Klingelhöfer, Woldemar

Van Moskou naar Kassel

Inleiding

Van 15 september 1947 tot 10 april 1948 stonden in Neurenberg 24 mannen terecht voor de misdaden die zij als leiders van de Einsatzgruppen hadden gepleegd. Deze eenheden van de SS hadden vanaf 1941 aan het Oostfront op grote schaal massa-executies uitgevoerd. Hun slachtoffers waren ‘vijanden’ van het Rijk, in het bijzonder Joden, zowel volwassen mannen als vrouwen en kinderen. Onder de aangeklaagden in Neurenberg waren verschillende opleidingsniveaus en beroepsgroepen vertegenwoordigd. De meerderheid had een juridische opleiding genoten, maar onder hen waren ook een tandarts, een architect en een koelkastverkoper. De meest opvallende beroepsachtergrond was die van Woldemar Klingelhöfer. Hij had voor de oorlog gewerkt als operazanger. In dit artikel wordt geprobeerd een verklaring te vinden voor zijn opmerkelijke levenspad, dat hem van de concertzaal bracht naar de ‘killing fields’ van het Oostfront.

Jeugdjaren

Toen Woldemar Karl Julius Nikolai Klingelhöfer op 4 april 1900 in Moskou geboren werd, was tsaar Nicolaas II nog aan de macht in Rusland. In de toekomstige hoofdstad maakte het gezin Klingelhöfer onderdeel uit van de Duitse gemeenschap. Woldemar was één van de drie kinderen van begraafplaatsdirecteur Hans Klingelhöfer en zijn echtgenote Toni Klingelhöfer Tölke. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht Rusland mee aan de zijde van de geallieerden en in 1915 werd de familie Klingelhöfer vanwege hun vijandelijke Duitse afkomst verbannen. Roerige jaren volgden voor Rusland. De Russische Revolutie leidde in 1917 tot de troonsafstand van de tsaar en de oprichting van de door de communisten bestuurde Sovjet-Unie in 1922. De Klingelhöfers keken vanuit Duitsland met lede ogen toe hoe het Rusland dat zij kenden voorgoed veranderde. In april 1915 had het gezin zich gevestigd in Kassel, waar Woldemar zijn middelbare schoolopleiding vervolgde. In Moskou had hij op het aan de Peter-und-Paul-Kirche verbonden Duitse gymnasium gezeten en in Kassel studeerde hij op het Wilhemsgymnasium waar hij in 1919 slaagde voor zijn eindexamen.

Klingelhöfers studie was kortstondig onderbroken door dienst in het Keizerlijke leger. Van 29 juni 1918 tot 7 december 1918 maakte hij in de rang van Pionier onderdeel uit van het Pionier Ersatz Bataillon 11. Hij was gestationeerd in Silezië en spendeerde de laatste oorlogsmaanden in een niet-gevechtsrol. De gruwelijke ervaringen van de soldaten in de loopgraven gingen aldus aan hem voorbij, maar de Duitse nederlaag van 11 november zal voor hem als nationalistische Duitser een schokkende ervaring zijn geweest. Zijn nationalistische inborst kwam na de oorlog naar voren door zijn aansluiting bij de Offiziers-Kompanie Kassel, een uit oud-militairen bestaande paramilitaire eenheid, die door de overheid in Kassel ingezet werd bij de bestrijding van communistische groeperingen in de tumultueuze jaren 1918-1920. Klingelhöfer was naar eigen zeggen in 1919 binnen dit Freikorps betrokken bij het neerslaan van stakingen en opstanden van communisten in de deelstaat Thüringen. Daarnaast was hij tot 1923 ook lid van de Jungdeutsche Orden, een op de Teutoonse ridderorde geïnspireerde paramilitaire jeugdbeweging. Van 5 juni tot 24 juli 1921 maakte hij verder onderdeel uit van het Selbstschutz-Bataillon Wolf, een eenheid van de bewapende burgerbescherming in Opper-Silezië. Voor zijn inzet binnen het bataljon werd hij onderscheiden met de Schlesischer Adler II. Klasse.

