geproduceerd worden met behulp van massa- of serieproductie. De M4 had een kort 75mm kanon in een volledig draaibare koepel en was redelijk snel. Standaardisatie werd de Amerikaanse slogan bij tankconstructie. De M4 werd het 'werkpaard' van Amerika en kon voortdurend verbeterd worden. Zo kreeg de tank dikker pantser, betere bewapening, een beter aandrijfsysteem, meer bewapeningsopties en munitie die zich naast water bevond (containers waarin water zat: 'wet stowage'). Door die maatregel vloog de tank minder snel in brand na treffers van vijandelijke pantsergranaten of andere antitankwapens. De M4 Sherman werd de belangrijkste geproduceerde tank van de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen 1941 en 1945.

Opvallend is dat Amerika tijdens de Tweede Wereldoorlog nauwelijks zware tanks ontwikkelde en inzette: De M6 zware tank werd niet aan het front ingezet omdat het voertuig niet voldeed aan de gestelde eisen. Ook het gewicht van de tank speelde mee en de mogelijkheden tot massaproductie. Omdat steeds krachtigere vijandelijke tanks, met name Duitse, op het slagveld verschenen zoals de Panzerkampfwagen V 'Panther'/PzKpfw V Panther en de Panzerkampfwagen VI 'Tiger'/PzKpfw VI Tiger, besloten de Amerikanen een nieuwe (middelzware) tank te ontwikkelen. Die middelzware, soms zware tank genoemd, M26 'Pershing', had een lang 90mm kanon en kon alle Duitse tanks met uitzondering van de Tiger II (Panzerkampfwagen VI Ausf. B/PzKpfw VIb Königstiger) vanaf de voorkant uitschakelen. De Pershing vormde de impuls voor naoorlogse Amerikaanse tankconstructie en werd tevens ingezet tijdens de Koreaoorlog (1950-1953). Wat betreft de meest succesvolle Amerikaanse tank die tussen 1918 en 1945 geproduceerd werd kan gesteld worden dat de M4 Sherman de grootste bijdrage leverde aan het winnen van de tankoorlog in West-Europa tegen de asmogendheden.


Amerikaanse tanks: een historische analyse

Vanaf 6 april 1917 nam Amerika deel aan de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Toentertijd had Amerika geen tanks beschikbaar. Generaal John Pershing (1860-1948), commandant van de American Expeditionary Force (AEF) aan het Westfront tijdens de Eerste Wereldoorlog, stelde dat lichte en zware tanks nodig waren voor toekomstige oorlogen. Daarbij werd vooral gelet op tankontwikkeling in andere landen, zoals Groot-Brittannië en Frankrijk. Net als andere landen die geen ervaring hadden wat betreft tankbouw, zoals Japan en de Sovjet-Unie, wilde Amerika de in 1916 ontwikkelde Franse FT-17 lichte tank gebruiken om kennis op te doen wat betreft tankconstructie. De eerste Amerikaanse tank was in feite een kopie van de FT-17 lichte tank. Het Ordnance Department (de verordeningsafdeling, onderdeel van het leger en verantwoordelijk voor de levering van wapens), had de leiding wat betreft ontwerp van de tank. Een order werd geplaatst voor 4440 M1917 tanks tussen 1918 en 1919, waarvan 950 stuks werden afgeleverd. Constructieplannen en onderdelen werden door Frankrijk naar Amerika gestuurd. Er waren echter problemen: de Franse specificaties waren in centimeters en niet in inches, de coördinatie tussen Franse en Amerikaanse militaire afdelingen was vaak slecht, de samenwerking liet te wensen over en bureaucratie bij Franse en Amerikaanse instanties zorgde voor veel problemen. Pas in oktober 1918 begon de productie van de M1917. Actie aan het front zag de tank niet. In de jaren dertig werd de tank uit actieve dienst gehaald. Toentertijd was het voertuig allang verouderd wat betreft techniek, pantser en bewapening.

M1917 lichte tank
Gewicht: 7.25 ton
Afmetingen: 5 meter lang, 2.31 meter hoog, 1.79 meter breed
Bepantsering: ongeveer 15mm maximaal
Bewapening: 1 x 3.7 cm (37mm) M1916 kanon of machinegeweren
Motor: Buda HU 4 cilinder motor van 42pk
Snelheid: 8 tot 20 km/u
Productieaantal: ongeveer 950 stuks
Bemanning: 2 man

In 1918 werd de eerste Amerikaanse lichte tank gebouwd die niet gebaseerd was op Franse modellen: de M1918. Die tank had een tweekoppige bemanning en was bewapend met slechts één M1919 Browning machinegeweer of één Carl Gustave Swebelius M1917 Marlin machinegeweer. Slechts vijftien voertuigen werden gebouwd omdat het Amerikaanse Tank Korps van mening was dat het voertuig niet voldeed aan de gestelde specificaties. Het idee was dat de tank naast de FT-17 ingezet kon worden. In feite was het voertuig slechts een gepantserde 'tractor' of experimenteel voertuig: niet geschikt voor nieuwe oorlogen. Het pantser was dun en de bewapening zwak. De gevechtswaarde was dus niet erg groot.

Ford 3-Ton M1918
Gewicht: 3 ton
Afmetingen: 4.27 meter lang, 1.83 meter hoog, 1.83 meter breed
Bepantsering: enkele millimeters
Bewapening: 1 x .30 caliber Browning
Motor: Twee Ford Model T van 45pk
Snelheid: 12.8 km/u
Productieaantal: 15 stuks
Bemanning: 2 man


Interbellum

Na de Eerste Wereldoorlog kwam Amerikaanse tankontwikkeling in een stroomversnelling terecht. Verschillende tanks en andere pantservoertuigen werden gebouwd na 1918. Het Amerikaanse leger kreeg een reorganisatie en het idee dat tanks infanterie moesten ondersteunen werd bekrachtigd door het House Commitee on Military Affairs. Slechts twee zware en vier lichte tankbataljons bleven bestaan na het eind van de Eerste Wereldoorlog. Veel voertuigen werden op de schroothoop vernietigd. De gedachte dat tanks infanterie moesten ondersteunen was overigens niet uniek: ook andere landen zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie dachten er toentertijd zo over. Naast de lichte en zware tankcategorieën (die nog in ontwikkeling konden gaan) werd een derde type tank in Amerika ontwikkeld: de middelzware tank. Lichte tanks zouden een gewicht van tot tien ton hebben, de door de Britten geproduceerde middelzware tank tussen de tien en vijfentwintig ton en de zware tank meer dan vijfentwintig ton. Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde dat. Toen werden tanks veel zwaarder.

Zowel George Patton (1885-1945) als Dwight Eisenhower (1890-1969) waren betrokken bij de ontwikkeling van tanks. Patton en Eisenhower hielden zich bezig met de rol en inzet van tanks in toekomstige oorlogen. Tanks zouden volgens hen als snelle, offensieve wapens ingezet moeten worden. Beide militairen kregen tegenstand door conservatieve militairen en ambtenaren die stelden dat tanks niet als snelle, offensieve wapens bedoeld zijn, maar slechts geschikt zijn om infanterie te ondersteunen (de tank is dus ondergeschikt aan de infanterie). Het Amerikaanse Congres deelde die conservatieve mening. Zowel Patton als Eisenhower besloten in de jaren twintig om over te worden geplaatst naar andere militaire takken. Patton ging in 1920 bij de cavalerie en Eisenhower ging in januari 1922 bij een infanterie brigade in Panama. Het feit dat er weinig geld voor tanks beschikbaar was speelde ook een grote rol bij het feit dat tankontwikkeling in de Verenigde Staten traag op gang kwam. Toch ging de tankontwikkeling door. Het Amerikaanse Oorlogsdepartement stelde dat lichte en middelzware tanks geschikt waren om gevechtsmissies uit te voeren. Trucks zouden lichte tanks kunnen vervoeren. Hun lichte gewicht speelde daarbij een grote rol. De minimale financiële middelen die ter beschikking stonden om tanks te ontwikkelen droegen eraan bij dat de lichte tank de belangrijkste tank werd tussen de twee wereldoorlogen. Lichte tanks konden ook relatief eenvoudig geproduceerd worden door een industrie die (nog) niet bekend was met grootschalige tankconstructie.

In 1928 stelde Dwight F. Davis (minister van Oorlog), dat een tankmacht ontwikkeld moest worden gezien de ontwikkelingen van andere landen zoals Groot-Brittannië. Een experimentele gemechaniseerde eenheid werd opgericht in trainingskamp Meade te Maryland (juli-september 1928). Verschillende legereenheden, zoals cavalerie, luchtmacht en het medisch korps, trainden mee. Het gebrek aan genoeg geld speelde parten en zorgde ervoor dat nieuwe trainingen niet mogelijk waren. Toch zorgden die oefeningen in 1928 voor succes wat betreft het tankwapen: de afdeling mechanisatie en bestuur van het Oorlogsdepartement stelde dat een gemechaniseerde kracht opgericht moest worden. Een van de meest bekende Amerikaanse ingenieurs, J. Walter Christie (1865-1944), ontwikkelde in de jaren twintig en dertig moderne aandrijfsystemen en pantserauto's. Een van de ontwikkelde voertuigen was de M1911, een prototype. Het kenmerkende Christie-suspension systeem (aandrijfsysteem met rupsbanden), werd echter afgewezen door het Amerikaanse leger. Die afwijzing had te maken met specificaties die niet voldeden aan de standaarden die gesteld waren door andere legertakken. Achteraf gezien was dat wellicht een vergissing. De Sovjet-Unie maakte handig gebruik van Christie's ontwerptalent: zij wisten enkele experimentele modellen de Sovjet-Unie binnen te krijgen en baseerden hun snelle BT-tanks en T-34 tank op de ontwerpmodellen van de Amerikaanse ingenieur (onder andere het ontwerp van de M1928 en M1931 voertuigen).

