Tankmunitie in de Verenigde Staten (1941-1945)

Inleiding

Onderstaand artikel behandelt de belangrijkste soorten tankmunitie waarmee Amerikaanse tanks tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgerust werden. Vanaf de Japanse aanval op Pearl Harbor in 1941 gebruikte het Amerikaanse leger tanks in de Pacific, in Noord-Afrika en vanaf 6 juni 1944 (D-Day) in West-Europa. De Verenigde Staten konden duizenden tanks en andere gepantserde voertuigen tijdens de Tweede Wereldoorlog produceren door de beschikbare productiefaciliteiten. De productiecapaciteit van de Verenigde Staten was wat betreft tanks vergelijkbaar met die van de Sovjet-Unie.

Tankmunitie werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in grote aantallen geproduceerd. De Verenigde Staten konden grote hoeveelheden granaten in fabrieken produceren. In voormalige autofabrieken werden in de Verenigde Staten tanks geproduceerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten de Verenigde Staten vooral lichte en middelzware tanks. Zware tanks werden niet of nauwelijks ingezet (de M6 was een experimentele tank). De middelzware M3 Lee en de M4 Sherman tanks zijn de meest bekende Amerikaanse tanks die met hun 75mm kanonnen succesvolle voertuigen waren. De meeste Amerikaanse tankkanonnen hadden een kaliber van 37, 75, 76 of 90mm. Zo waren de lichte tanks meestal bewapend met machinegeweren en 37mm kanonnen. De volgende tankkanonnen met bijbehorende munitiesoorten worden in dit artikel besproken: 37mm M5 (37 mm Gun M5), 75mm M2 (75mm Gun M2), 75mm M3 (75mm Gun M3), 76mm M1 (76mm Gun M1) en 90mm M3 (90mm Gun M3). De zwaarste Amerikaanse tank die vanaf 1945 aan het front in West-Europa werd ingezet was de M26 Pershing die met een 90mm M3 kanon was bewapend dat alle Duitse tanks tot op lange afstand kon vernietigen.

Alle penetratiewaarden worden in dit artikel in millimeters (mm) uitgedrukt waarbij een rechte pantserplaat van 0 of 90 graden, ligt aan het perspectief, als maatstaf wordt gebruikt.


37mm M5 en 75mm M2, M3 en M6

37mm Gun M5

Het 37mm M5 kanon was afgeleid van het 37mm M3 kanon. Het M3 antitankwapen was het eerste Amerikaanse antitankwapen dat in grote aantallen werd geproduceerd. Het wapen kon met behulp van jeeps worden voortgetrokken en werd in 1940 geïntroduceerd. Het M3 kanon was vooral bedoeld als infanterie ondersteuningswapen en was voorzien van brisant (explosieve) munitie, kartetsgranaten en pantsergranaten (tijdens oefeningen werd tevens gebruik gemaakt van simulatie munitie). Het 37mm M5 kanon was een tankvariant van de 37mm M3 en werd in verschillende Amerikaanse tanks gemonteerd, bijvoorbeeld in de Stuart lichte tank en de middelzware M3 Lee tank. De Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) toonde aan dat antitankwapens in staat waren tankbepantsering te doorboren. In januari 1937 begonnen de Amerikanen aan de ontwikkeling van een geschikt antitankwapen waarbij het Duitse 3.7 cm Pak 35/36 geschut ('Panzerabwehrkanone') als inspiratiebron diende. Het kanon moest licht zijn om vervoerd te kunnen worden met een jeep of met behulp van infanterie. De ontwikkeling en het testen van het wapen duurden tot laat 1938 en verschillende varianten werden ontwikkeld. Gekozen werd voor het T10 kanon en het T5 onderstel waarbij het wapen als '37 mm Gun M3 and Carriage M4' werd aangeduid. Het kanon werd door Watervliet Arsenal geproduceerd en het onderstel door Rock Island Arsenal. In 1940 werden de eerste exemplaren afgeleverd en productie geschiedde tot en met 1943. Voor het kanon werden verschillende munitiesoorten geproduceerd (met een kaliber van 37×223 mm. R). De belangrijkste munitie bestond uit pantsergranaten. Het 37mm M5 tankkanon gebruikte M74 en M51 granaten die aangeduid werden als 'shot'. Het projectiel van de M74 pantsergranaat woog 0.87 kilogram (de complete granaat 1.51 tot 1.58 kilogram), had een mondingssnelheid van 792 tot 870 meter per seconde en doorboorde ongeveer 76 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 59 mm tot op een afstand van vijfhonderd, 43 mm tot op een afstand van een kilometer, 31 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 22 mm tot op een afstand van twee kilometer. De projectielen van de M51 pantsergranaten met ballistische kop (schild) wogen plusminus 0.9 kilogram (0.87), hadden een mondingssnelheid van 792 tot 870 meter per seconde en penetreerden ongeveer 66 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 58 mm tot op een afstand van vijfhonderd, 50 mm tot op een afstand van een kilometer, 43 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 37 mm tot op een afstand van twee kilometer. Het kleine kaliber en het relatief lage penetratievermogen zorgde ervoor dat het 37mm kanon niet zo geschikt was om zwaardere Duitse tanks uit te schakelen, zij het vanaf de zijkant of de achterkant waar de bepantsering meestal dunner was.