Operazanger en SS’er

Terwijl het Duitse politieke klimaat in de loop van de jaren 20 in rustiger vaarwater terecht kwam, wijdde Klingelhöfer zich aan een zangcarrière. Hij volgde zanglessen aan de hogeschool in Kassel en aansluitend in Berlijn. Om zijn studie te financieren werkte hij in 1924 driekwart jaar als leerling op een bank in Kassel. In 1924 en 1925 reisde hij met een gezelschap door het land als concertzanger. Daarna studeerde hij verder om in 1928 het staatsdiploma voor zangleraar te verkrijgen. Hoewel hij niet langer actief deelnam aan de politieke strijd, hield hij zich in 1929 en 1930 wel bezig met het in het Duits vertalen van een in het Russisch geschreven politiek boek, getiteld "Der Kampf der dunklen Mächte" (de strijd van donkere machten). Deze antisemitische publicatie was geschreven door de rechts-nationalistische Russische politicus Nikolai Yevgenyevich Markov, die lid was van de Staatsdoema en van 1910 tot 1917 leiding gaf aan de monarchistische, ultrarechtse politieke partij CPH (Unie van het Russische Volk). Het boek was een betoog over de "vijandelijkheden tegen de mensheid van het Jodendom, in het bijzonder in Rusland" van het jaar 0 tot 1917. Ook was het gekant tegen de vermeende ondermijnende invloed van de vrijmetselarij op de Russische samenleving. Na de Oktoberrevolutie van 1917 in zijn vaderland emigreerde Markov naar Duitsland, waar hij een supporter zou worden van de nazi’s en waar zijn door Klingelhöfer vertaalde boek in 1935 werd uitgegeven. Op 25 april 1945 overleed hij in Wiesbaden op 79-jarige leeftijd.

In 1929 verkreeg Klingelhöfer de Duitse nationaliteit. Van augustus 1932 tot januari 1933 was hij opnieuw als operazanger verbonden aan een reizend gezelschap. Op privévlak was hij inmiddels getrouwd met de op 14 oktober 1899 geboren Adele Reetze uit Koburg met wie hij vier kinderen zou krijgen: drie jongens en een meisje. Al deze persoonlijke gegevens – plus zijn lengte van 1,81 meter, schoenmaat 42½ en hoofdomvang van 56 cm – werden zorgvuldig genoteerd in zijn personeelsdossier van de SS. Al in de zomer van 1932 had hij zich bij de SS aangemeld, bij de SS-Sturm 7/I/35 in Kassel, maar zijn werk als reizend operazanger was ertussen gekomen. Na zijn terugkeer in Kassel in januari 1933 meldde hij zich opnieuw aan, waarna hij op 1 februari 1933 als SS-Anwärter (aspirant-lid) werd toegelaten tot de Allgemeine-SS met lidmaatschapsnummer 52.744. Met zijn "overwegend noordse" afkomst en "soldateske" persoonlijkheid voldeed hij aan de toelatingseisen. Op 30 november 1934 werd hij in betaalde dienst genomen. In hetzelfde jaar volgde overplaatsing naar Sturm 1/I/35. Eerder al, op 1 juni 1930, was hij lid geworden van de NSDAP met partijnummer 258.951. Naar eigen zeggen sloot hij zich aan bij de nazipartij om het bolsjewisme te bestrijden.

Bij de SD

Na een vaste dienstbetrekking als operazanger bij de staatsopera van Kassel in 1933 en 1934 moest Klingelhöfer, vanwege stemproblemen, zijn zangcarrière opgeven. Op aanraden van een vriend solliciteerde hij bij de Sicherheitsdienst (SD) in Kassel. Weliswaar had hij geen enkele ervaring met inlichtingenwerk en veiligheidszaken, maar met zijn hogere opleiding, kennis van de Russische taal en politieke overtuiging was hij een bruikbare kandidaat voor de organisatie, die zich na Hitlers machtsovername in januari 1933 onder andere bezighield met het vergaren van informatie over politieke tegenstanders in binnen- en buitenland. Begin 1935 werd hij aangenomen door de SD in Kassel. Vanwege "zijn vooropleiding en veelzijdige talent" was hij "in de meeste werkgebieden van de SD inzetbaar", aldus een notitie in zijn personeelsdossier. In lijn met het onderwerp van het door hem vertaalde boek zou hij tot 1 juni 1936 leiding geven aan de afdeling die zich bezighield met de vrijmetselarij en marxisme. "Hij heeft zich tijdens deze tijd tot één van de beste en betrouwbaarste medewerkers […] ontwikkeld," zo luidde zijn lovende beoordeling, "zodat de leider van het bureau hem in zijn afwezigheid als zijn plaatsvervanger kon aanwijzen."