Douglas MacArthur (1880-1964) was tussen 1930 en 1935 Chief of Staff en wilde dat het Amerikaanse leger gemechaniseerd zou worden. Rond 1931 werden experimenten met tanks en pantservoertuigen gedaan. De cavalerie moest voertuigen ontwikkelen die verkenningstaken konden uitvoeren. Verschillende 'Combat Cars' werden gebouwd. Eigenlijk waren dat geen tanks maar gepantserde voertuigen. In 1933 stelde MacArthur dat het paard als cavaleriewapen verouderd was. Drie jaar later besloot de Amerikaanse cavalerietak dat gepantserde voertuigen nodig waren. De T7 Combat Car was een snel voertuig dat verkenningstaken kon uitvoeren. Dat gepantserde voertuig werd ontwikkeld door Rock Island Arsenal tussen 1937 en 1938 en was gebaseerd op de M1 Combat Car van 1937. Op de Aberdeen Proving Grounds werd het voertuig in 1938 getest. Het voertuig kon op wegen op wielen rijden (zonder rupsbanden) en cross country met rupsbanden. Ondanks zijn snelheid waren aanwezige militairen (van de cavalerie) niet erg onder de indruk. In oktober 1939 stelde de cavalerie nieuwe eisen op waarin stond dat rupsbanden voortaan de standaard moesten zijn wat betreft aandrijving van tanks. Rupsbanden waren toentertijd (1939) in redelijke aantallen beschikbaar. Ook de bewapening van tanks en andere pantservoertuigen moest veranderen: in plaats van (zware) machinegeweren moesten kanonnen worden gemonteerd. Machinegeweren waren te zwak om dik pantserstaal te doorboren. Het Mechanized Cavalry Board (het Gemechaniseerde Cavalerie Bestuur) besloot in oktober 1939 om de ontwikkeling van het T7 Combat Car-programma en soortgelijke projecten te stoppen.

M1 Combat Car
Gewicht: 9.1 ton
Afmetingen: 4.14 meter lang, 2.26 meter hoog, 2.4 meter breed
Bepantsering: 6 tot 16mm maximaal
Bewapening: 1 x .50 cal (12.7 mm) machinegeweer en 1 x .30 cal (7.62 mm) machinegeweer, eventueel nog 1 x .30 cal (7.62 mm) machinegeweer
Motor: Continental R-670 van 250pk
Snelheid: 72 km/u
Productieaantal: ongeveer 113 stuks
Bemanning: 4 man


Lichte tanks

Amerika ontwikkelde verschillende lichte tanks tussen 1918 en 1945. De eerste lichte tank die in redelijke aantallen werd geproduceerd was de M2 lichte tank die vanaf 1935 in grote aantallen werd geproduceerd. Die tank werd ontwikkeld waarbij de 'Combat Cars' inspiratie vormden. Door de Nationale Verdedigingswet van 1920 (National Defense Act), werd tankontwikkeling een verantwoordelijkheid van de infanterie. Lichte tanks zouden geschikt zijn om snelle verkenningstaken uit te voeren. Die snelle, cavalerietanks werden in de jaren dertig gebouwd. De eerste 'Combat Car' was de M1. Andere prototypes zoals de T2, T2E1 en T2E2 werden gebouwd. De T2 werd in 1940 'lichte tank M1A1' genoemd. In totaal werden zeven exemplaren gebouwd. Naast de ontwikkeling van genoemde tanks werden enkele prototypetanks tussen 1927 en 1932 ontwikkeld. Die prototypes waren van het type 'T1 Light Tank' (T1E1, T1E2, T1E3, T1E4, T1E5 en T1E6). De voertuigen leken op tractoren. Het pantser van die prototypes was net als bij de 'Combat Cars' ontoereikend (6.4-15.9mm). De T1 lichte tank werd nooit ingezet.

M2 Combat Car
Gewicht: 9.1 ton
Afmetingen: 4.14 meter lang, 2.26 meter hoog, 2.4 meter breed
Bepantsering: 6 tot 16mm maximaal
Bewapening: 1 x .50 cal (12.7 mm) machinegeweer en 1 x .30 cal (7.62 mm) machinegeweer, eventueel nog 1 x .30 cal (7.62 mm) machinegeweer
Motor: Guiberson T1020 dieselmotor
Snelheid: 60-72 km/u
Productieaantal: 7 stuks
Bemanning: 4 man

Met de Combat Cars als inspiratiebron werden verschillende lichte tanks, onder andere de M2, gebouwd. Het T2E2 type was identiek aan de T2E1, maar had twee koepels naast elkaar waarin een machinegeweer was gemonteerd. De daarop gebaseerde M2A2 tank ging tussen 1936 en 1937 in productie. Twee jaar later werden verbeteringen aangebracht (onder andere het rijvermogen). Het verbeterde model werd M2A3 genoemd. De lichte tanks M2A1, M2A2 en M2A3 waren al verouderd in 1940 door hun lichte bewapening en slechte bepantsering. Voor trainingsdoeleinden waren zij wel geschikt. Het belangrijkste M2 model was de M2A4. Een koepel met een kanon had een groot voordeel: tanks konden met het kanon uitgeschakeld te worden. Twee koepels waren vaak lastig te bedienen. In 1939 ontwierp Rock Island Arsenal een verbeterde M2A3 tank. Die M2A4 had een 37mm kanon als hoofdbewapening, drie machinegeweren en dikker pantser (25mm). Toen de oorlog in september 1939 uitbrak werd een productiecontract verleend aan American Car & Foundry om 329 M2A4 tanks te bouwen. Die order liep op tot 365 stuks. In maart 1941 liepen de eerste M2A4 lichte tanks van de productieband. Veel M2A4 tanks werden gebruikt in de Pacific vanaf 1941 (Zuidoost-Azië) waar zij het soms opnamen tegen Japanse tanks. Andere tanks werden gebruikt voor trainingsdoeleinden. Het Amerikaanse First Marine Corps gebruikte de tank in 1942 in de Pacific. De Britten gebruikten de tank tijdens gevechten met het Keizerlijke Japanse 14de Tankregiment.

M2A4 lichte tank/Light Tank M2
Gewicht: 11.6 ton
Afmetingen: 4.42 meter lang, 2.64 meter hoog, 2.46 meter breed
Bepantsering: 6 tot 26mm maximaal
Bewapening: 1 x 3.7 cm (37mm) M5 kanon (105 granaten), 5 x .30 cal (7.62 mm) Browning M1919A4 machinegeweer (8470 patronen)
Motor: Continental R-670-9A 7 cilinder motor van 250pk
Snelheid: 58 km/u
Productieaantal: 375 stuks
Bemanning: 4 man

Met de M2A4 als basis werd de M3 lichte tank ontwikkeld. De maximale bepantsering was verhoogd tot 38 of 51mm en de kijkvensters in de zijkanten van de koepel waren verwijderd. De tank was langer en op het motordek was bepantsering aangebracht tegen vliegtuigaanvallen. In juli 1940 werd de M3 gestandaardiseerd en in maart 1941 werd de tank geproduceerd door American Car & Foundry. Verschillende verbeteringen werden aangebracht gedurende de productie, waaronder een gelaste koepel. In 1941 werd een koepel geďntroduceerd die gelast en gegoten was. Vanaf het midden van dat jaar werd een stabilisator voor het kanon gemonteerd en in de herfst van 1941 werden twee benzinetanks toegevoegd om het bereik van de tanks te vergroten. Ook dieselmotoren (T1020) werden geďnstalleerd. Een nieuw model werd getest in augustus 1941. Dat model had geen commandantskoepel, een stabilisator voor het kanon, automatische aandrijving voor het kanon en een opvangbak voor granaten (M3A1). De laatste productievariant van de M3A3 had een nieuwe gelaste romp. Extra ruimte was beschikbaar voor benzinetanks en munitie. De M3A3 werd geproduceerd in 1943. Talloze productievarianten zijn gebaseerd op de M3, zoals de M3 met Maxson machinegeweren, de M3 met het T2 mijnenveger apparaat, de T18 75mm GMC en de T57 GMC.

Net als andere tanks werd de M3 – de Britten noemden het voertuig 'Honey' (schatje) – ook verbeterd. De M5 ontstond door de suggestie van Cadillac dat twee Cadillacmotoren geďnstalleerd konden worden (naast de invoering van de Hydra-matic transmissie die voor de automobielindustrie was ontwikkeld). Die tank werd de M5 genoemd (Light Tank M5). Oorspronkelijk zou de tank Light Tank M4 genoemd worden, maar om verwarring te voorkomen met de M4 Sherman, werd die naam veranderd. De M5 lichte tank had dezelfde bewapening (37mm kanon) als de M3 lichte tank. Alleen het type kanon verschilde (37mm M6). Bepantsering bedroeg maximaal 67mm en topsnelheid achtenvijftig kilometer per uur.

M3 lichte tank/Light Tank M3
Gewicht: 12,927 ton
Afmetingen: 4.54 meter lang, 2.3 meter hoog, 2.24 meter breed
Bepantsering: 38.1mm maximaal (voorkant koepel: 38.1mm, zijkant: 25.4mm, achterkant: 25.4mm, voorkant romp: 38.1mm, zijkant: 25.4mm, achterkant: 25.4mm)
Bewapening: 1 x 3.7 cm (37mm) M5 of M6 kanon (103 granaten), 3 x .30 cal (7.62 mm) Browning M1919A4 machinegeweer (12600 patronen)
Motor: Continental R-670-9A 7 cilinder motor van 250pk
Snelheid: 56-58 km/u
Productieaantal: 22.744 M3 (en M5) stuks
Bemanning: 4 man

Ondanks de verbeteringen waren alle genoemde tanks lichte tanks. Bedoeld om verkenningstaken uit te voeren en niet erg geschikt om ingezet te worden tegen vijandelijke tanks. Britse frontervaringen in 1942 in Noord-Afrika toonden aan dat de M3 lichte tanks te zwak waren. De Britten gebruikten M3 lichte tanks in het kader van de Lend & Lease. Het 37mm kanon was niet krachtig genoeg. In april 1943 begon het Ordnance Department samen met Cadillac (fabrikant van de M5 lichte tank), aan een geheel nieuwe lichte tank. De tank zou ongeveer achttien ton moeten wegen en het pantser moest 37mm bedragen in een schuine hoek. Het eerste pilotmodel werd in oktober 1943 geleverd. Het type werd 'T24' genoemd. Het voertuig bleek succesvol. Duidelijk was dat het voertuig succesvol leek te zijn. Het Ordnance Department autoriseerde de productie van duizend tanks (wat later opliep tot vijfduizend exemplaren). Cadillac en Massey-Harris begonnen aan de productie in maart 1944 en de twee fabrieken produceerden in totaal 4415 voertuigen. Het 75mm M6 kanon was afgeleid van het vliegtuigkanon in de Mitchell bommenwerper. In mei 1944 werd het voertuig gestandaardiseerd als 'Light Tank M24'. De Britten noemden het voertuig 'Chaffee', naar generaal Adna R. Chaffee, Jr (1884-1941). De eerste leveringen aan het Amerikaanse leger werden in laat 1944 een feit. De M24 was een zeer goede lichte tank die redelijk zware bewapening combineerde met snelheid (56 kilometer per uur). De automatische versnellingsbak had acht versnellingen vooruit en vier achteruit. Net als andere Amerikaanse tanks diende de M24 ook na de Tweede Wereldoorlog in Noord-Korea. Ook het Nederlandse leger had na de oorlog M24 lichte tanks in dienst. In 1947 begon de ontwikkeling van een opvolger van de M24 Chaffee. Dat werd de M41 'Walker Bulldog'.