75mm Gun M2/M3/M6

De 75mm M2 en M3 kanonnen waren de belangrijkste bewapening waarmee het grootste deel van de Amerikaanse tanks werd uitgerust. De M2 en M3 kanonnen werden gemonteerd in de middelzware M3 Lee en M4 Sherman tanks die voor het eerst in Noord-Afrika tegen Italië en Hitler-Duitsland werden ingezet. Het 75mm kanon was toentertijd in staat alle Duitse en Italiaanse tanks tot op lange afstand uit te schakelen door het relatief hoge penetratievermogen en de explosieve vulling die in de bijbehorende tankgranaten zat. De lichte M6 en M5 varianten werden ontwikkeld om de lichte M24 Chaffee tanks uit te rusten. Het 75mm kanon had haar wortels in het Franse Canon de 75 modèle 1897 veldwapen. Het 75mm kanon kon verschillende munitiesoorten afschieten. Brisant granaten waren geschikt tegen infanterie en lichte pantservoertuigen. De belangrijkste tankmunitie was de M72 pantsergranaat (M72 shot). De M72 pantsergranaat woog ongeveer 6.3 kilogram, had een mondingssnelheid van 588 (M2 kanon) tot 619 (M3 kanon) meter per seconde en doorboorde in het 75mm M2 kanon ongeveer 95 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 81 mm tot op een afstand van vijfhonderd, 66 mm tot op een afstand van een kilometer, 54 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 45 mm tot op een afstand van twee kilometer. De verbeterde M61 pantsergranaat met ballistische kop (APCBC, 'Armor-Piercing Capped Ballistic Cap') woog ongeveer 6.63 tot 6.8 kilogram, had een mondingssnelheid van 588m/s en doorboorde ongeveer 78 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 72 mm tot op een afstand van vijfhonderd, 65 mm tot op een afstand van een kilometer, 58 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 52 mm tot op een afstand van twee kilometer. De genoemde granaat was soms voorzien van een plusminus 65 gram wegende explosieve inhoud (Explosive D/Explosive-D). In het 75mm M3 kanon (M4 Sherman tank) doorboorden beide munitiesoorten dikker staal omdat het kanon langer was. Ook de granaatsnelheden waren hoger (618 tot 619m/s in plaats van 588m/s).