Promotie voor Klingelhöfer volgde in de vorm van zijn benoeming tot chef van de afdeling II/2 in Kassel (Deutsche Lebensgebiete), die zich bezighield met binnenlandse aangelegenheden. "Hij leidde de afdeling met grote bedachtzaamheid, ervaring en kundigheid", aldus zijn beoordeling. "K. is een open, eerlijke en betrouwbare persoonlijkheid. Met zijn medewerkers onderhoudt hij een uitgesproken kameraadschappelijke verhouding." Wat betreft politieke kleur en wereldbeschouwing werd hij zonder meer betrouwbaar geacht. Een pluspunt voor de antireligieuze SS was dat hij uit de evangelische kerk was getreden, zoals hij op 17 juni 1937 doorgaf. Voortaan gaf hij aan niet tot een religie te behoren en noemde hij zich Gottglaubig, een eufemisme van de nazi’s voor personen die de kerk verlaten hadden. In 1938 werd vastgesteld dat hij geen "opvallende neigingen en zwakten" had, zoals alcoholisme, waardoor niets hem in de weg stond om carrière te maken. In 1937 werd hij benoemd tot leider van de afdeling III C (Kultur, cultuur). Overeenkomstig zijn carrièresprongen binnen de Kasselse SD werd hij van 1935 tot 1941 meermaals in rang bevorderd: van Unterscharführer op 15 februari 1935 tot Sturmbannführer op 3 januari 1941. Het enige minpunt dat Klingelhöfer meermaals moest uitleggen aan zijn superieuren was dat hij niet in het bezit was van het SA-Sportabzeichen. Het behalen van deze sportmedaille was voor hem niet mogelijk, omdat zijn arts hem na ernstige pleuritis alle sportieve beweging verboden had.


Tweede Wereldoorlog

Aan het Oostfront

Kort na het aanbreken van de Tweede Wereldoorlog op 1 september 1939 werd de Sicherheitsdienst opgenomen binnen het nieuw opgerichte Reichssicherheitshauptamt. Klingelhöfer was dus voortaan werkzaam voor dit zogenoemde RSHA. Hij had in Kassel tot mei 1941 de leiding over een afdeling van de SD, die zich bezighield met het peilen van de stemming van de lokale bevolking ten opzichte van de oorlog en de overheid en haar propaganda. Dit bevolkingsonderzoek was tijdens de oorlog één van de belangrijkste binnenlandse bezigheden van de SD en vormde een belangrijke informatiebron voor de nazileiding. Met dit werk moest Klingelhöfer stoppen toen het RSHA hem rekruteerde voor de Einsatzgruppen, speciale eenheden bestaande uit manschappen van verschillende SS-disciplines die bij de invasie van de Sovjet-Unie "veiligheidstaken" in het gebied direct achter het front zouden uitvoeren. Een belangrijke taak was het executeren van communistische leiders, partizanen, saboteurs en andere vijandelijke elementen. Aanvankelijk werden daartoe alleen mannelijke Joden gerekend, maar al na ongeveer acht weken werden hele Joodse gemeenschappen uitgeroeid door de vier Einsatzgruppen die elk toegewezen waren aan een apart deel van het front.

