Bonhoeffer, Dietrich

Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

Inleiding

Op 5 april 1943 werd Dietrich Bonhoeffer gearresteerd en opgesloten in het huis van bewaring van de Wehrmacht in Berlijn-Tegel. De Gestapo voerde als beschuldiging aan: 'Het onttrekken aan de dienstplicht en hulp verlenen bij het vluchten van Joden'. De reizen naar het buitenland, die Bonhoeffer ondernomen heeft, stonden nog slechts onder verdenking. Wie was deze dominee?

Jeugd en studie

Dietrich zag het levenslicht op 4 Februari in 1906 samen met zijn tweelingzus Sabine. Ze waren het zesde en zevende kind in het gezin Bonhoeffer, dat uiteindelijk acht kinderen zou hebben. In huize Bonhoeffer, een aristocratische en professoren familie, heerste een warme familieband. Dietrich groeide op ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die alleen al aan Duitse zijde circa 2 miljoen levens kostte. Ook de familie Bonhoeffer ontkwam niet aan verliezen, drie neven en Dietrichs broer Walter sneuvelden in de oorlog. Dietrich Bonhoeffer wist al op jonge leeftijd dat hij predikant wilde worden. Een keuze die zijn broers en zusters maar eigenaardig vonden, ze hadden niet veel op met de kerk. Zijn moeder daarentegen begreep haar zoon wel, haar vader was eveneens predikant. Zij was ook degene, die aan de jonge Dietrich, bij zijn belijdenis, de Lutherbijbel van zijn in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde broer gaf. Die Bijbel zou hij altijd bij zich houden.

Door die droevige verliezen in de familie ontstond bij Dietrich de vraag naar de bron van het leven. De situatie na de oorlog was voor Duitsland uitzichtloos en het land verkeerde op de rand van een burgeroorlog. In 1924 begon Bonhoeffer zijn theologiestudie aan de universiteit van Tübingen, maar daarmee was de theoloog in spe nog geen christen in hart en nieren. Dat besef kwam pas later. Samen met zijn broer Klaus , die net was afgestudeerd als jurist, maakte hij in datzelfde jaar, van april tot juni, een studiereis naar Rome en raakte daar onder de indruk van de liturgie.

In 1927 rondde hij een dissertatie af over de sociale betekenis van de kerk als samenleving. Daarna ging hij op verzoek naar Barcelona, waar hij in het bijzonder belangstelling koesterde voor de kinderdienst en het jeugdwerk. In 1929, al op de leeftijd van 23 jaar, Bonhoeffer was reeds gepromoveerd tot doctor in de godgeleerdheid, ontving hij de bevoegdheid om aan de universiteit te doceren. Doch Bonhoeffer bleef zijn roeping tot het predikantschap voelen, wat echter gezien zijn jonge leeftijd nog niet bereikbaar voor hem was.

Amerika

In 1930 ging hij naar Amerika, voor een studiereis, waar hij de Franse pastor Jean Lassette leerde kennen. Via hem ontdekte Dietrich de Bergrede, de rede die Jezus hield op een berg in Galilea, beschreven in de hoofdstukken 5, 6 en 7 van het Matteüsevangelie. Hij las uiteraard de Bijbel wel, maar nu pas drong de betekenis van die woorden tot hem door wat zijn geloofsbeleving intensiveerde. Dietrich Bonhoeffer werd nu ook in zijn beleving een echt christen. Hierdoor ontstond bij hem het begin van het thema 'Navolging' dat pas in 1937 zou leiden tot het boek met dezelfde titel, maar de ommekeer was al merkbaar. In Amerika kwam hij ook in aanraking met de daar heersende rassenhaat. Gedurende een half jaar woonde Dietrich de zondagsdienst in een Afro-Amerikaanse kerk in de wijk Harlem bij en dat heeft diepe indruk op hem gemaakt. In 1931 keerde hij terug naar Duitsland en ging les geven. Zijn vaderland stond toen al op de rand van chaos. Een jaar later hield Bonhoeffer een voordracht waarbij hij opriep tot pacifisme: 'Aan de christen is iedere krijgsdienst en iedere voorbereiding tot de oorlog verboden'. Die pacifistische gedachtegang was mede ontstaan onder invloed van Ghandi voor wie Bonhoeffer grote bewondering had. Hoewel hij het erg graag wilde, is er van een ontmoeting tussen beide mannen nooit iets gekomen.