Zo doorboorde de M72 granaat in het 75mm M3 kanon van de M4 Sherman ongeveer 109 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 92 mm tot op een afstand van vijfhonderd meter, 76 mm tot op een afstand van een kilometer, 62 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 51 mm tot op een afstand van twee kilometer. De granaatsnelheid bedroeg 618 tot 619m/s. De M61 pantsergranaat doorboorde op zijn beurt 88 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 59 mm staal tot op een afstand van twee kilometer. De genoemde penetratiewaarden maken duidelijk dat het 75mm kanon, zowel de M2 als de M3 variant, nauwelijks in staat was het pantser van zware Duitse tanks te doorboren. Zo was de bepantsering van de Panzerkampfwagen VI Ausf. H/E Tiger (PzKpfw VI Tiger), met een maximale dikte van 100 tot 110mm, vrijwel onkwetsbaar voor de genoemde munitiesoorten. Ook de 80 tot 82mm dikke zijkanten van de Tiger waren alleen met geluk vanaf korte afstand te doorboren met de munitiesoorten. En zeker wanneer de Tiger-tank in een hoek opgesteld stond waardoor de staaldikte toenam en granaten een grotere kans hebben om af te ketsen. Tot op een afstand van honderd meter was het nog steeds lastig voor de M4 Sherman tank om de Tiger-tank met het 75mm M3 kanon te doorboren (zowel met de M72 als met de M61 pantsermunitie). De Tiger-tank kon op zijn beurt met zijn 88mm L/56 kanon de M4 Sherman tank tot op een afstand van twee kilometer vernietigen met de standaardmunitie Panzergranate 39 (genoemde pantsermunitie doorboorde ongeveer 162 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 116 mm staal tot op een afstand van twee kilometer). Het 38 tot 89mm dikke Sherman-pantser, de M4A1 had bijvoorbeeld maximaal 50.8 tot 76.2mm staal, was vaak te dun en te zwak om de Duitse 88mm granaat tegen te houden. M4 Sherman tanks moesten geregeld samenwerken om een Duitse Tiger-tank uit te schakelen waarbij zij hun kanonnen op de zij- en achterkant van de Duitse tanks konden richten of met behulp van rookgranaten en fosfor het zicht van de Duitse tank konden ontnemen.

Sergeant Chester J. Marczak van de Tweede Gepantserde Divisie (2d Armored Division) stelde wat betreft het 75mm kanon: "The German’s high-velocity guns and souped-up ammunition can penetrate our thickest armor. At a range where it would be suicide for us to shoot, they shoot. What we need is more armor, higher velocity, not necessarily a bigger gun, souped-up ammunition, and a means whereby we can maneuver faster, making sharper turns. I’ve seen many times when the air force was called out to wipe out scattered tanks rather than letting our tanks get slaughtered. All of us know that the German tanks are far superior to anything that we have in combat. They are able to maneuver on a space the length of their tank. How can we outflank them when all they have to do is pivot and keep their frontal armor toward us? Their frontal armor is practically invulnerable to our 75’s, except at exceptionally close range—and they never let us get that close. We’ve got a good tank—for parades and training purposes—but for combat they are just potential coffins. I know! I’ve left them burning after the first few rounds of German shells penetrated our thickest armor".

Om Duitse tanks toch tot op lange afstand (500-1000 meter) te kunnen vernietigen was de M4 Sherman met het 76mm kanon beter geschikt. Toch bleef de 75mm Sherman variant tot en met het einde van de Tweede Wereldoorlog in dienst vanwege logistieke redenen, koppigheid van Amerikaanse militaire leiders die het 75mm kanon goed genoeg vonden en het vermogen van het 75mm wapen om zeer effectieve brisant munitie (explosief) af te vuren tegen Duitse infanterie en lichte voertuigen zoals trucks en pantserwagens. De 75mm M2 en M3 kanonnen waren namelijk zeer geschikt om explosieve granaten (HE: 'High-Explosive') af te vuren vanwege het grote kaliber en de explosieve inhoud van de M48 munitie.