Klingelhöfer maakte deel uit van Einsatzgruppe B die van 22 juni tot eind oktober 1941 aangevoerd werd door SS-Brigadeführer und Generalmajor der Polizei Arthur Nebe. De eenheid opereerde in Wit-Rusland en de regio Smolensk en was ondergeschikt aan Heeresgruppe Mitte. Op 14 november 1941 werd aan Berlijn gerapporteerd dat op dat moment het totale aantal geregistreerde liquidaties door Einsatzgruppe B, 45.467 bedroeg. Klingelhöfer was aanvankelijk toegewezen als tolk aan het Sonderkommando 7b, één van de vijf subeenheden van Einsatzgruppe B. Nadat Nebe op 5 juli zijn hoofdkwartier voor een maand in Minsk vestigde, werd Klingelhöfer overgeplaatst naar Sonderkommando 7c, beter bekend als het Vorkommando Moskau. In augustus 1941 nam hij het bevel over de eenheid over ter vervanging van Franz Six. Deze eenheid had de opdracht Moskou en omgeving te zuiveren van Joden en andere "vijanden van het Rijk". Tot in Moskou is het Vorkommando echter nooit gekomen, want het op 2 oktober 1941 door het Duitse leger gelanceerde offensief op de Russische hoofdstad, operatie Tyfoon, faalde. Gedurende de tijd dat Klingelhöfer het bevel had over de eenheid liquideerde deze duizenden mensen, wat gerapporteerd werd in verslagen die naar het hoofdkwartier van de RSHA werden verzonden.

Het is niet bewezen dat Klingelhöfer persoonlijk het bevel gaf voor alle executies of dat hij hierbij altijd aanwezig was. Tijdens verhoren voorafgaande aan het naoorlogse proces tegen hem en andere leiders van de Einsatzgruppen gaf hij toe in elk geval kortstondig present geweest te zijn bij een executie in Mstsislaw in Wit-Rusland. Naar eigen zeggen had Nebe het bevel voor deze executie gegeven omdat de manschappen van de Einsatzgruppen behoefte hadden aan bontjassen en andere winterkleding, die van de geëxecuteerde Joden ontnomen werden. Naar eigen zeggen keek Klingelhöfer toe hoe tien Joden aan de rand van een massagraf doodgeschoten werden. Hij beweerde zelf hierbij verder niet betrokken te zijn geweest en schoof de schuld af op een collega, een SS-Hauptsturmführer van de Kriminalpolizei. Wel gaf hij toe dat hij dat najaar het bevel had gegeven voor de arrestatie van 200 Joden in het eveneens in Wit-Rusland gelegen Tatarsk. Hiervan liet hij 30 tot 50 mannen executeren omdat ze zonder toestemming het getto hadden verlaten en zich in het bos verenigd zouden hebben met partizanen. Ook drie vrouwen zouden vanwege contacten met partizanen geëxecuteerd zijn. Ze kregen uit mededogen een blinddoek om bij hun executie en werden apart begraven. De opdracht tot deze executie zou Klingelhöfer gekregen hebben van Nebe en was volgens hem noodzakelijk ter beveiliging van het gebied achter het front. Het was dit veiligheidsexcuus dat door de SS aan het Oostfront stelselmatig werd gebruikt ter rechtvaardiging van de moord op onschuldige burgers.

Als aanvoerder van een eenheid, die zich bezighield met de uitvoering van executies en de "pacificatie" van veroverde gebieden, leek Klingelhöfer met zijn beroep als operazanger een vreemde eend in de bijt. Ook veel andere leiders van de Einsatzgruppen hadden echter geen achtergrond binnen de politie of het leger. Het merendeel was hoger opgeleid en diverse beroepsgroepen waren vertegenwoordigd, hoewel juristen in de meerderheid waren. Het was dan ook niet Klingelhöfers zangcarrière waardoor hij gerekruteerd werd, maar zijn politieke betrouwbaarheid en staat van dienst binnen de SD in combinatie met zijn kennis van de Russische taal en cultuur. Etnische Duitsers (door de nazi’s Volksduitsers genoemd) zoals hij waren volgens een studie van socioloog Michael Mann oververtegenwoordigd onder de Holocaustdaders. Terwijl ze 1% uitmaakten van de totale Duitse bevolking, vormden ze 6% van de daders. Dat Klingelhöfer geboren was in Moskou en dat hij het boek van Markov had vertaald, speelde hem vermoedelijk in de kijker toen de leiders voor de Einsatzgruppen aangewezen werden. Zijn goede reputatie binnen de SD in Kassel deed de rest.