M24 Chaffee/Light Tank M24
Gewicht: 18.37-18.4 ton
Afmetingen: 5.56 meter lang, 2.77 meter hoog, 3 meter breed
Bepantsering: 15 tot 35-37mm
Bewapening: 1 x 7.5 cm (75mm) M6 kanon (48 granaten), 1 x .50 cal Browning M2HB machinegeweer (440 patronen), 2 x .30-06 Browning M1919A4 machinegeweer (3750 patronen)
Motor: Twin (twee) Cadillac Series 44T24 van 220pk
Snelheid: 56-57 km/u
Productieaantal: 4731 stuks
Bemanning: 4-5 man


Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog

Op 1 september 1939 viel Hitler-Duitsland Polen aan met behulp van Blitzkrieg-tactieken. Al eerder, tussen 1936 en 1939 (Spaanse Burgeroorlog), waren tanks ingezet. Spaanse nationalisten en republikeinen kregen tanks van Hitler-Duitsland en de Sovjet-Unie. De geleverde modellen waren de Duitse lichte Panzerkampfwagen I en II (PzKpfw I) en de Sovjet T-26 lichte tank. Ook tijdens de latere Winteroorlog (1939-1940) werd door de Sovjet-Unie tanks ingezet. Toentertijd had de Sovjet-Unie al krachtige tankmodellen. De KV (KV-1) was de sterkste tank aan het eind van de jaren dertig (1939) en begin jaren veertig (1940-1941). Op 1 september 1939 had de Verenigde Staten geen goed gepantserde en bewapende tanks in dienst. De zwaarste tank die het Amerikaanse leger destijds had was de M2 middelzware tank. Dat voertuig was licht gepantserd en vrij zwak bewapend. Amerika nam vanaf 7 december 1941 deel aan de Tweede Wereldoorlog na de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor in Hawaď.

De M2 middelzware tank, officieel de 'Medium Tank M2', werd in 1939 door Rock Island Arsenal geproduceerd. In totaal werden 112 M2 middelzware tanks gebouwd. Gebeurtenissen in Europa zoals de aanval van Hitler-Duitsland op Polen in 1939 (het zwakke pantser van Duitse lichte tanks zoals Panzerkampfwagen II kon eenvoudig door Poolse antitankwapens doorboord worden) toonden aan dat de M2 middelzware tank verouderd was. Daarom besloot het Amerikaanse leger de tank te gebruiken als trainingswapen. Hoofdbewapening van de tank bestond uit een 37mm kanon met 32mm plaatstaal aan de voorkant van het voertuig. De verbeterde M2A1 had 51mm staal aan de voorkant van de mantel bij het kanon. De romp was deels gelast en deels geklonken (met bouten of nagels). De koepel was gelast. Schuine staalplaten aan de achterkant waren bedoeld om kogels af te laten ketsen in vijandelijke loopgraven. De aandrijving van de M2 was de basis voor later ontwikkelde Amerikaanse tanks, zoals de M3 Lee en M4 Sherman. De M2 middelzware tank was een verdere ontwikkeling van de M2 lichte tank. De eerste M2 modellen werden aangedreven door een luchtgekoelde Wright R-975 motor die ontwikkeld was voor vliegtuigen. De M2A1 maakte gebruikt van een R-975 C1 motor. Dat was een verbeterde versie en had een vermogen van 400pk. De opbouw van de M2 was hoog met een machinegeweer in elke hoek van de tank. Twee extra machinegeweren waren aangebracht in de voorkant van de romp (in een soort sponson of kazemat). De koepel was bewapend met een 3,7 cm M3 kanon en een machinegeweer. Genoemd kanon had een penetratievermogen van 46 mm staal tot op een afstand van 457 meter en 40 mm staal tot op een afstand van 914 meter. In totaal waren tweehonderd granaten voor het 37mm kanon en 12250 patronen voor de .30 machinegeweren beschikbaar. De bewapening was een combinatie van die van Britse 'Mark' tanks uit de Eerste Wereldoorlog en die van middelzware tanks in de Tweede Wereldoorlog.

De fabriek Chrysler werd als eerste aangewezen door de legertop om de tank te bouwen. Daarnaast moest Detroit Arsenal Tank Plant (tankfabriek) de M2 middelzware tank gaan bouwen. Later ging Rock Island Arsenal de tank produceren. In totaal moesten duizend tanks gebouwd worden die elk 33.500 dollar kostten. Echter, de tank was al verouderd. De fabriek moest zich daarom gaan richten op nieuwe tanks. Rock Island Arsenal bouwde 94 M2A1 tanks. Vergeleken met andere (buitenlandse) tanks was de M2 zwak. De tank was inferieur ten opzichte van Duitse tanks zoals Panzerkampfwagen III en IV en de uitstekende middelzware Sovjettank T-34 die met een 76.2mm kanon was bewapend. De M2 was een 'tussenoplossing' voordat zwaardere tanks werden ontwikkeld. Het Amerikaanse leger maakte gebruik van de M2 als trainingsvoertuig in 1941 (1st Armored Division's 69th Armored Regiment). Om nieuwe (vijandelijke) tanks zoals de Panzerkampfwagen III in een mogelijk duel aan te kunnen moest een nieuwe Amerikaanse tank ontwikkeld worden. Immers, de M2 middelzware tank was te licht gepantserd en bewapend.

M2 middelzware tank
Gewicht: 18.7 ton
Afmetingen: 5.38 meter lang, 2.82 meter hoog, 2.59 meter breed
Bepantsering: 25-32 (M2) tot 51mm (M2A1) maximaal
Bewapening: 1 x 3.7 cm (37mm) M3 kanon, 7 tot 9 x .30-06 Browning M1919 machinegeweren (12250 patronen)
Motor: Wright R975 EC2 van 400pk
Snelheid: 42 km/u
Productieaantal: ongeveer 112 stuks
Bemanning: 6 man

Op 5 juni 1940 stelde het hoofd der infanterie aan het Ordnance Department dat Amerikaanse middelzware tanks met 75mm kanonnen bewapend moeten worden. De dreiging van sterke vijandelijke tanks was groot (Duitse middelzware tanks hadden soms korte 75mm kanonnen van het type 7,5 cm KwK 37 L/24). Generaal Adna R. Chaffee Jr. (1884-1941), hoofd van het Armored Force, had een bijeenkomst met vertegenwoordigers van het Ordnance Department bij de Aberdeen Proving Ground om toekomstige specificaties wat betreft tanks vast te leggen. Chaffee voorspelde al in 1927 dat toekomstige oorlogen door mechanisering werden bepaald. Besloten werd om zo snel mogelijk een 75mm kanon in een tank te installeren. Installatie van een 75mm wapen was niet mogelijk in het bestaande M2 middelzware tankontwerp (ook niet in de M2A1). Omdat ontwerp van een geheel nieuwe koepel niet binnen de korte termijn mogelijk was, werd besloten om wederom een 'tussenoplossing' te ontwikkelen. Een tank die zou worden gebruikt totdat een nieuw, geschikter tankontwerp beschikbaar was. Het zou mogelijk zijn om een 75mm kanon in een sponson, kazemat of gepantserde opbouw te monteren zodat er genoeg tijd was om een nieuwe, geschikte koepel te ontwerpen.


War Production Board (WPB)

President Franklin Roosevelt richtte in augustus 1939 (door middel van Executive Order 9024) het War Production Board (WPB) op. Een onderdeel of agentschap van de Amerikaanse regering die toezag op oorlogsproductie. Het WPB verving het Supply Priorities and Allocation Board and the Office of Production Management. Het agentschap zorgde ervoor dat bedrijven overschakelden op oorlogsproductie. Ook was het verantwoordelijk voor de distributie van materialen en diensten. Het WPB werd in 1945 opgeheven en werd vervangen door het Civilian Production Administration in 1945. Tussen 1942 en 1945 zorgde het WPB ervoor dat voor 183 miljard dollar aan wapens en goederen werd geproduceerd. In totaal produceerde het WPB veertig procent van alle munitie in de hele wereld. Een vierde van de Amerikaanse oorlogsproductie bestond uit oorlogsvliegtuigen.

De hoofdtaak van het WPB bestond eruit om de civiele industrie om te zetten in oorlogsindustrie. Door middel van propaganda werden mensen aangezet om overbodige metalen af te staan aan de oorlogsindustrie. De inspanningen van de organisatie leverden veel resultaten op. De productie van militaire vliegtuigen steeg van zesduizend stuks in 1940 tot vijfentachtigduizend stuks in 1943. Bedrijven die auto's fabriceerden bouwden tanks en bedrijven die zijde produceerden gingen parachutes maken. Het WPB zorgde ervoor dat elk bedrijf of fabriek de vereiste materialen kreeg om zo veel mogelijk oorlogsmiddelen in korte tijd te kunnen produceren.


Middelzware tanks

De basis voor het nieuwe ontwerp was de middelzware tank T5E2 (een prototype van de M2 middelzware tank). Op 28 augustus 1940 werd het contract van Chrysler om de M2A1 te bouwen stopgezet. Een nieuwe tank, de M3, zou ontwikkeld worden. Slechts weinig Amerikaanse tanks worden gekenmerkt door 'drietraps' wapensystemen (waarbij meerdere kanonnen onder elkaar waren gemonteerd). Uitzondering is de M3 middelzware tank. De M3 middelzware tank was zoals gezegd een 'tussenoplossing': een snelle poging om een 75mm kanon in de romp van een tank te installeren. De oorlog in Europa toonde aan dat middelzware tanks nodig waren om vijandelijke tanks te kunnen vernietigen. Ongeveer tweeduizend middelzware tanks zouden nodig zijn. William S. Knudsen (1879-1948) was lid van de National Defense Advisory Commission. Hij stelde dat de automobielindustrie tanks op grote schaal kon produceren en dat een fabriek in Detroit gebouwd moest worden. Chrysler zou de fabriek bouwen op order van de Amerikaanse overheid. Dat was het begin van de Detroit Arsenal Tank Plant (DATP). De fabriek werd vanaf september 1940 gebouwd. Knudsen was bevriend met de directeur van Chrysler Corporation, K.T. Keller (1885–1966). Detroit Arsenal Tank Plant (later Detroit Arsenal) te Warren (Michigan), was de eerste fabriek ooit gebouwd voor de massaproductie van tanks in de Verenigde Staten.