Aanloop naar WO2

Toen Adolf Hitler eind januari 1933 Rijkskanselier werd, voelde de gehele familie Bonhoeffer al aan dat het oorlog zou worden. De volgende dag hield Dietrich een radiotoespraak over het thema: 'De Führer en de jonge generatie'. De toespraak werd echter voortijdig uit de ether gehaald. Een paar maanden later volgde de oproep om niet te kopen bij Joden. Julia Bonhoeffer, Dietrichs grootmoeder, weigerde aan dit bevel te gehoorzamen en ze deed gewoon haar boodschappen in de winkel, waar ze altijd gewend was te kopen. De familie Bonhoeffer kon ook moeilijk gehoor geven aan de nieuwe wetten, waarbij Joden uitgesloten werden van de samenleving. Voor die zware keuze werd Dietrich gesteld toen de schoonvader van zijn tweelingzus Sabine in april was overleden en aan Dietrich gevraagd werd om de begrafenis te verzorgen. De man van Dietrichs tweelingzus Sabine was Joods, al bezocht hij de synagoge nauwelijks. Bonhoeffer werd nu voor de eerste maal duidelijk geconfronteerd met de vraag: 'pleeg ik verzet of niet?' Het feit dat Sabines kinderen allen christelijk gedoopt waren, kon er geen verandering in brengen dat Dietrich in overtreding was als hij de begrafenis zou leiden. Een oude kerkelijke bepaling verbood ook nog eens het leiden van begrafenissen van ongedoopte mensen. Een bepaling die een extra lading kreeg vanwege de opkomst van het nationaalsocialisme. Dietrich was zonder meer fel tegenstander van de Jodenvervolging, maar hij durfde het verzoek van zijn tweelingzus niet zomaar in te willigen. Uiteindelijk pleegde hij alsnog overleg met de kerkelijke autoriteiten, die hem ten stelligste afraadden om aan het verzoek te voldoen, gezien het ongunstige politieke klimaat. In de hoogste regionen van de kerk heerste vanaf het prille begin angst, waardoor men vermeed om zich te verzetten tegen de maatregelen van Hitler. Bonhoeffer gehoorzaamde aan zijn superieuren, maar na afloop van de dienst kreeg hij er toch spijt van, dat zijn angst in deze situatie sterker was geweest dan zijn geloof.

Maar er bevonden zich meer Joden in Dietrichs omgeving, zoals zijn goede vriend en vertrouweling Franz Hildebrandt, naast Joodse assistenten van zijn vader, een psychiater en hoogleraar neurologie. De vervolging van de Joden in Duitsland vormde voor Bonhoeffer dan ook de belangrijkste drijfveer voor het politieke verzet.

De Belijdende Kerk

Als gevolg van de Neurenberger wetten werd ook de 'Ariërparagraaf' van kracht. Deze paragraaf hield in dat er geen mensen van het ‘onzuivere ras’ op de kansel mochten staan. Joodse christenen werden voortaan uitgesloten van deelname aan de kerkelijke gemeenschap. Bonhoeffer stelde dat de kerk de verantwoordelijkheid had om te spreken en de staat te herinneren aan de grenzen van haar autoriteit. De kerk zag zichzelf niet als voorvechter van het Jodendom. Men was van mening dat zaken, die onder de overheid vielen, geen inmenging behoorde te hebben van de kerk. Voor Bonhoeffer was een dergelijke conclusie schokkend. Hij verzette zich hiertegen, doch in eerste instantie ondervond hij geen bijval. Hij vertrok daarop naar Londen toen hij hiervoor de kans kreeg aangeboden, om aldaar twee Duitse kerkgemeenten te leiden. Daar kwam hij in contact met de Duitse ambassadeur, Theodor Lang, die Bonhoeffer behulpzaam was bij de acties voor Joodse vluchtelingen. Ook zijn contacten met bisschop George Bell werden intensiever. Ondertussen pleitte Dietrich voor een pacifistisch verzet. Hij vond dat Christenen nooit de wapens op elkaar mochten richten. Een houding, die hem nooit vergeven zou worden. Hij raakte zijn leerbevoegdheid aan de universiteit van Berlijn kwijt.