76mm M1 kanon en 90mm M3

76mm Gun M1

De Duitse Tiger-tank die in 1942 in Noord-Afrika verscheen (was eerder al op 23 september 1942 ingezet aan het Oostfront) maakte duidelijk dat het penetratievermogen van het 75mm kanon van de M4 Shermans niet voldoende was om de frontale pantserplaten tot op lange afstand te doorboren (zelfs de zijkanten van de PzKpfw VI Tiger waren vrijwel onkwetsbaar op lange afstand). Het 76mm M1 kanon werd ontwikkeld door het Amerikaanse Ordnance Departement in 1942 om de M4 Sherman 'toekomstbestendig' te maken (het wapen was geen direct antwoord op de Tiger omdat de ontwikkeling eerder begon). Het kanon werd al in augustus 1942 getest maar pas in augustus 1943 werd een geschikte constructie bedacht om het kanon in de M4 Sherman tank te installeren. Pas in juli 1944 werd het kanon in M4 Sherman tanks gebruikt. Bij de Aberdeen Proving Grounds werden de eerste 76mm kanonnen getest (aangeduid als T1). Er was een 76mm versie met een lange loop en een kortere loop waarbij de kortere versie (38cm korter) aangeduid werd als '76mm M1'. Problemen met de balans van de koepel zorgden ervoor dat de experimentele koepel van de experimentele T23 tank werd gekozen waarin het 76mm wapen was gemonteerd. In augustus 1943 was de M4 Sherman met het 76mm kanon klaar voor massaproductie. Oorspronkelijk bestond het idee bij sommige militairen dat alle met 75mm uitgeruste M4 Sherman tanks vervangen moesten door de 76mm versie. Nadelen van het 76mm kanon waren de grote steekvlam na het vuren, de zwaardere munitie en het opbergen van de granaten. Het grootste nadeel was echter de steekvlam die vrijkwam na het vuren: de kanonnier zag even niets door de flits en het opwaaiende zand en stof. Nieuwe munitiesoorten werden geïntroduceerd waarbij het slaghoedje langer was gemaakt: daardoor bleef de ontsteking langer branden. Ook mondingsremmen werden geïntroduceerd om gassen en rook te reduceren. Een ander nadeel was het feit dat de brisant munitie voor de oudere 75mm kanonnen (M2 en M3) een groter gewicht aan explosief materiaal had dan de M42 munitie van het 76mm M1 kanon. Zodoende was de granaat minder effectief tegen infanterie en licht gepantserde voertuigen.

Hoe het ook zij, het 76mm kanon dat in één derde van alle M4 Sherman tanks gemonteerd werd was beter in staat vijandelijk tankpantser te doorboren dan de 75mm M2 en M3 kanonnen. Met de M62 pantsermunitie (APCBC, 7 kilogram, 790-792m/s) doorboorde het 76mm kanon ongeveer 125 mm staal tot op een afstand van honderd meter, 116 mm staal tot op een afstand van vijfhonderd, 106 mm tot op een afstand van een kilometer, 97 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 89 mm staal tot op een afstand van twee kilometer. Dat was voldoende om de voorkant van de Tiger en alle middelzware Duitse tanks zoals de Panzerkampfwagen III en IV (PzKpfw IV) te doorboren. In theorie kon het kanon wat betreft penetratievermogen tot op een afstand van plusminus een kilometer (106mm) de voorkant van de romp (plusminus 100mm) van de Tiger I doorboren (dat lag uiteraard aan de inslaghoek, de training van de bemanning en de omstandigheden). Met de M79 pantsergranaat (AP) doorboorde het kanon nog dikker staal: ongeveer 154 mm tot op een afstand van honderd meter, 131 mm tot op een afstand van vijfhonderd, 107 mm tot op een afstand van een kilometer, 88 mm tot op een afstand van anderhalve kilometer en 72 mm tot op een afstand van twee kilometer. De explosieve inhoud van de M62 pantsergranaat (65 gram) maakte de munitie dodelijker dan de M79 pantsergranaat waarbij de explosieve inhoud ontbrak. Er was ook nog wolfraammunitie beschikbaar in zeer kleine aantallen dat nog dikker staal doorboorde. De genoemde munitie was lichter en het penetratievermogen nam af bij langere afstanden door het lichte gewicht (T4 (M93) HVAP (APCR) munitie). Naast de genoemde granaten kon het 76mm kanon rookgranaten afvuren. Afgezien van al die feiten was het de kans van het doorboren van dikke Duitse pantserplaten met het 76mm kanon in de werkelijkheid niet altijd een succes, zo lezen wij in het boek ‘United States vs. German Equipment’ van militair (generaal-majoor) Isaac D. White.