Op dat moment was Rock Island Arsenal bezig het M3 ontwerp vorm te geven. Ingenieurs van Chrysler hielpen daarbij. In maart 1941 werd het M3 ontwerp afgerond. Ondertussen contracteerde het Ordnance Department twee grote, zware fabrieken (American Locomotive en Baldwin Locomotive). De eerste firma zou 685 M3 tanks moeten produceren, de tweede 535 M3 tanks. Alle genoemde firma's produceerden testmodellen van de M3 in april 1941. In augustus was massaproductie van kracht in American Locomotive, Baldwin Locomotive en Detroit Arsenal (de fabriek was destijds voltooid). Productie van de M3 continueerde tot en met december 1942 met een totaal productieaantal van 6258 stuks.

De middelzware M3 'Lee' tank (vernoemd naar de Amerikaanse generaal Robert E. Lee (1807-1870), oftewel 'Medium Tank M3', leek erg op de M2A1 middelzware tank en had dezelfde motor en aandrijving (volute suspension). Het 75mm M2 kanon (later 75mm M3) zat in een sponson of kazemat in de romp en een 37mm kanon was gemonteerd in de koepel. Maximale bepantsering bedroeg 51 tot 56mm. Koepel en sponson waren uit één geheel vervaardigd (cast, gegoten) en de rest van de romp was met klinknagels voorzien. Stabilisatoren voor de kanonnen (75 en 37mm) werden geďnstalleerd. Daardoor kon de tank al rijdend vuren. De koepel werd voorzien van handmatige en automatische bediening en periscopen werden gemonteerd voor beide kanonnen. Totaalgewicht van de M3 series bedroeg plusminus dertig ton. De gronddruk van de M3 'Lee' bedroeg 0.94 kilogram per vierkante centimeter. Britse troepen maakten ook gebruik van de M3. Zij noemden de tank M3 'Grant' (naar generaal Ulysses S. Grant (1822-1885). Het Britse voertuig verschilde slechts in details. De radio was onder andere in een nieuwe, grotere koepel geplaatst. Bij de 'Lee' bevond de radio zich in de romp. Gedurende de productie werden verschillende versies gebouwd. Sommige versies hadden een gegoten romp (M3A1) en geen zijdeuren in de romp. Andere versies (M3A2) hadden een gelaste romp. Ook werden soms dieselmotoren geďnstalleerd (M3A3). Talloze andere voertuigen zijn gebaseerd op de M3 middelzware tank, zoals de M7 Priest en het M31 Bergingsvoertuig (recovery vehicle).

Nadelen van de M3 waren de hoogte (3.12 meter), het feit dat de hoofdbewapening niet in een volledig draaibare koepel was gemonteerd, de kwetsbare zij- en achterkant van romp (zwak gepantserd: 38mm staal) en het feit dat staal met klinknagels of bouten was bevestigd. De klinknagels konden namelijk los komen te zitten of na penetratie van vijandelijke pantsergranaten door het interieur van de tank vliegen. Dat kon dodelijke gevolgen hebben. Vooral de hoogte zorgde ervoor dat de tank een grote schietschijf was voor Duitse (antitank)kanonnen. Het kenmerkende silhouet was duidelijk te herkennen vanaf grote afstand.

M3 'Lee' middelzware tank/Medium Tank M3
Gewicht: 27 tot 30 ton
Afmetingen: 5.64 meter lang, 3.12 meter hoog, 2.72 meter breed
Bepantsering: 38.1 tot 50.8mm
Bewapening: 1 x 7.5 cm (75mm) M2/M3 kanon (46 tot 50 granaten), 1 x 3.7 cm (37mm) M5/M6 kanon (113-178 granaten), 2 tot 4 x .30-06 Browning M1919A4 machinegeweren (6000 tot 9200 patronen)
Motor: Wright R975 EC2 van 340-400pk
Snelheid: 26 tot 42 km/u
Productieaantal: ongeveer 6258 stuks
Bemanning: 7 man (Lee), 6 man (Grant)

De M3 gebruikte verschillende munitiesoorten. Het M2 75mm kanon (75mm M2) dat in een sponson was gemonteerd had een depressie van negen graden (-9) en een elevatie van twintig graden (+20). Munitie bestond uit 6.3 kilogram wegende M72 ('AP', pantsergranaat), 6.3 tot 6.76 kilogram wegende M48 (brisantgranaat) en 6.8 kilogram wegende M61 ('APCBC') pantsergranaten. Naast de genoemde granaten kon de M3 rookgranaten (M89) afvuren. De M72 granaat had een penetratievermogen van 96 mm staal tot op een afstand van tien meter, 95-96 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 81 mm tot op een afstand van vijfhonderd meter en 45 mm staal tot op een afstand van twee kilometer. Snelheid bedroeg 563m/s (563.88) tot 588 meter per seconde (m/s) voor de M72 granaat, 448m/s voor de brisantgranaat en ongeveer 588m/s voor de M61 granaat. Het 37mm kanon dat in de koepel was gemonteerd kon M74B1 en M51B1/B2 munitie afvuren. Beide granaten waren pantsergranaten (AP) en wogen 0.87 kilogram. Mondingssnelheid bedroeg ongeveer 883 tot 884m/s. Penetratievermogen van de M74B1 granaat bedroeg 89 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 27 mm staal tot op een afstand van twee kilometer. Penetratievermogen van de M51B1/B2 munitie bedroeg ongeveer 79 mm staal tot op een afstand van tien meter, 78 mm tot op een afstand van honderd meter, 69 mm tot op een afstand van vijfhonderd meter en 43 mm tot op een afstand van twee kilometer. Opgemerkt dient te worden dat het 75mm M3 kanon (dat ook in de M3 Lee gemonteerd kon worden), een mondingssnelheid had van plusminus 619m/s met M72 (AP) munitie.

(belangrijkste munitie van de M3 Lee)

M72 (‘AP’: pantser) M48 ('HE': brisant) M61 ('APCBC': pantser met ballistische kop)
Gewicht: 6.3 kg Gewicht: 6.3-6.76 kg Gewicht: 6.8 kg
Snelheid: 588-619m/s Snelheid: 448m/s Snelheid: 588-619m/s
Penetratievermogen: 96mm tot 10, 95mm tot 100, 81mm tot 500, 66mm tot 1000, 54mm tot 1500 en 45mm tot 2000 meter Penetratievermogen: onbekend Penetratievermogen: 79mm tot 10, 78mm tot 100, 72mm tot 500, 65mm tot 1000, 58mm tot 1500 en 52mm tot 2000 meter

De M3 middelzware tank werd vooral ingezet in Noord-Afrika in de zomer van 1942. In november 1942 diende de tank tijdens de Slag om El Alamein. Aan het front in Noord-Afrika toonde het voertuig aan dat het in staat was Duitse lichte en middelzware tanks, zoals Panzerkampfwagen III en IV, te vernietigen. Het penetratievermogen van het 75mm kanon was namelijk genoeg, plusminus 80 of 81 mm tot op een afstand van vijfhonderd meter, om het frontale 3 tot 5 cm pantser (later 80mm) van Panzerkampfwagen III en IV te doorboren. Duitse 20 en 50mm kanonnen (5 cm PaK 38 en 5 cm KwK 39), hadden een veel minder groot bereik dan het 75mm kanon van de M3 Lee. Resultaat was dat de M3 middelzware tank de Duitse tanks tot op lange afstand kon vernietigen. Italiaanse tanks die met de Duitsers vochten tegen de geallieerden, zoals de M13/40 en M14/41, waren zeer kwetsbaar voor de kanonnen van de M3 Lee. Die Italiaanse tanks hadden te weinig pantser om 75 en 37mm granaten van de M3 Lee tegen te houden. Hoofdbewapening van de meeste Italiaanse tanks was een 47mm kanon dat alleen effectief was vanaf zeer korte afstand.

De M3 tank werd voor het eerst ingezet door het Britse achtste leger tijdens de Slag bij Gazala in Noord-Afrika in mei 1942 (27 mei 1942). Duidelijk werd in Noord-Afrika echter dat het Duitse 88mm (8,8 cm FlaK) kanon geen moeite had om de M3 Lee uit te schakelen. Het grote silhouet van de tank zorgde ervoor dat Duitse troepen de tank eenvoudig konden zien en raken met hun antitankkanonnen. In de Pacific (Azië) werd de M3 in 1943 ingezet tegen Japanse troepen. De effectieve brisantgranaat toonde aan dat het een effectief kanon was. De M3 werd voornamelijk gebruik als ondersteuning van de infanterie. Japanse grondtroepen hadden weinig tanks die het op konden nemen tegen de M3 (nagenoeg alle Japanse tanks waren lichte voertuigen, zoals de Type 95 'Ha-Go'). In 1944 werd de Lee-tank als officieel verouderd verklaard door de Amerikaanse legertop (het voertuig was in feite al verouderd toen de M4 Sherman zijn intrede deed in 1942). Door de Lend & Lease kreeg de Sovjet-Unie 1386 tot 1676 M3 tanks. De tank was niet erg geliefd bij de Sovjets: Sovjettankbemanningen noemden de tank ironisch 'graf voor zes man'. Feit is dat de Sovjet-Unie eigen goede tanks had zoals de BT (bijvoorbeeld de BT-5 en BT-7), de middelzware T-34 tank en de zware KV-1 tank. Ook aan Australië werden M3 tanks uitgeleend: het ging om 752 stuks. Al met al kan gesteld worden dat de M3 'Lee', over het algemeen, een kwalitatief goede tank was wat betreft bewapening en bepantsering toen het voertuig voor het eerst op het slagveld verscheen.


Vervolg

De installatie van het 75mm kanon in een sponson of kazemat in de romp van de M3 had grote nadelen. Het hele voertuig moest bijvoorbeeld gedraaid worden om op vijandelijke tanks te kunnen schieten (als het vijandelijke voertuig zich buiten de draaicirkel van het kanon bevond). Op het moment dat het ontwerp van de M3 tank plaatsvond, stelde het Armored Force Board specificaties op voor een mogelijke opvolger. De nieuwe tank zou het onderstel van de M3 gebruiken en een 75mm kanon in een volledig (360 graden) draaibare koepel dragen. Vijf verschillende ontwerpen bood het Rock Island Arsenal aan. Het meest logische ontwerp werd gekozen: het onderstel van de M3 Lee werd gebruikt, de aandrijving was hetzelfde en mechanische onderdelen konden uitgewisseld worden met de M3. Het 37mm kanon dat in de bovenste koepel van de M3 was gemonteerd, werd weggelaten. Plaats werd gemaakt voor een koepel met een machinegeweer. Het ontwerp kreeg de naam 'T6'. In mei 1941 was een houten model gebouwd dat aan het Armored Force Board werd gepresenteerd. Een pilot-model was klaar op 19 september 1941. Dat model werd getest te Aberdeen Proving Ground.