In 1935 kwam de definitieve afsplitsing van de Deutsche Evangelische Kirche, die in 1933 onder dwang ontstaan was uit de fusie van de protestantse kerken, tot stand. In september werd de Belijdende Kerk ('Bekennende Kirche') opgericht en om eigen predikanten op te leiden werd Bonhoeffer gevraagd om een seminarie op te richten. Bonhoeffer stemde toe. In de nieuwe opleiding wilde hij zijn overtuiging dat persoonlijke overgave aan en het volgen van Christus een onmisbare voorwaarde was voor een theoloog en predikant, terug zien. Volgens Dietrich was de kerk pas kerk als zij er was voor anderen. Al snel werd een plek hiervoor gevonden: Finkenwalde. Hier realiseerde Bonhoeffer iets wat eigenlijk niet denkbaar was binnen het protestantisme: 'Een poging de evangelische communiteit, die hij in de kerk miste, te herstellen'. Hij creëerde een gemeenschapsleven met vaste dagindeling met gebed en meditatie, gesprekken en vrije persoonlijke biecht. Het verwijt ontstond dat hij teveel neigde naar het katholieke begrip van een kloostergemeenschap. Doch dit was geenszins zijn bedoeling. Hij wilde dat aanstaande predikanten in een echt christelijke zin deelnamen aan het volle leven en hiervoor was onderlinge steun, broederschap, bemoediging en het verscherpen van elkanders geest nodig. Via dit seminarie kwam ook het eerste contact tot stand tussen Dietrich en Maria von Wedemeyer, zijn latere verloofde. In september datzelfde jaar werd er een synode gehouden. Tijdens die vergadering werd er door de Belijdende Kerk geen uitspraak gedaan over de niet-kerkelijke Joden. Ze stelde een uitspraak hierover uit tot nader orde. Bonhoeffer betreurde dit ten zeerste en dat zou uiteindelijk leiden tot het boek 'Navolging'.

De Belijdende Kerk zweeg ook over de uitbarsting van geweld tegen de Joden tijdens de nacht van 9 november 1938. De nacht die de geschiedenis in zou gaan als de 'Kristallnacht'. Tijdens die bewuste nacht van 9 november 1938 werden door de Nazi’s grof geweld gebruikt tegen de Joden. Winkelruiten werden kapotgeslagen en synagogen in de brand gestoken. De kerk aanvaarde die gebeurtenis, ze was geen voorvechter van het Jodendom, doch Bonhoeffer verwierp het. 'Een verstoting van de Joden uit het Avondland moet tot de verstoting van Christus leiden, want Jezus Christus was een Jood'. Zo stelde hij in zijn werk 'Ethiek'. Bonhoeffer wilde nog steeds de navolger blijven, immers 'het leven van Christus is op deze aarde nog niet ten einde gekomen. Christus leeft verder in het leven van zijn volgelingen', was zijn motto dat hij ook neerschreef in zijn werk 'Navolging'. Maar deze instelling leidde er wel toe dat hij geleidelijk meer afstand nam van de Belijdende Kerk, omdat deze kerk steeds minder de zijne werd. Er werd nog wel gewerkt aan een memorandum, onder meer door Hildebrandt, die ook overleg pleegde met Bonhoeffer hierover. Dit stuk refereerde aan het antisemitisme en de Jodenhaat en vermeldde ook het bestaan van de concentratiekampen. Doch Hitler bleef zwijgen en ook de leiding van de Belijdende Kerk liet het erbij zitten.

Twee leerlingen van Bonhoeffer besloten toen om het memorandum te laten publiceren vanuit het buitenland. Enige tijd daarna werden ze gearresteerd. In 1937 zouden er al 27 studenten van Bonhoeffer voor korte of langere tijd vast gezet worden. Hildebrandt wist met behulp van Dietrich te ontkomen naar Engeland. Maar Finkenwalde werd gesloten als gevolg van die arrestaties. Toch wist Dietrich nog een tijd door te gaan met zijn onderricht, zij het op veel kleinere schaal. Ook verspreidde hij de groepen over een wat groter gebied, zodat het minder opviel dat hij onderricht gaf. Op 20 april 1938 werd door de protestantse kerk verplicht om de eed van trouw af te leggen aan de Führer voor alle actieve predikanten. Aangezien Bonhoeffer niet meer actief predikte, ontkwam hij aan die eed. Doch een nieuwe dreiging wachtte Dietrich Bonhoeffer.