Overplaatsing naar Minsk

Na een korte vakantie werd Klingelhöfer op 20 december 1941 overgeplaatst naar het hoofdkwartier van Einsatzgruppe B in Smolensk. Hoewel het er niet naar uit zag dat een Duitse verovering van Moskou alsnog ophanden was, werkte hij hier aan de vertaling van buitgemaakte documenten in het kader van het Einsatzplan Moskau, een plan waarin uitgewerkt stond wat de taken van de SS zouden zijn bij de inname en het bestuur van Moskou. Het onrealistische plan kon verdwijnen in een dossierkast toen Klingelhöfer in september 1943 werd overgeplaatst naar het hoofdkwartier van de bevelhebber van de SD en Sicherheitspolizei in Minsk. Welke precieze werkzaamheden hij hier uitvoerde is niet bekend, maar in deze tijd deed zich iets voor dat een smet(je) vormde op Klingelhöfers verder zo schone blazoen binnen de SS. De kwestie had betrekking op de beschuldiging dat hij zich tijdens zijn tijd in Minsk op onrechtmatige wijze twee paar vrouwenschoenen had toegeëigend uit de opslag van de SD, een paar voor zijn vrouw en het andere voor de echtgenote van een collega. Nergens in de gerechtelijke documenten wordt opgemerkt van wie de schoenen oorspronkelijk waren geweest, maar het is aannemelijk dat de vroegere draagsters Joodse vrouwen waren, die geëxecuteerd waren.

Binnen een organisatie als de SS die zich op grote schaal schuldig maakte aan massamoord en plundering lijkt de onrechtmatige toe-eigening van twee paar schoenen een futiliteit. Alsof er gezien de erbarmelijke toestand aan het Duitse front in 1944 geen grotere zorgen waren. SS-leider Heinrich Himmler tilde echter zwaar aan de betrouwbaarheid van zijn manschappen, ook al was corruptie schering en inslag binnen zijn organisatie. Voor Klingelhöfer liep het allemaal met een sisser af. Weliswaar had hij op het moment dat de schoenen door een Joodse kampmedewerker aan hem overhandig werden nog geen toestemming hiervoor, maar hij zou de ontvangst daarna aan de kampbeheerder hebben gemeld. Door de SS-rechtbank werd erop gewezen dat hij van tevoren om toestemming had moeten vragen voordat hij de schoenen meenam. Omdat het "naar verhouding om zaken van lage waarde gaat" werd vervolging echter niet noodzakelijk bevonden. Een disciplinaire bestraffing werd evenwel niet uitgesloten aangezien Klingelhöfer "het aan zijn rang en zijn stand verplicht was zich buitengewoon correct te gedragen en ook de schijn, dat hij zich ten kosten van staatseigendom wil verrijken, vermeden moet worden." Of Klingelhöfer werkelijk disciplinair gestraft werd, wordt in zijn personeelsdossier niet vermeld. Zijn vrijspraak van vervolging werd op 9 augustus 1944 bekrachtigd door Heinrich Himmler.

Zeppelin

Wanneer Klingelhöfer precies terugkeerde van het Oostfront is onduidelijk, maar vanaf januari 1944 was hij in Duitsland werkzaam binnen de organisatie van Unternehmen Zeppelin (operatie Zeppelin), die onderdeel uitmaakte van de afdeling C (Russisch-Japans invloedgebied) van Amt VI (SD-Ausland) van het RSHA. De operatie, waarvan het hoofdkwartier zich bevond in de wijk Wannsee in Berlijn, was omstreeks 1942/1943 van start gegaan en had zowel een inlichtingen- als sabotagecomponent. Het idee was om in Duitse krijgsgevangenenkampen Sovjetsoldaten te rekruteren, die na een trainingsperiode in speciale kampen met parachutes achter het Sovjetfront zouden worden gedropt om daar sabotage- en contraspionageopdrachten uit te voeren. Het was een grootschalige operatie: op een gegeven moment bevonden zich ongeveer 10.000 tot 15.000 vrijwilligers in de kampen en waren er 2.000 tot 3.000 klaargestoomd voor inzet. Onder hen waren verschillende nationaliteiten, waaronder Turkmenen, Kaukasiërs en Georgiërs, die het Sovjetregime niet positief gezind waren. Het merendeel van de vrijwilligers zou vanwege een tekort aan vliegtuigen, radio’s en parachutes nimmer uitgezonden worden. Hooguit 2.000 agenten werden door Zeppelin en de Abwehr (de militaire inlichtingendienst onder leiding van Admiral Wilhelm Canaris) in de Sovjet-Unie achter de vijandelijke linies gedropt.