Roosevelt stelde dat duizend middelzware tanks per maand moesten worden gebouwd. Om nieuwe tankproductie mogelijk te maken werden nieuwe fabrieken ingezet. Pacific Car & Foundry, Fisher, Ford en Federal Machine & Welder, werden gevraagd om tanks te bouwen. In oktober 1941 werd het T6 model gestandaardiseerd als 'M4'. De productie van de M4 zou die van de M3 moeten overschaduwen. Het M4 pilotmodel werd gebouwd door Lima Locomotive works in februari 1941. Het model had geen zijdeuren, zoals dat het geval was bij het T6 prototype. Massaproductie geschiedde in nog drie andere fabrieken: Lima, Pressed Steel en Pacific Car & Foundry. Het eerst geproduceerde M4-tankmodel was de M4A1. In de herfst van 1942 was de productie in de fabrieken in volle gang. In oktober 1942 deed de M4 dienst in het Britse leger tijdens de Slag om El Alamein.

De plusminus dertig ton wegende M4 Sherman-tank was de meest geproduceerde Amerikaanse tank tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Sherman had een groot aantal kwaliteiten: productie-eenvoud, betrouwbaarheid, snelheid en relatief (in 1942) krachtige bewapening. Fabrieken die normaal auto's produceerden konden M4 Sherman-tanks produceren. Tienduizenden exemplaren rolden tussen 1941 en 1945 van de Amerikaanse loop- en productiebanden. In totaal werden 40.000 tot 50.000 (49.234) Shermans geproduceerd. Net als de Sovjet T-34 is de M4 een tank die (relatief) eenvoudig te bouwen was. Het was een 'allround' tank die ingezet kon worden tegen vijandelijke tanks, infanterie, bunkers, pantservoertuigen, kanonnen en versterkte stellingen. Echter, vergeleken met Duitse tanks, zoals de middelzware Panzerkampfwagen IV Ausf. F2, G, H en J, Panzerkampfwagen V 'Panther' en Panzerkampfwagen VI 'Tiger', had de Sherman relatief zwakke bewapening en bepantsering. Vroege Sherman-varianten waren voorzien van 38 tot 50mm staal. De M4A1 had bijvoorbeeld aan de voorkant van de romp 50.8mm, aan de zijkant 38.1mm en aan de achterkant 38.1mm staal. De koepel was aan de voorkant voorzien van 76.2mm staal, aan de zijkant van 50.8mm en aan de achterkant van 50.8mm. Latere varianten hadden maximaal 88.9mm staal aan de voorkant van de koepel. Die bepantsering was meestal niet voldoende om Duitse 75mm granaten, en grotere granaten zoals de Duitse 88mm granaat, tegen te houden. Vooral de zijkant en achterkant van de Sherman was zeer kwetsbaar. Om genoemde Duitse tanks te vernietigen werden vaak Amerikaanse tankjagers ingezet.

M4 'Sherman' middelzware tank (M4A1)
Gewicht: ongeveer 30.6-32 ton
Afmetingen: 5.84 meter lang, 2.74 meter hoog, 2.62 meter breed
Bepantsering: 38 tot 76.2mm (voorkant koepel)
Bewapening: 1 x 7.5 cm (75mm) M3 kanon (90 granaten), 1 x .50 caliber Browning M2HB machinegeweer (300–600 patronen), 2 x .30 caliber Browning M1919A4 machinegeweer (6000–6750 patronen)
Motor: Continental R975-C1 of C4 9 cilinder benzinemotor van 400pk
Snelheid: 35 tot 42 km/u
Productieaantal: ongeveer 50.000 stuks (totaal)
Bemanning: 5 man

De vierkante romp van de M4 was gebaseerd op de romp van de M3 Lee. De motor was aan de achterkant gemonteerd. De romp was gelast of vastgenageld. Gegoten delen kwamen ook voor. De koepel was gegoten en bestond uit één geheel. Het 75mm M3 kanon (7,5 cm M3 L/40) was in een gegoten koepel gemonteerd. Vroege Sherman-versies hadden een 75mm M2 kanon (afgeleid van het T7 kanon). Vijf bemanningsleden waren nodig om de tank te bedienen. Wat betreft munitiesoorten was de Sherman-tank in staat M72 pantser ('AP'), M48 brisant en M61 pantsergranaten af te vuren. Rookgranaten waren tevens beschikbaar. Het projectiel (6.3 kilogram) van de M72 granaat (618-619m/s, exact 618.744m/s) had een penetratievermogen van 109 mm staal tot op een afstand van honderd, 92 mm tot op een afstand van vijfhonderd, 76 mm tot op een afstand van duizend meter, 62 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 51 mm tot op een afstand van twee kilometer. Het 6.8 kilogram wegende projectiel van de M61 'APCBC' granaat (618-619m/s) doorboorde ongeveer 88 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 59 mm staal tot op een afstand van twee kilometer. Dat was genoeg om alle Duitse lichte en middelzware tanks, zoals Panzerkampfwagen I, II, III en IV, vanaf de voorkant, zijkant en achterkant te vernietigen. Later in de oorlog kreeg de M4 Sherman een groter 76mm kanon (in plaats van het 75mm wapen). Het 76mm kanon maakte het mogelijk dat zwaardere Duitse tanks zoals 'Panther' en 'Tiger' niet 'onkwetsbaar' meer waren (ondanks het feit dat het pantser op beide tanks vaak van goede kwaliteit was). De M4A3E8 'Easy Eight' had een 76mm kanon en een verbeterd aandrijfsysteem: het wide track HVSS systeem (Horizontal Volute Spring Suspension.

(belangrijkste munitie van de M4 Sherman)

M72 (‘AP’: pantser) M48 ('HE': brisant) M61 ('APCBC': pantser met ballistische kop)
Gewicht: 6.3 kg Gewicht: 6.3-6.76 kg Gewicht: 6.8 kg
Snelheid: 619m/s Snelheid: 463m/s Snelheid: 618-619m/s
Penetratievermogen: 110mm tot 10, 109mm tot 100, 92mm tot 500, 76mm tot 1000, 62mm tot 1500 en 51mm tot 2000 meter Penetratievermogen: onbekend Penetratievermogen: 90mm tot 10, 88mm tot 100, 81mm tot 500, 73mm tot 1000, 65mm tot 1500 en 59mm tot 2000 meter

De M4 Sherman werd aan nagenoeg elk oorlogsfront ingezet: aan het Westfront, aan het Oostfront en in Azië. Tussen 1942 en 1945 was de tank overal in de wereld te zien. Ook na de oorlog werd de tank nog gebruikt. Verschillende modificaties voor de tank kwamen voor. Raketwerpers, mijnenvegers (vlegeltanks), vlammenwerpers en houwitser-varianten werden tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkeld. Ook kregen sommige Shermans extra zware pantserplaten (Sherman 'Jumbo', M4A3E2). Soms wordt de M4 Sherman 'de aansteker' (Ronson) genoemd vanwege het feit dat de tank vaak explodeerde na penetratie van vijandelijke (antitank)granaten. Daarom kregen sommige tanks 'water jackets' (de munitie bevond zich naast containers gevuld met water). Een andere bijnaam was 'Tommy Kocher' (Tommy-brader). Zo noemden Duitse soldaten de M4 Sherman soms.

M4 'Sherman' middelzware tank (M4A3 (76)W/ M4A3E8)
Gewicht: ongeveer 30.3-33.4 ton
Afmetingen: 7.54 meter lang, 2.97 meter hoog, 2.99 meter breed
Bepantsering: 38.1mm tot 88.9mm maximaal (voorkant koepel: 88.9mm, zijkant: 63.6mm, achterkant: 63.5mm, voorkant romp: 63.5mm, zijkant: 38.1mm, achterkant: 38.1mm)
Bewapening: 1 x 7.6 cm (76mm) L/55 M1A2 kanon (71 granaten), 1 x .50 caliber Browning M2HB machinegeweer (300-600 patronen), 1-2 x .30 caliber Browning M1919A4 machinegeweer (3000-4750 patronen)
Motor: Ford GAA V8 motor van 525pk
Snelheid: 40 tot 48 km/u
Productieaantal: ongeveer 2617 stuks (plusminus 50.000 stuks totaal)
Bemanning: 5 man


Experimentele modellen

Amerika ontwikkelde in de jaren veertig een zware tank: de M6 zware (Heavy) tank. De gebeurtenissen in Europa in 1940 had het Ordnance Department overtuigd van het feit dat een zware tank (mogelijk) nodig zou zijn. Die zware tank zou ongeveer tachtig ton wegen en twee koepels hebben met een 75mm kanon. Van die specificaties kwam niets terecht. In oktober 1940 werd het project 'Heavy Tank T1' genoemd. Het voertuig zou ongeveer vijftig ton moeten wegen, met een pantserdikte van 75mm en bewapend worden met verschillende kanonnen. In februari 1941 werd toestemming gegeven om vier pilot voertuigen te bouwen. Idee was om honderd voertuigen per maand af te leveren. De vier modellen verschilden in technische aspecten. De T1E1 moest een gegoten romp hebben en elektrische aandrijving, de T1E2 zou een gegoten romp hebben en een koppelomvormer, de T1E3 zou een gelaste romp en een koppelomvormer krijgen en de T1E4 zou een gelaste romp en twee dieselmotoren krijgen. Het laatste project werd afgewezen omdat de installatie van dieselmotoren teveel tijd zou kosten. In december 1941 was de T1E2 compleet en testritten bleken succesvol. In april 1942 werd het model gestandaardiseerd als M6A1 (verschil was dat de M6A1 een gelaste romp had). De T1E1 werd getest in juni 1943, maar werd niet gestandaardiseerd. Het Ordance Department stelde dat meer zware tanks gebouwd moesten worden. Tweehonderdvijftig stuks per maand moesten worden afgeleverd door Grand Blanc Arsenal (Fisher), naast Baldwin (de fabriek die verantwoordelijk was voor productie).