90mm Gun M3

Tussen 1942 en 1945 verschenen steeds krachtigere Duitse tanks aan het front in Noord-Afrika (1942), in de Sovjet-Unie (1943) en in West-Europa (1944-1945). De Duitse Panzerkampfwagen VI Tiger (1942), Panzerkampfwagen V Panther, PzKpfw V Panther (1943) en Panzerkampfwagen VI Ausf. B Tiger II, PZkPfw VIb Königstiger (1944) waren de sterkste Duitse tanks tussen 1942 en 1945. Zoals eerder genoemd was het 75mm M2 en M3 kanon van de Amerikaanse M4 Sherman tanks niet krachtig om het pantser van de Tiger en de andere genoemde Duitse zware tanks te doorboren tot op lange afstand. Ook de Duitse Panther-tank die vanaf 1943 aan het Oostfront (Koersk) verscheen had te dik pantser (80mm schuin frontaal pantser en 100 tot 120mm verticaal pantser aan de voorkant van de koepel) om te worden doorboord met de genoemde 75mm munitiesoorten. De introductie van de opvolger van de Tiger, de Tiger II, in 1944 in de Ardennen tegen Amerikaanse troepen zorgde ervoor dat een nieuwe Amerikaanse tank met een krachtiger kanon werd ingezet. Daarbij werd een 90mm kanon gekozen als bewapening. Het 90mm M1/M2/M3 kanon was een zwaar luchtdoelgeschut en had penetratiewaarden die vergelijkbaar waren met het Duitse 8.8 cm Flak 18/36/37 geschut. Als een tankgeschut werd het kanon de hoofdbewapening van de M36 Jackson tankjager en de middelzware M26 Pershing tank (de tank werd voor een korte periode, tussen 1945 en 1947 als zware tank aangeduid). Het standaard luchtdoelgeschut van de Amerikanen was de 3-inch M1918 gun (76.2 mm L/40). Twee nieuwe wapens werden ontwikkeld (90 en 120mm). De eerste productievariant van het 90mm wapen was de M1. Het verbeterde type heette 90mm M1A1 en werd als standaardwapen op 22 mei 1941 geaccepteerd. Het wapen werd het standaard luchtdoelgeschut van de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een groot nadeel van het wapen was het feit dat het kanon niet op de juiste hoogte kon worden gericht om tanks en andere pantservoertuigen uit te schakelen (horizontaal richten). Op 11 september 1942 werd de 90mm M2 geïntroduceerd die dat wel kon. Het kanon werd geaccepteerd als standaardwapen op 13 mei 1943. Het 90mm M3 kanon (90mm Gun M3) was de tankvariant van het 90mm wapen. De experimentele T7 was de voorloper van het kanon. Testen met het wapen vonden plaats in 1943 met een M10 Wolverine tankjager ('tank destroyer').

Het 90mm M3 kanon (90 mm Gun M3) van de M26 Pershing had een depressie van tien graden en een elevatie van twintig graden. Het 90mm wapen kon verschillende munitiesoorten afvuren. Granaten van het type 'M82' hadden een kaliber van 90mm x 970mm. De T33/M77 granaat (T33 shot) was een pantsergranaat met een mondingssnelheid van 823m/s, woog 11 kilogram (projectiel 10.61-10.91kg) en penetreerde ongeveer 188 mm tot op een afstand van honderd meter en 96 mm tot op een afstand van twee kilometer. De M82 granaat (M82 shot) was een pantsergranaat met een ballistische kop (ABCBC, 'Armor-Piercing Capped Ballistic Cap'), woog 11 kilogram (projectiel 10.94kg, totaalgewicht 19.39kg), had een mondingssnelheid van 807-807.72m/s tot 853.44m/s en doorboorde ongeveer 164 mm staal tot op een afstand van honderd meter en 114 mm tot op een afstand van twee kilometer. Naast de genoemde granaattypes (T33 en M82) kon de M26 Pershing ook nog wolfraammunitie (APCR, 'Armor-Piercing Composite-Rigid') M304/T30E16 afvuren en brisant munitie (M71 shell). De M304/T30E16 munitie woog 7.57-7.6 kilogram (het totaalgewicht van de granaat bedroeg 16.33 kilogram), bereikte een snelheid van plusminus 1018m/s tot 1021m/s en doorboorde ongeveer 191 mm staal tot op een afstand van twee kilometer. Alle granaten waren voorzien van de Case, Cartridge, 90mm, M19. De genoemde muniesoorten waren in staat het frontale Tiger I pantser te doorboren tot op lange afstand. In theorie tot plusminus twee kilometer. De standaardmunitie (T33/M77 en M82) waren beiden zeer geschikt om Duitse tanks uit te schakelen. Uiteraard konden alle Duitse middelzware tanks zoals de Panzerkampfwagen III en IV, die maximaal 50 tot 80mm frontaal staal hadden, tot op lange afstand vernietigd worden. Zelfs de zware Duitse Panzerkampfwagen VI Ausf. B Tiger II was niet ontkwetsbaar voor het 90mm kanon dat in de M26 Pershing was gemonteerd. Zo konden de zijplaten (80-82mm) van de koepel en de romp doorboord worden. Ook het frontale koepelpantser (180-185mm) van de Tiger II kon doorboord worden. Vooral de wolfraam munitie had een kans om dat te bereiken. Met het 90mm M3 kanon van de M26 Pershing tank had Amerikaanse tankmunitie in de Tweede Wereldoorlog haar hoogtepunt bereikt.