Verzet

In 1939 werd hij opgeroepen voor militaire dienst, maar de vraag was of de Belijdende Kerk achter hem zou blijven staan, wanneer hij dienst weigerde? Toen er een uitnodiging arriveerde om les te gaan geven aan de universiteiten in Amerika, nam Bonhoeffer deze uitnodiging dankbaar aan. Ondertussen was, dankzij de bemiddeling van zijn vader, het keuringsbevel ingetrokken. Daardoor kreeg Dietrich de benodigde papieren om af te reizen. Echter al snel kwam Dietrich in conflict met zichzelf. Hij vroeg zich af, waar hij thuishoorde, nu er in zijn vaderland zoveel ellende gaande was. De jonge vicarissen, die hij opgeleid had, moesten blijven, terwijl hij vluchtte. De spreuk van de profeet Jesaja hielp hem bij het nemen van een beslissing. 'Hij die gelooft, haast niet'.(Jes.28:16). Dietrich besefte dat hij geen recht zou hebben om mee te werken aan het herstel van het christelijk leven in Duitsland na de oorlog, als hij niet de beproevingen met zijn volk gedeeld had. Hij aanvaarde de risico’s, die hij kon lopen en keerde na vijf weken terug naar zijn vaderland. In het jaar daarop werd de opleiding van de jonge theologen in Finkenwalde voorgoed verboden door de Gestapo en ook kreeg Bonhoeffer een spreekverbod opgelegd. Hij richtte zich vanaf dat moment op zijn werk: 'Ethiek', dit mede in opdracht van zijn kerk. Maar lang zou hij niet op de achtergrond blijven.

De moeilijkste beslissing aangaande wel of niet in verzet gaan, kwam voor Bonhoeffer op het moment dat hij deelgenoot was aan een gesprek tussen Hans Oster en zijn zwager Hans von Dohnanyi (beide werkzaam voor de Abwehr). Daarin werd geopperd dat Hitler niet alleen afgezet moest worden, maar desnoods omgebracht. In eerste instantie schrok Bonhoeffer van deze uitspraak. Hij was immers getuige van deze opmerking en daarmee medeplichtig. Toch stemde hij uiteindelijk in met het plan. Hij zou later zijn besluit als volgt motiveren:'Als een razend geworden man in woeste vaart met zijn auto door een drukke straat rijdt, dan moet ik als predikant niet alleen de doden begraven en de familie troosten, maar ik moet ook proberen de bestuurder te laten stoppen'.

Hij ging werken voor de Abwehr, die onder leiding stond van Admiral Wilhelm Canaris, een dienst voor contraspionage. Zijn opdracht luidde: 'via de kerken nieuwe contacten leggen met de geallieerden'. Daarvoor reisde hij verschillende malen naar Zwitserland, vanwaar hij de contacten probeerde uit te breiden via bisschop Bell en Willem Visser ’t Hooft van de Wereldraad van Kerken.
Maar Bonhoeffer deed meer. Vanaf 19 September 1941 werd de verordening van kracht dat alle Joden een gele ster moesten dragen. Bonhoeffer verzamelde berichten over de Jodentransporten om deze vervolgens door te spelen naar de militairen, die bezig waren met een samenzwering tegen Hitler. Tegelijkertijd ging 'Unternehmen 7' van start. Een project onder leiding van Admiral Wilhelm Canaris, dat tot doel had om een groep, bestaande uit 7 Joden, vermomd als agenten van de Duitse contraspionage naar Zwitserland te smokkelen. De groep groeide uiteindelijk uit tot vijftien Joden. Bonhoeffer was daar nauw bij betrokken samen met Friedrich Justus Perels, de juridische adviseur van de Belijdende Kerk. 'Wij zijn Christus niet, maar we willen wel christenen zijn. Dat houdt in, dat we open van hart moeten worden als Christus door op het gewenste ogenblik in te grijpen en ons bloot te stellen aan gevaar. Passief afwachten en gevoelloos toekijken zijn geen christelijke houdingen (in zijn boek 'Verzet en Overgave')'. Bonhoeffer verklaarde zich solidair met alle Joden, niet alleen met hen die christelijk gedoopt waren.