Klingelhöfer kreeg de leiding over Sonderlager L, één van de kampen van operatie Zeppelin, dat zich bevond in Blamau in het oosten van Oostenrijk. Het was een voortzetting van Sonderlager T in het Poolse Wrocław, dat vanwege de opmars van het Rode Leger gesloten was. In het door Klingelhöfer aangevoerde kamp waren Sovjetingenieurs en -technici ondergebracht, die hier op vrijwillige basis hun kennis deelden met de Duitsers. Anders dan in Duitse krijgsgevangenenkampen verbleven ze hier onder goede omstandigheden. In het kamp werden waardevolle statistieken, kaarten, grafieken en andere informatie verzameld en geëvalueerd over onder meer tankproductie, voedselvoorziening, natuurlijke hulpbronnen en communicatiesystemen in de Sovjet-Unie. Ten bate van het onderzoek werd de buitgemaakte bibliotheekcollectie van de technische hogeschool van Kiev in acht vrachtwagons overgebracht naar het kamp. Samenwerking was er onder andere met het vanuit Berlijn naar kasteel Plankenwarth in Oostenrijk verhuisde Wannsee Institut, een onderzoeksinstelling van de SD voor politieke, economische en bestuurlijke kwesties. Volgens de Britse historicus Perry Biddiscombe was Sonderlager L het succesvolste onderdeel van operatie Zeppelin, hoewel de in het kamp vergaarde kennis nimmer in de praktijk ingezet kon worden vanwege de Duitse nederlagen aan het Oostfront.


Veroordeling in Neurenberg

Arrestatie en zelfmoordpoging

De ondergang van het Derde Rijk maakte Klingelhöfer mee in de Alpenfestung in de Oostenrijkse Alpen. Dit beoogde laatste verzetsbolwerk van de nazi’s zou zich echter grotendeels zonder slag of stoot overgeven aan de geallieerden. Het zou na de Duitse capitulatie op 8 mei echter nog tot 20 oktober 1945 duren voordat Klingelhöfer zich overgaf aan de Britten. Eerst bracht hij zijn vrouw en kinderen, vermoedelijk vanuit Oostenrijk, terug naar huis in Kassel. Zijn zieke dochtertje liet hij opnemen in het evangelische ziekenhuis Bethel in Bielefeld. Nadat hij zich daarna bij de Britten meldde werd hij in Bielefeld gevangengezet. Hij zou hier tot juni 1947 gevangen zitten, waarna hij werd overgebracht naar de gevangenis in Landsberg voor verhoren voorafgaand aan het Einsatzgruppenproces, waarbij hij één van de aangeklaagden was. Dit tribunaal vond plaats van 15 september 1947 tot 10 april 1948 in Neurenberg en was het negende van de in totaal twaalf processen die volgden op het grote proces van Neurenberg tegen de nazikopstukken. De zittingen werden gevoerd in dezelfde rechtszaal als waarin eerder de leden van de nazitop terecht hadden gestaan voor het Internationale Militaire Tribunaal, maar dit keer werd het tribunaal niet gezamenlijk georganiseerd door de vier belangrijkste geallieerde machten, maar alleen door de Amerikanen. De 24 aangeklaagden waren allemaal hoge officieren van de Einsatzgruppen. Ze werden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en lidmaatschap van criminele organisaties.