Financiële problemen zorgden er echter voor dat de M6 nooit in grote aantallen werd gebouwd. De crisis had een grote invloed op investeringen in het leger. In september 1942 was er tevens sprake van een nadruk op vliegtuigbouw. Daarnaast stelde het Armored Force dat de M6 onvoldoende presteerde bij testritten. Het voertuig was te zwaar, slecht bewapend, slecht vormgegeven en had transmissieproblemen. In maart 1943 werd besloten door het Ordnance Department dat er slechts veertig M6 tanks gebouwd zouden worden. Die voertuigen werden alleen gebruikt voor trainingsritten en experimenteel werk. Verschillende tanks werden getest met nieuwe kanonnen zoals een 105mm kanon (T5E1 105mm, M6A2E1). Omdat het Ordnance Department zich met name richtte op middelzware, snelle tanks werd de M6 geen succes.

Heavy Tank M6
Gewicht: 57.4 ton
Afmetingen: 8.43 meter lang, 3 meter hoog, 3.12 meter breed
Bepantsering: 25 tot 83mm
Bewapening: 1 x 7.62cm (76.2 mm) kanon M7 (75 granaten), 1 x 3.7cm (37mm) kanon M6 (202 granaten), 2 x.50 cal (12.7mm) Browning M2HB machinegeweren (6900 patronen), 2 × .30 Browning M1919A4 machinegeweren (5,500 patronen)
Motor: Wright G-200 9-cylinder benzinemotor van 825pk
Snelheid: 35 km/u
Productieaantal: 40 stuks
Bemanning: 6 man


Zware tanks

Amerika ontwikkelde in de jaren veertig een zware tank: de M6 zware (Heavy) tank. De gebeurtenissen in Europa in 1940 hadden het Ordnance Department ervan overtuigd dat een zware tank nodig zou zijn. Die zware tank moest twee koepels hebben met een 75mm kanon. Van die specificaties kwam niets terecht. In oktober 1940 werd het project 'Heavy Tank T1' genoemd. Het voertuig zou ongeveer vijftig ton moeten wegen, met een pantserdikte van 75mm en bewapend worden met verschillende kanonnen. In februari 1941 werd toestemming gegeven om vier pilotvoertuigen te bouwen. Het was de bedoeling om honderd voertuigen per maand af te leveren. De vier modellen verschilden in technische aspecten. De T1E1 moest een gegoten romp hebben en elektrische aandrijving, de T1E2 zou een gegoten romp hebben en een koppelomvormer, de T1E3 zou een gelaste romp en een koppelomvormer krijgen, en de T1E4 zou een gelaste romp en twee dieselmotoren krijgen. Het laatste project werd afgewezen omdat de installatie van dieselmotoren teveel tijd zou kosten. In december 1941 was de T1E2 compleet en testritten bleken succesvol. In april 1942 werd het model gestandaardiseerd als M6A1 (verschil was dat de M6A1 een gelaste romp had). De T1E1 werd getest in juni 1943, maar werd niet gestandaardiseerd. Het Ordance Department stelde dat meer zware tanks gebouwd moesten worden. Tweehonderdvijftig stuks per maand moesten worden afgeleverd door Grand Blanc Arsenal (Fisher).

Financiële problemen zorgden er echter voor dat de M6 nooit in grote aantallen werd gebouwd. De economische crisis (Great Depression van 1929) had nog invloed op investeringen in het leger. In september 1942 was er tevens sprake van een nadruk op vliegtuigbouw. Daarnaast stelde het Armored Force dat de M6 onvoldoende presteerde bij testritten. Het voertuig was te zwaar, slecht bewapend, slecht vormgegeven en had transmissieproblemen. In maart 1943 werd daarom door het Ordnance Department besloten dat er slechts veertig M6 tanks gebouwd zouden worden. Die voertuigen werden alleen gebruikt voor trainingsritten en experimenteel werk. Verschillende tanks werden getest met nieuwe kanonnen, zoals een 105mm kanon (T5E1 105mm, M6A2E1). Omdat het Ordnance Department zich met name richtte op middelzware, snelle tanks werd de M6 geen succes.

M6 zware tank/Heavy Tank M6
Gewicht: 56.8-57.4 ton
Afmetingen: 8.43 meter lang, 3 meter hoog, 3.12 meter breed
Bepantsering: 25.4mm (koepeldak) tot 82.5-101.6mm (voorkant romp)
Bewapening: 1 x 7.62 cm (76.2 mm) kanon M7 (75 granaten), 1 x 3.7 cm (37mm) kanon M3 of M6 (202 granaten), 2 x .50 cal (12.7mm) Browning M2HB machinegeweren (6900 patronen), 2 x .30 Browning M1919A4 machinegeweren (5,500 patronen)
Motor: Wright G-200 9 cilinder benzinemotor van 825pk
Snelheid: 35-36 km/u
Productieaantal: 40 stuks
Bemanning: 6 man

In 1942 werd de basis gelegd voor het ontstaan van de M26 'Pershing'-tank. Toentertijd werd de T20 middelzware tank ontwikkeld. Die tank zou een verbetering van de middelzware M4 Sherman-tank moeten worden. Het Ordnance Department hoopte het voertuig te kunnen gebruiken voor testen met bewapening, aandrijvingen en rupsbanden. Dertien verschillende modellen van de T20 tankseries (T20, T22 en T23), werden ontworpen. Sommige van deze tanks waren bewapend met een 76mm kanon en de types hadden verschillende aandrijvingen (waaronder een gas-elektrisch systeem) en ophangingen (rupsbanden en wielen). Ontwikkeling van twee types volgde: T25 en T26. In 1944 was een prototype tank ontwikkeld: de T26E1. In juni 1944 werd dat prototype 'Heavy Tank T26E1' genoemd. Verschillende testritten werden uitgevoerd met het voertuig door het Ordnance Department. In augustus 1944 was het Ordnance Department van mening dat de T26E1 in productie moest gaan. Tegenstanders waren legio: Army Ground Forces (tak van het leger) was tegen de massaproductie van het voertuig omdat de M4 Sherman goed genoeg zou zijn. De tank zou alleen geproduceerd kunnen worden als het Armored Force Board het eens was met de gang van zaken. In juli had Army Ground Forces voorgesteld de tank te bewapenen met een 76mm kanon. Dat idee werd door het Ordnance Department genegeerd en in december 1944 werd de T26E1 toch in productie genomen vanwege de krachtige bewapening en bepantsering. In november 1944 begon de productie van de eerste twintig voertuigen (T26E3).

Het Ordnance Department stelde in december 1944 dat de voertuigen naar Europa verscheept moesten worden voor proeftesten. Army Ground Forces was tegen dat idee: de M4 Sherman-tank zou alle taken met succes uit kunnen voeren. Het Ardennenoffensief maakte echter duidelijk dat de M4 Sherman-tank met zijn 75 of 76mm kanon, te zwak bewapend was om het op te nemen tegen Duitse (zware) tanks. Het 75mm M3 kanon was te zwak en het 76mm kanon kon de voorkant van die Duitse tanks niet of nauwelijks doorboren. De Amerikaanse Generale Staf ging zich bemoeien met de zaak en eiste onmiddellijk dat de tank naar Europa gestuurd werd. De eerste twintig T26E3 voertuigen werden in januari 1945 naar Europa verscheept en in februari toebedeeld aan de 3th and 9th Armored Divisions ('Zebra Mission'). De tank was bewapend met een krachtig 90mm M3 kanon dat elke Duitse tank kon vernietigen, inclusief de Panzerkampfwagen Ausf. B Tiger II. Grand Blanc Arsenal bouwde 1190 T26E3 tanks en Detroit Arsenal 246 stuks. In maart 1945 werd de T26E3 gestandaardiseerd als de 'Zware Tank M26' (Heavy Tank M26). De tank kreeg de bijnaam 'General Pershing'. In 1945 zag de tank nog actie in de Pacific tijdens de Slag om Okinawa.

Er werd ook nog een experimentele M26 gebouwd met een krachtiger 90mm kanon (T15E1 90 mm gun). Het kanon had een kaliber van L/73 (90mm L/73 oftewel 9 cm L/73). Munitie bestond uit één stuk en was 1300mm (1.30 meter) lang. Die tank werd 'Super Pershing' genoemd. Het voertuig stond bekend onder de naam 'T26E4'. De tank had extra pantser aan de voorkant van de romp en de koepel. Slechts één tank van dit type werd naar Europa gestuurd. In mei 1946 werd de M26 ingedeeld als middelzware tank omdat het Amerikaanse leger toentertijd van plan was om nog krachtigere en zwaardere tanks in te zetten.

M26 Pershing/Heavy Tank M26
Gewicht: 42 ton (41560-41730 kg)
Afmetingen: 8.649 meter lang, 2.78 meter hoog, 3.5-3.51 meter breed
Bepantsering: 102mm tot 114mm maximaal (voorkant koepel: 101.6-114.3mm, zijkant romp en koepel: 76.2mm, achterkant romp en koepel: 50.8-76.2mm)
Bewapening: 1 x 9 cm (90mm) M3 kanon (70 granaten), 1 x .50 cal (12.7mm) Browning M2HB machinegeweer (550 patronen), 2 x .30 Browning M1919A4 machinegeweren (5000 patronen)
Motor: Ford GAF 5 cilinder benzinemotor van 500pk
Snelheid: 40 km/u
Productieaantal: 2212 stuks
Bemanning: 5 man

Het 90mm M3 kanon dat in de Pershing werd gemonteerd was een van de meest krachtige tankkanonnen uit de Tweede Wereldoorlog. De M26 Pershing was in staat verschillende munitiesoorten af te vuren. T33, M71, M82 en M304 projectielen waren beschikbaar. Granaten van het type 'M82' hadden een kaliber van 90mm x 970mm. Het 11 kilogram (10.61-10.91kg) wegende projectiel van de T33/M77 pantsergranaat ('AP', 822-822.96m/s of 823 tot 853.44m/s), was in staat 188 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 163 mm tot op een afstand van vijfhonderd meter, 137 mm tot op een afstand van een kilometer, 115 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 96 mm tot op een afstand van twee kilometer te doorboren. Het projectiel van de M71 granaat ('HE', brisant) woog ongeveer 11 kilogram (10.56kg), en werd met een snelheid van 823m/s afgevuurd. Het projectiel van de M82 granaat ('APCBC', pantsergranaat met ballistische kop) woog ongeveer 11 kilogram (10.94kg), werd met een snelheid van plusminus 807-807.72m/s tot 853.44m/s afgevuurd, en doorboorde 164 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 150 mm tot op een afstand van vijfhonderd, 137 mm tot op een afstand een kilometer, 125 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 114 mm tot op een afstand van twee kilometer. Het projectiel van de M304/T30E16 granaat ('APCR'/'HVAP', wolfraammunitie) woog ongeveer 7.57-7.6 kilogram (het totaalgewicht van de granaat bedroeg 16.33 kilogram), bereikte een snelheid van plusminus 1018m/s (exact: 1018.032) tot 1021m/s (exact: 1021.080), en doorboorde ongeveer 260 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 191 mm tot op een afstand van twee kilometer (sommige bronnen geven 306 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 193 mm tot op een afstand van twee kilometer). Die M304 granaat werd echter niet of nauwelijks tijdens de Tweede Wereldoorlog ingezet. Onduidelijkheid bestaat hierover. Naast de genoemde munitiesoorten kon de tank rookgranaten (M313) afvuren.