In 1942 ging Dietrich opnieuw op reis, ditmaal was de bestemming Noorwegen en hij ondernam die reis samen met Helmuth graaf von Moltke de leider van de 'Kreisauer Kring'. Ook daar stimuleerde Bonhoeffer de Noorse Lutheranen om door te gaan met hun kerkelijke verzet. Maar ook ging hij in dat jaar voor de derde keer naar Zwitserland, daar bereikte hem onverwachts het bericht dat bisschop Bell Zweden zou gaan bezoeken. Dus wijzigde het doel van zijn reis, Dietrich ging naar Zweden. Deze opdracht was afkomstig van generaal-overste Ludwig Beck, Hans Oster en Hans von Dohnanyi. Ze wilden dat Bonhoeffer via de bisschop de Engelse regering ging verzoeken om in geval van de geplande couppleging, de nieuwe Duitse regering de kans te geven om het land eerst te zuiveren. Bonhoeffer kreeg hiervoor toestemming om aan bisschop Bell de namen te geven van allen, die bij dit plan betrokken zouden zijn, Het zou een vergeefse onderneming zijn. In zijn privéleven ging het Bonhoeffer iets beter, er vond opnieuw een ontmoeting plaats met Maria von Wedemeyer. In 1943 zouden zij zich verloven. Maar voor het zover was, geraakte eerst de 'Abwehr' in een crisis.

Gevangenneming en veroordeling

Dietrich Bonhoeffer was nieuwe reizen aan het voorbereiden toen de crisis uitbrak. Er waren onregelmatigheden ontdekt met deviezen en er vonden arrestaties plaats. De namen van Dohnanyi en Bonhoeffer werden genoemd, waarbij tevens vermeld werd dat laatstgenoemde 'onmisbaar' was. Dat wekte argwaan. Een predikant die onmisbaar zou zijn voor een militaire organisatie, wat de Abwehr toch was. Op 5 april 1943 werd Bonhoeffer gearresteerd, evenals Hans von Dohnanyi en zijn vrouw Christine, een zuster van Bonhoeffer, maar ook dr. Josef Müller en zijn vrouw Maria. Müller vormde de verbinding tussen de Abwehr en het Vaticaan. In eerste instantie werd Dietrich Bonhoeffer beschuldigd van onttrekking aan de dienstplicht, zoals geformuleerd was in § 5 hoofdstuk 1 lid 3 speciale verordening oorlogsstrafrecht, § 74 Rijkswetboek van strafrecht.

Dietrich werd naar de Tegel-gevangenis gebracht, waar het gevangenisleven zwaar viel voor de dominee. Het ontbrak hem aan zeep en schone kleding en hij kwam gedwongen in isolatie. Tegelijk werd hij gekweld door de vraag of hij de mishandelingen en de verhoren wel kon verdragen zonder zijn vrienden te verraden. Hij overwoog daarom of zelfmoord geen optie zou zijn. Uiteindelijk zou hij die gedachte laten varen, hij zag het als een beproeving, die hij moest doorstaan. Het onderzoek tegen hem richtte zich vooral op 'Unternehmen 7', zijn reizen en vrijstelling van de dienstplicht. Pas na de aanslag en staatsgreep van 20 juli 1944 door Claus Schenk Graf von Stauffenberg viel Bonhoeffer ook de aanklacht tot hoog- en landsverraad ten deel. Toen wist hij dat hij nooit meer vrij zou komen en legde zich neer bij zijn noodlot. Er bood zich nog een gelegenheid aan om te vluchten, doch toen Dietrich vernam dat zijn zwager Dohnanyi naar het kamp Sacksenhausen zou worden getransporteerd en dat ook zijn oudere broer Klaus alsmede zijn zwager Rüdiger Schleicher gevangen waren genomen, gaf hij dit plan op. Dietrich wilde niet dat zijn familie verder in de problemen zou komen, want arrestaties als gevolg van zijn vlucht zouden onvermijdelijk zijn geweest. In plaats daarvan probeerde Bonhoeffer, die inmiddels wat meer bewegingsvrijheid had gekregen, de last van de andere gevangenen te verminderen door aandacht aan hen te besteden in de vorm van gesprekken en geestelijke zorg. Zijn leidraad bleef de Bergrede uit het Nieuwe Testament, zo ook tijdens zijn gevangenschap in Tegel. Bonhoeffer vond dat men het leven moest waarderen als een schepping van God. Voor hem speelde dan ook niet de vraag: 'Hoe verlaat ik als held het toneel?', maar: 'Hoe zal de volgende generatie verder leven'. 'Alleen vanuit die vraag, gesteld vanuit verantwoordelijkheid tegenover de geschiedenis, kunnen oplossingen ontstaan die vruchtbaar zijn, al zullen ze aanvankelijk weinig stroken met ons eergevoel', schreef Bonhoeffer (in 'Verzet en Overgave'). Het christelijke geloof leidde hem naar het verzet en schonk hem tevens de moed, die nodig was om werkelijk in het verzet te gaan en op het einde bood ze hem ook de berusting om zijn lot te ondergaan. Zo bleef hij tot aan zijn dood trouw aan zijn leidraad: 'een navolger van Christus te zijn'.