Tijdens de voorbereidende verhoren maakte Klingelhöfer een onzekere indruk. Enerzijds bekende hij bijvoorbeeld het bevel gegeven te hebben voor de executie van de ontsnapte mannen uit het getto van Tatarsk, maar anderzijds beweerde hij dat hij geen leidinggevende rol had en alleen als tolk en vertaler actief was geweest binnen Einsatzgruppe B. De man die in zijn SS-personeelsdossier enkel een aantekening had vanwege onrechtmatige toe-eigening van twee paar schoenen, wist zich moeilijk te handhaven nu hij geconfronteerd werd met de grootschalige misdaden waarvoor hij en zijn collega’s verantwoordelijk werden gehouden. Enerzijds wilde hij eerlijk en oprecht zijn, maar anderzijds wilde hij zichzelf niet belasten. Dat leidde tot een innerlijke strijd. Vijf dagen nadat hij op 1 juli 1947 officieel in staat van beschuldiging werd gesteld, deed hij een zelfmoordpoging in zijn cel. Op de ochtend van 6 juli vond zijn celmaat hem in een plas met bloed. Volgens de dienstdoende arts had Klingelhöfer een diep gat gemaakt in de ader van zijn linker pols. Hij had hier een grote veiligheidsspeld voor gebruikt, die tegenwoordig nog altijd bewaard wordt door het Nationaal Archief in Washington. Hoewel hij veel bloed had verloren, kon hij gered worden.

Benjamin Ferencz, de Amerikaanse hoofdaanklager bij het Einsatzgruppenproces, geloofde dat Klingelhöfers zelfmoordpoging voortkwam uit berouw voor zijn rol bij nazimisdaden. "Helaas te laat na de ineenstorting verkreeg ik volledig inzicht in de totale omvang van de gruwelijke blasfemie die hier uitgevoerd werd", schreef Klingelhöfer hierover zelf in een berouwvol zelfmoordbriefje. "Desondanks vraag ik dat deze [zelfmoordpoging] van mij niet beschouwd moet worden als een poging om mezelf te excuseren op welke manier dan ook. […] Ik ben me volledig bewust van het feit dat ik de gevolgen voor mijn persoonlijke houding en daden moet dragen. Ondanks dat wil ik mijn geweten niet belasten met daden die volstrekt haaks staan op de houding die ik herwonnen heb." Een kanttekening die gemaakt moet worden is dat Klingelhöfer kort voor zijn zelfmoordpoging heimelijk een briefje toegestopt had gekregen van medebeschuldigde Erich Naumann met adviezen over wat hij wel en niet moest bekennen tijdens verhoren. Klingelhöfer droeg het briefje meteen over aan zijn ondervrager, wat hem in gewetensnood bracht. Hij verklaarde hierover: "Aan de ene kant probeerde ik zo goed mogelijk de waarheid te vertellen, wetend van de catastrofe die plaatsgevonden heeft en van mijn verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van dingen; aan de andere kant voelde het alsof ik een kameraad verraadde, een voormalige superieur." Mogelijk gaf dit hem net het zetje om suïcide te plegen.

Einsatzgruppenproces

Tijdens het eigenlijke proces in Neurenberg was Klingelhöfers verdediging nog steeds zwak. Hij beweerde opnieuw slechts tolk en vertaler te zijn geweest, maar dat werd door de rechtbank niet als ontlastend beschouwd. "Zelfs als dit waar is", concludeerde het tribunaal, "dan ontlast dit hem niet van schuld". Zijn vertaalwerk van buitgemaakte documenten werd ten slotte gebruikt voor het "lokaliseren, evalueren en overdragen van lijsten van communistische partijfunctionarissen aan de uitvoerende afdeling van zijn organisaties". Klingelhöfer "wist dat de opgesomde mensen zouden worden geëxecuteerd als ze werden gevonden. In deze rol was hij medeplichtig aan de misdaad." Het verzamelde bewijs overtuigde de rechtbank ervan dat de beschuldigde meer was dan een tolk en vertaler. "Hij was een actieve leider en commandant", aldus de slotconclusie. "Hij wist dat de Einsatz-eenheden de Joden ombrachten." Gedurende de verhoren door Ferencz bekende Klingelhöfer "dat hij blij zou zijn geweest als Hitler de oorlog gewonnen had, zelfs tegen de prijs van de huidige omstandigheden met twee miljoen Duitsers gedood, het land compleet in puin en heel Europa verwoest." Deze opmerking was weliswaar niet strafbaar, maar was voor het tribunaal wel behulpzaam bij het bepalen of hij de bevelen die hij kreeg met volle overtuiging uitvoerde.