(belangrijkste munitie van de M26 Pershing)

T33 (‘AP’: pantser) M82 ('APCBC': pantser met ballistische kop) M304 ('APCR': wolfraammunitie)
Gewicht: 11 kg Gewicht: 11 kg Gewicht: 7.6 kg
Snelheid: 822-853m/s Snelheid: 807-853m/s Snelheid: 1018-1021m/s
Penetratievermogen: 189mm tot 10, 188mm tot 100, 163mm tot 500, 137mm tot 1000, 115mm tot 1500 en 96mm tot 2000 meter Penetratievermogen: 165mm tot 10, 164mm tot 100, 150mm tot 500, 137mm tot 1000, 125mm tot 1500 en 114mm tot 2000 meter Penetratievermogen: 264mm tot 10, 260mm tot 100, 245mm tot 500, 226mm tot 1000, 210mm tot 1500 en 191mm tot 2000 meter

De M26 had geen enkele moeite om het frontale pantser van de Duitse zware (tank) Panzerkampfwagen VI 'Tiger' I (Panzerkampfwagen VI Ausf. H/E Tiger I oftewel PzKpfw VI Tiger), te doorboren (maximaal 100 tot 120mm staal), of de voorkant van de koepel van de middelzware Panzerkampfwagen V 'Panther' (110 tot 120mm staal op sommige plekken). Verder was de Duitse middelzware Panzerkampfwagen IV kwetsbaar voor het 90mm Pershing-kanon. De Panzerkampfwagen IV had maximaal 50 tot 80mm staal aan de voorkant van de romp en de koepel. Ook de zijkanten van de zware Panzerkampfwagen VI Ausf. H Tiger I en VI Ausf. B Tiger II, PzKpfw VIb Königstiger (80 tot 82mm staal), waren kwetsbaar. De voorkant van de koepel van de Tiger II (180 tot 185mm) kon in theorie doorboord worden, maar het 88mm KwK 43 L/71 kanon van die tank kon de Pershing tot op lange afstand, twee kilometer of verder, uitschakelen. Het Duitse 88mm L/71 kanon penetreerde met standaardmunitie ongeveer 176 mm staal tot op een afstand van twee kilometer. Dat was genoeg om de voorkant van de koepel (114mm) of de romp (102mm) van de Pershing-tank te doorboren. Daarnaast waren de zijkanten en achterkant van de M26 kwetsbaar voor Duits antitankvuur met een kaliber van 7,5 cm (75mm KwK 40 L/43, 75mm KwK 40 L/48, 75mm PaK 39 L/48, 75mm KwK 42 L/70), of groter (88mm KwK 36 L/56, 88mm KwK 43 L/71, 128mm PaK 44 L/55).

In 1945 vond een gevecht in Keulen plaats tussen de Amerikaanse M26 Pershing en de Duitse middelzware Panzerkampfwagen V 'Panther'-tank (PzKpfw V Panther). De Pershing raakte de Panther-tank verschillende keren en vernietigde het voertuig. Vaak worden op populairwetenschappelijke fora op internet de M26 Pershing en de Panzerkampfwagen V 'Panther' met elkaar vergeleken, met name omdat ze wat betreft bepantsering en bewapening vergelijkbaar waren. Wat betreft technische specificaties woog de Duitse Panther-tank ongeveer veertig tot vijfenveertig ton en was bewapend met een lang 75mm kanon (7,5 cm KwK 42 L/70). De bepantsering bedroeg honderd of honderdtien tot honderdtwintig millimeter (100-120mm) aan de voorkant van de koepel (mantel), 80mm aan de voorkant van de romp, 40 tot 50mm aan de zijkant van de romp en 40mm aan de achterkant van de romp. Het Panther-kanon kon met standaardmunitie (Panzergranate 39/42/PzGr 39/42) ongeveer 185 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 116 mm tot op een afstand van twee kilometer doorboren. De Pershing was ongeveer even zwaar gepantserd (76.2-114.3mm), maar had een groter kanon (90mm). Het 90mm kanon van de Pershing doorboorde zoals gezegd ongeveer 188 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 96 mm tot op een afstand van twee kilometer (met T33/M77 munitie). Wat betreft mondingssnelheid bedroeg de granaatsnelheid van het Panther-kanon 925 tot 935m/s (exact: 935.1264m/s) en de granaatsnelheid van de Pershing 807 tot 822m/s (de wellicht in kleine aantallen beschikbare M304 'APCR' granaat legde een snelheid van 1018m/s tot 1021m/s af, vergeleken met de 1120m/s tot 1129.589m/s van de PzGr 40/42 wolfraamgranaat van de Panther). Feit is dat het projectiel van de pantsergranaat van de Pershing zwaarder was (plusminus 11 kilogram), vergeleken met het gewicht van het projectiel van de standaard pantsergranaat (Panzergranate 39/42) van de Panther-tank (plusminus 6.8-7.2 kilogram). Wat betreft explosieve vulling had de M82 granaat van de M26 Pershing ongeveer 140 tot 199 gram explosief materiaal (Explosive D). De pantsergranaat van de Panther-tank (Panzergranate 39/42) had een explosieve vulling van plusminus 17 tot 18 gram (RDX en wax).

Tankgevechten zijn altijd afhankelijk van de training van de tankbemanning en de situatie. Een getrainde tankbemanning kan een vijandelijke tank snel opmerken en vervolgens vernietigen. Zonder te letten op die factoren kan gesteld worden dat de Pershing, wat betreft bewapening en bepantsering, opgewassen was tegen de Duitse Panther-tank. Nadeel van de M26 Pershing was wel dat de gebruikte motor vrij zwak was (500pk), vergeleken met de motor (700pk) van de Panther.

Naast de genoemde tanks ontwikkelde Amerika enkele zware prototypetanks. Voorbeelden zijn de T32, T29, T30 en T34 zware tanks. De T32 was een verbeterde M26 Pershing tank met sterker pantser en betere bewapening. Frontaal pantser bedroeg 125mm aan de voorkant van de romp en 200mm aan de voorkant van de koepel. Het verbeterde T15E1 90mm kanon was gemonteerd en de motor had een vermogen van 750pk. Een aantal pilot modellen werd gebouwd. Geen productieorder volgde. De T29 was een experimentele zware tank waarvan de ontwikkeling in 1944 begon. De T29 zou krachtiger moeten zijn dan de M26 Pershing. De romp zag er ongeveer hetzelfde uit als die van de M26, maar was langer. De tank was bewapend met een 105mm T5 kanon. De Generale Staf autoriseerde productie van het voertuig in februari 1945 om te vechten tegen Japanse troepen. Japanse bunkers konden met behulp van de T29 uitgeschakeld worden. Army Ground Forces was echter tegen de tank omdat het voertuig (in hun ogen), veel te groot was. Slechts een klein aantal testmodellen werd gebouwd. Die modellen waren pas in 1947 voltooid. De T29 kreeg een bemanning van zes man. Munitie bedroeg 63 granaten voor het 105mm kanon. De T30 was een soortgelijk experimenteel project. De T30 kreeg een motor van 810pk met een 155mm T7 kanon (in plaats van een 105mm wapen). Het kanon vuurde tweedelige munitie af. De T30 had een munitievoorraad van 34 granaten. De tank werd nooit ingezet aan oorlogsfronten. De T34 had een 120mm T53 kanon. Een T29 testmodel en een T30 testmodel werden uitgerust met een 120mm kanon. De tanks werden vervolgens 'Heavy Tank T34' genoemd. In april 1945 werd goedkeuring verleend door de Amerikaanse legertop, maar de testmodellen werden pas in 1947 afgeleverd. Van massaproductie was geen sprake. Feit is dat de T34 inspiratiebron was voor de latere Amerikaanse M103 tank. Wat betreft pantser en bewapening waren de genoemde experimentele zware tanks equivalent aan de Sovjet IS-2 (zware tank IS-serie) en de zware Duitse Tiger II tank (PzKpfw VIb Königstiger).

De M26 Pershing vormde de basis voor de ontwikkeling van latere Amerikaanse tanks die eind jaren veertig, tijdens de jaren vijftig en later (1960) ontwikkeld werden zoals de M46 Patton, de M47 Patton, de M48 Patton en de M60 Patton. De M46 Patton deed dienst in de Koreaoorlog (1950-1953) en was een M26 Pershing-tank met een sterkere motor (810 pk) en een krachtiger kanon (90mm M3A1). De opvolger van de M46 was de M47 die weer opgevolgd werd door de M48 en de M60 tank (verschillende versies zijn ontwikkeld). Tegenwoordig heeft het Amerikaanse leger de plusminus zeventig ton wegende 'MBT' (Main Battle Tank) M1 Abrams in dienst. Een tank die in de jaren zeventig (1972-1979) ontworpen werd en in de jaren tachtig (1980) in gebruik werd genomen. De M1 Abrams is een van de meest krachtige tanks ter wereld met een 105mm (105mm L/52 M68) of 120mm (120 mm L/44 M256A1) kanon en een bepantsering van neokeramisch materiaal (verarmd uranium is tevens aangebracht) dat aan de voorkant van de tank equivalent is aan plusminus 350mm (350-700mm voorkant romp) tot 950mm staal (700-950mm voorkant koepel). De bepantsering is afhankelijk van het model (bijvoorbeeld M1, M1A1, M1A2). Op dit moment (2017) ontwikkelt het Amerikaanse leger een nieuwe en lichtere M1 Abrams tank, de M1A3.