In februari 1945 werd hij overgebracht naar kamp Buchenwald en van daar naar Flossenbürg, alwaar hij berecht werd. In de vroege ochtend van 9 april vond, door middel van ophanging, de voltrekking van het vonnis voor politiek hoogverraad plaats. Met Bonhoeffer werden ook Hans Oster en Wilhelm Canaris en nog vier anderen omgebracht.

Na zijn dood

Toch was het niet zo dat Bonhoeffer onmiddellijk na zijn dood vereerd werd als verzetsheld. Zeker niet door de kerk. Zij stelde dat de kerk nooit een aanslag als die van de 20ste juli kon goedkeuren met welke bedoeling deze ook gepleegd kon zijn. De aanslag betrof een politieke kwestie en die kon niet religieus-ethisch gerechtvaardigd worden. Ook het 'Gedenkboek voor de bloedgetuigen van de Bekennende Kirche', dat in opdracht van de Broederraad van de Lutherse Kerk in Duitsland was samengesteld, verklaarde eveneens dat er een onderscheid gold: 'Er waren leden die verzet boden op politieke gronden en er waren christelijke martelaren, die uitsluitend om de belijdenis van de kerk verzet boden'. Als op 6 april 1953 in de kerk van Flossenbürg een onthulling plaatsvindt van een gedenkplaat ter ere van Dietrich Bonhoeffer, weigerde de Beierse landsbisschop in dat kader dan ook om daarbij aanwezig te zijn. Het ging volgens hem om een politieke martelaar en niet om een christelijke martelaar. Daarbij kwam nog de verkiezingstoespraak van Remer die plaats had in 1951.

Otto Ernst Remer had een bijdrage geleverd als commandant van het wachtbataljon in Berlijn. Op het cruciale moment had hij de aanslag van 20 juli laten mislukken door de kant te kiezen van de nazi’s en vervolgens ging hij over tot arrestaties in het 'Bendlerblock'. Na de oorlog zette Remer zich in voor de Socialistische Rijkspartij, als opvolger van de NSDAP. Tijdens een verkiezingstoespraak verklaarde hij: "Deze samenzweerders zijn deels in hoge mate landverraders geweest, die door het buitenland betaald werden. De tijd zal komen waarin men vol schaamte verzwijgt behoord te hebben tot de 20ste juli"

Dit ging de toenmalige minister van binnenlandse zaken te ver en er werd aangifte gedaan wegens smaad en belediging ter nagedachtenis van overledenen. Er werden adviezen ingewonnen door twee Lutherse theologen, Iwand en Wolf. Zij kwamen tot de slotsom: 'Men zal de mannen van de 20ste juli vanuit de Lutherse geloofsopvatting hooguit het verwijt kunnen maken dat ze te laat hebben ingegrepen'. Dit werd het keerpunt voor het respect dat thans geldt voor Dietrich Bonhoeffer.


Bronnen

Boeken


Versie: 2-3-2018 Artikel door: Annabel Junge

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/4966/Bonhoeffer-Dietrich.htm