Samenvatting

Tijdens de Tweede Wereldoorlog produceerden verschillende landen tankmunitie. De Verenigde Staten produceerden granaten voor hun 37, 75, 76 en 90mm kanonnen die gemonteerd waren in lichte, middelzware en zware tanks (de tank werd voor een korte periode, tussen 1945 en 1947 als zware tank aangeduid). De 37mm kanonnen waarmee lichte tanks zoals de M3 Stuart werden bewapend waren niet heel erg krachtig en niet zo geschikt om vijandelijke tanks tot op lange afstand te vernietigen. In combinatie met hun zwakke bepantsering waren lichte tanks vooral geschikt als verkenningswapens. De middelzware Amerikaanse M3 Lee en M4 Sherman tanks waren met 75mm kanonnen uitgerust die zowel pantsergranaten als dodelijk effectieve brisantgranaten konden afvuren. Met een penetratiewaarde van plusminus 80 tot 109 mm staal tot op een afstand van honderd meter kon het 75mm M2 en M3 kanon de meeste Duitse tanks zoals de Panzerkampfwagen III en IV in Noord-Afrika en West-Europa vernietigen. Vooral de zijkanten van Duitse tanks waren kwetsbaar. De introductie van beter gepantserde en bewapende Duitse tanks zoals de Tiger I en de Panther in 1942 en 1943 zorgden ervoor dat de Amerikanen zich bewust werden van het onvermogen van de standaard 75mm M2 en M3 kanonnen om dikker staal tot op lange afstand te doorboren.

De beschikbare munitiesoorten van de korte 75mm kanonnen hadden namelijk onvoldoende penetratievermogen om de voorkant van de genoemde Duitse tanks te doorboren, zij het met veel geluk en vanaf suïcidaal korte (tussen nul en honderd meter) afstand. Door de standaardisatie wat betreft bewapening en koppigheid van enkele conservatieve Amerikaanse militairen (zie het artikel Tankontwikkeling in de Verenigde Staten (1918-1945) wat betreft nieuwe tankkanonnen bleef de de inzet van nieuwe 76mm kanonnen uit tot 1943 en 1944. Het vanaf 1944 ingezette 76mm M1 kanon (M1A1 en M1A2) dat in de nieuwere M4 Sherman modellen was gemonteerd, bijvoorbeeld in de M4A1 en M4A2, was in staat de nieuwste en meest krachtige Duitse tanks die vanaf 1942 aan het front verschenen, uit te schakelen. Ondanks de kracht van de 76mm kanonnen bleven de M4 Sherman tanks zelf kwetsbaar voor Duits antitankvuur door hun relatief dunne bepantsering. Om de Duitse zware tanks het hoofd te kunnen bieden werd uiteindelijk besloten om een zwaarder gepantserde en sterker bewapende Amerikaanse tank te produceren met een kanon dat gebaseerd was op een 90mm luchtdoelgeschut (AA). De M26 Pershing tank was in staat met dat 90mm M3 kanon de genoemde Duitse tanks tot op lange afstand met standaardmunitie uit te schakelen. De inzet van tankjagers door de Amerikanen had ook bijgedragen dat de ontwikkeling van de genoemde M26 Pershing tank was vertraagd (Amerikaanse tankjagers waren specifiek ontworpen om tanks te vernietigen, tanks moesten die taak ook uit kunnen voeren maar waren vooral bedoeld om infanterie te ondersteunen door vuursteun te verlenen). Gelukkig voor de Amerikanen werden er relatief weinig Tiger I (1354 tot 1356) en Tiger II (489) tanks geproduceerd. Van de Panther werden meer stuks geproduceerd: plusminus 6000. Concluderend kunnen we stellen dat de 90mm T33, M82 en M304 granaten voor het 90mm M3 kanon (90mm Gun M3) van de M26 Pershing tank de meest krachtige Amerikaanse tankmunitie was die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ingezet.


Bronnen

Boeken