M26 Pershing versus Panzerkampfwagen V 'Panther'

In 1945 vond een gevecht in Keulen plaats tussen de Amerikaanse M26 Pershing en de Duitse middelzware Panzerkampfwagen V 'Panther'-tank (PzKpfw V Panther). De Pershing raakte de Panther-tank verschillende keren en vernietigde het voertuig. Vaak worden op populairwetenschappelijke fora op internet de M26 Pershing en de Panzerkampfwagen V 'Panther' met elkaar vergeleken, met name omdat ze wat betreft bepantsering en bewapening vergelijkbaar waren. Wat betreft technische specificaties woog de Duitse Panther-tank ongeveer veertig tot vijfenveertig ton en was bewapend met een lang 75mm kanon (75mm KwK 42 L/70). Bepantsering bedroeg honderd tot honderdtwintig millimeter (100-120mm) aan de voorkant van de koepel (mantel), 80mm aan de voorkant van de romp, 40 tot 50mm aan de zijkant van de romp en 40mm aan de achterkant van de romp. Het Panther-kanon kon met standaardmunitie (Panzergranate 39/42/PzGr 39/42) ongeveer 185mm tot op een afstand van honderd meter en 116mm tot op een afstand van twee kilometer doorboren. De Pershing was ongeveer even zwaar gepantserd (76.2-114.3mm), maar had een groter kanon (90mm). Het 90mm kanon van de Pershing doorboorde ongeveer 188mm staal tot op een afstand van honderd meter en 96mm tot op een afstand van twee kilometer (T33/M77 munitie). Wat betreft mondingssnelheid bedroeg de granaatsnelheid van het Panther-kanon 925-935m/s en de granaatsnelheid van de Pershing 807-822m/s (de wellicht in kleine aantallen beschikbare M304 'APCR' granaat legde een snelheid van 1018-1021m/s af, vergeleken met de 1120m/s van de PzGr 40/42 wolfraamgranaat van de Panther-tank). Feit is dat het projectiel van de pantsergranaat van de Pershing zwaarder was (plusminus 11 kilogram), vergeleken met de standaard pantsergranaat (Panzergranate 39/42) van de Panther-tank (plusminus 6.8 kilogram).

Tankgevechten zijn altijd afhankelijk van de training van de tankbemanning en de specifieke situatie. Een getrainde tankbemanning kan een vijandelijke tank snel opmerken en vervolgens vernietigen. Zonder te letten op die factoren kan gesteld worden dat de Pershing, wat betreft techniek, goed opgewassen was tegen de Duitse Panther-tank.


Samenvatting en schematisch overzicht

Tussen 1900 en 1918 had Amerika geen eigen tanks. Na de Eerste Wereldoorlog kwam Amerikaanse tankontwikkeling op gang. De eerste Amerikaanse tank (M1917) was een nagenoeg rechtstreekse kopie van de succesvolle Franse FT-17 lichte tank. Andere experimentele voertuigen volgden. Bij de ontwikkeling van Amerikaanse tanks was snelheid en manoeuvreerbaarheid belangrijk: dat was één van de eisen. Tanks moesten infanterie ondersteunen, zo was de idee van veel leidinggevende militairen in Amerika. Daarom werd gefocust bij tankproductie op lichte en middelzware tankmodellen. Die modellen hadden als voordeel dat ze relatief snel en goedkoop geproduceerd konden worden door (auto)fabrikanten. Zware tanks waren veel duurder om te produceren en bruggen konden vaak het gewicht van die tanks niet aan.

Lichte tanks zoals de M2, M3 Stuart, M5 en M24 Chaffee, hadden als voordeel dat ze snel en wendbaar waren. Echter, bepantsering en bewapening waren vaak relatief zwak (10-30mm). De meeste lichte Amerikaanse tanks waren uitgerust met 37mm kanonnen (alleen de M24 Chaffee had een 75mm M6 kanon). Middelzware tanks waren geschikter om het op te nemen tegen vijandelijke tanks omdat ze vaak krachtiger bewapend en beter gepantserd waren. Daarom verschoof bij de Amerikaanse legertop langzaam de focus bij tankconstructie op middelzware tanks die snelheid en kracht combineerden. Middelzware tanks zoals de M3 Lee en de M4 Sherman waren geschikte voertuigen omdat ze geproduceerd konden worden door autofabrikanten. Daarnaast waren ze relatief goedkoop om te produceren, vergeleken met de productie van zwaardere voertuigen. De eerste succesvolle Amerikaanse middelzware tank was de M2. Een relatief licht gepantserd voertuig met meerdere machinegeweren. De idee van verschillende wapensystemen zien we terug bij de M3 Lee. Tijdens de eerste gevechtsacties van de M3 werd duidelijk dat Duitse tanks met het 'drietraps' wapensysteem vernietigd konden worden. Toch bracht het in een kazemat gemonteerde 75mm kanon grote problemen met zich mee. De M4 loste dat probleem op door het 75mm kanon in een nieuwe koepel te dragen.

Lettende op productie-eenvoud, betrouwbaarheid, snelheid en kosten, besloot de Amerikaanse legertop dat de M4 Sherman de standaardtank van de Verenigde Staten moest worden. De romp van de tank was in staat zwaardere bewapening (76mm kanon) en bepantsering te dragen. Aan alle oorlogsfronten werd de M4 ingezet. Daarbij toonde het voertuig aan dat het in staat was alle Duitse lichte en middelzware tanks te vernietigen. In Azië had de M4 geen enkele moeite om Japanse tanks uit te schakelen. Vanaf de introductie van de Tiger en Panther-tanks kwam de M4 in de problemen. De Tiger was in staat de tank tot op lange afstand uit te schakelen waarbij het korte 75mm kanon van de Sherman vrijwel nutteloos was tegen het frontale (100mm) Tiger-pantser. Nieuwe Sherman-modellen waren in staat de Tiger uit te schakelen (M4A3E8). Toch bleven die tanks kwetsbaar voor het 88mm kanon van de Tiger gezien hun bepantsering (50 tot 88.9mm). De introductie van de nog zwaardere Duitse Tiger II tank en Amerikaanse frontervaringen in en rondom de Ardennen in 1944, zorgden voor een bewustwording dat het Amerikaanse leger toe was aan een nieuwe (zware) tank. Oude zware tanks (M6) waren afgekeurd op grond van hun specificaties en gewicht. Echter, de situatie was zo dringend dat het concept van de zware tank weer werd opgepakt. Daarom werd besloten de T26E1 tank te ontwikkelen: een tank die de productie als 'T26E3' in zou gaan. Die M26 Pershing tank was in feite een middelzware tank gezien het gewicht (plusminus 40 tot 45 ton). De bewapening zorgde er echter voor dat het model in staat was alle Duitse tanks, inclusief de zware Tiger II, te vernietigen. De M26 presteerde goed en werd ook nog na de oorlog in Noord-Korea ingezet tegen Noord-Koreanen uitgerust met Sovjet T-34 tanks (met name de middelzware T-34-85 tank).

In de laatste oorlogsjaren werden in Amerika ook nog experimentele zware tanks ontwikkeld (prototypes). Daarbij gaat het om de T32, T29, T30 en T34. Genoemde tanks waren zeer krachtig bewapend (90, 105, 120 of 155mm kanon) en goed gepantserd (100 tot 200mm). Die tanks waren echter groot en zwaar. Enkele hooggeplaatste militairen van Army Ground Forces waren tegen de tanks omdat ze veel te groot en te zwaar waren. Daarnaast waren de tanks duur om te produceren. Toch werd met die tanks ervaring opgedaan wat betreft tankontwerp en bewapening.

Geconcludeerd kan worden dat de Verenigde Staten de tankoorlog tegen de asmogendheden wonnen door de inzet van de middelzware M4 Sherman. Niet door de laat ingezette, krachtige M26 Pershing of andere, in relatief (kleine) aantallen geproduceerde tanks. De overvloed van Sherman-tanks was nagenoeg niet te stoppen. Duitse tanks waren weliswaar vaak kwalitatief beter ('Panther', 'Tiger'), maar waren duur, verbruikten vaak veel brandstof, waren zwaar (belasting bruggen), en werden niet in genoeg aantallen geproduceerd om de Sherman tegen te houden. Veertig tot vijftigduizend M4 Sherman tanks tegen plusminus duizend Tiger (1347 tot 1354) en plusminus zesduizend Panther tanks, dat zijn de vergelijkende productiestatistieken. Net als de Sovjet T-34 tank blonk Amerika uit in massaproductie. Bestaande (auto)fabrieken konden duizenden Amerikaanse tanks en andere pantservoertuigen produceren. In totaal produceerde Amerika tussen 1940 en 1945 ongeveer 88.410 tanks. Iets waarvan Hitler-Duitsland, Italië en Japan alleen maar konden dromen.

Gemotoriseerd geschut en tankjagers niet meegerekend

lichte tanksmiddelzware tankszware tanks
M2 lichte tank - 37 mm kanonM2 middelzware tank - 37mm kanon M6 zware tank - 76mm en 37mm kanon
M3 lichte tank - 37mm kanonM3 middelzware tank - 75mm en 37mm kanon M26 zware tank - 90mm kanon
M5 lichte tank - 37mm kanonM4 middelzware tank - 75 of 76mm kanon
M24 lichte tank - 75mm kanon

Zie ook: overzicht Amerikaanse tanks


Experimentele modellen

Naast de genoemde zware tanks ontwikkelde Amerika enkele zware prototypetanks. Voorbeelden zijn de T32, T29, T30 en T34. De T32 was een verbeterde M26 Pershing tank met sterker pantser en betere bewapening. Frontaal pantser bedroeg 125mm aan de voorkant van de romp en 200mm aan de voorkant van de koepel. Het verbeterde T15E1 90mm kanon was gemonteerd en de motor had een vermogen van 750pk. Een aantal pilot models werden gebouwd. Geen productieorder volgde. De T29 was een experimentele zware tank waarvan de ontwikkeling in 1944 begon. De T29 zou krachtiger moeten zijn dan de M26 Pershing. De romp zag er ongeveer hetzelfde uit als die van de M26, maar was langer. De tank was bewapend met een 105mm T5 kanon. De Generale Staf autoriseerde productie van het voertuig in februari 1945 om te vechten tegen Japanse troepen. Japanse bunkers en grotten konden met behulp van de T29 uitgeschakeld worden. Army Ground Forces was echter tegen de tank omdat het voertuig (in hun ogen), veel te groot was. Slechts een klein aantal testmodellen werden gebouwd. Die modellen waren pas in 1947 voltooid. De T29 zou een bemanning van zes man krijgen. Munitie bedroeg 63 granaten voor het 105mm kanon. De T30 was een soortgelijk experimenteel project. De T30 zou een motor van 810pk krijgen met een 155mm T7 kanon (in plaats van een 105mm wapen). Het kanon vuurde tweedelige munitie. De T30 had een munitievoorraad van 34 granaten. De tank werd nooit ingezet aan oorlogsfronten. De T34 had een 120mm T53 kanon. Een T29 testmodel en een T30 testmodel werd uitgerust met een 120mm kanon. De tank werd vervolgens 'Heavy Tank T34' genoemd. In april 1945 werd goedkeuring verleend door de Amerikaanse legertop, maar de testmodellen werden pas in 1947 afgeleverd. Van massaproductie was geen sprake.

Bronnen

Boeken