"Het tribunaal concludeert dat uit al het bewijs blijkt dat de beschuldigde het Führerbevel onvoorwaardelijk accepteerde en dat hij dit uitvoerde zonder beperkingen", zo luidde het oordeel van het tribunaal. Klingelhöfer werd schuldig bevonden aan alle drie de aanklachten en hoorde op 10 april 1948 de doodstraf tegen zich uitspreken. Van de veertien tijdens dit proces uitgesproken doodstraffen zouden er echter slechts vier uitgevoerd worden. De Amerikaanse autoriteiten herzagen op 31 januari 1951 de vonnissen en kwamen in de overige gevallen tot een mildere uitspraak. Klingelhöfer behoorde tot diegenen waarvan de doodstraf omgezet werd in een levenslange gevangenisstraf. Vrijlating volgde echter al in december 1956. Deze amnestie moet in het licht gezien worden van de Koude Oorlog, toen West-Duitsland door de Amerikanen werd beschouwd als nieuwe bondgenoot in de strijd tegen het communisme en de vervroegde vrijlating van nazi-oorlogsmisdadigers de banden tussen de Bondsrepubliek en het Westen moest verbeteren. Over de misdaden waarvoor deze mannen verantwoordelijk waren, werd in het West-Duitsland van de jaren vijftig niet meer gesproken.

Gevangenschap en vrijlating

Gedurende zijn gevangenschap in Landsberg was Klingelhöfer in november 1948 weer teruggekeerd bij de evangelische kerk. Hij zou zijn uittreding in 1937 als een verkeerde beslissing hebben betreurd. Hij nam in de gevangenis regelmatig deel aan religieuze diensten, waarbij hij ook als zanger optrad. Volgens een gevangenispredikant was hij een vijand "van elk onrecht", "een mens zoals we die tegenwoordig binnen ons volk, waarbinnen zoveel corruptie heerst, voor herstel en opbouw zo hard nodig hebben." Uit de positieve woorden van deze geestelijke blijkt dat Klingelhöfer twee gezichten had: dat van de Holocaustdader en dat van de brave burger. Had het Derde Rijk nooit bestaan, dan was hij wellicht zangdocent geworden of theaterdirecteur. Klingelhöfer was echter een bevlogen nazi, die niet toevallig of machteloos betrokken raakte bij de Holocaust, maar die oogstte wat hij zelf zaaide. Hij had zich al voor de nazimachtsovername aangesloten bij de NSDAP, vertaalde een antisemitisch boek, beleefde een smetteloze en veelbelovende carrière binnen de SD en lijkt op geen enkel moment voor het einde van de oorlog afstand te hebben genomen van het nationaalsocialisme. De weg van de concertzaal naar de ‘killing fields’ van het Oostfront was dus niet zo onwaarschijnlijk als deze op het eerste gezicht lijkt.

Overlijden

Na zijn vrijlating woonde Klingelhöfer in Villingen. Volgens de op zijn overlijdensakte ingevulde gegevens was hij daar werkzaam als commercieel medewerker (kaufmännischer Angestellter) en hertrouwde hij op niet nader genoemde datum met een vrouw met als meisjesnaam Heinert. Of hij van zijn eerste vrouw scheidde of dat ze was overleden, is onbekend. Op de vroege avond van 18 januari 1977 stierf hij op 76-jarige leeftijd in het stadsziekenhuis van Villingen-Schwenningen.


Bronnen

Boeken


Versie: 18-4-2018 Artikel door: Kevin Prenger

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/4981/Klingelhöfer-Woldemar.htm