Maduro, George

Jeugd en studietijd

George Maduro was een Nederlandse student die zich tijdens de meidagen van 1940, als reserveofficier bij de huzaren, onderscheidde door de herovering van villa Dorrepaal in Leidschendam, waardoor de Duitse parachutisten vanuit die kant Den Haag niet konden innemen. Na de Nederlandse overgave ging hij bij het verzet. Bij een vluchtpoging naar Spanje werd hij verraden en kwam uiteindelijk in het concentratiekamp Dachau terecht, waar hij op 8 februari 1945, als gevolg van vlektyfus, overleed. Postuum werd hem de Militaire Willems-Orde 4e klasse toegekend voor zijn bijzondere prestatie tijdens de meidagen van 1940.

 

Op 15 juli 1916 werd George Maduro geboren in Willemstad, Curaçao, als zoon van Joshua en Rebecca Maduro. De familie was van Sefardisch-Joodse afkomst, wat betekent dat zij afstammelingen waren van joden die in de vijftiende eeuw door de Spanjaarden waren verdreven van het Iberische schiereiland. Hij was de enige zoon. Later kregen de ouders nog een dochter, Sybil. Vanaf jonge leeftijd was al duidelijk dat de kleine George een leidinggevende functie binnen het familiebedrijf, Maduro & Sons, zou krijgen. Dit bedrijf had vertakkingen in bankierszaken en in de scheepvaart. Op tienjarige leeftijd vertrok George, met zijn ouders en zusje Sybil, naar Nederland waar zijn opleiding moest plaatsvinden. Zijn ouders konden echter niet wennen aan het Nederlandse klimaat en de cultuur, waardoor zij naar Parijs vertrokken. George werd met zijn zusje bij pleegouders ondergebracht in Den Haag.

Na het doorlopen van zijn middelbareschooltijd begon Maduro in 1934 aan de studie Rechten in Leiden en sloot zich aan bij de studentenvereniging Minerva. Bij de ontgroening wist hij zich al te onderscheiden door zijn onverzettelijkheid, waarmee hij de achting van zijn medestudenten verdiende. In een brief aan zijn ouders beschreef hij een voorval, waarbij een ouderejaars hem lastig viel: ‘Ik vertikte het mijn hemd uit te trekken. Baron Panthaleon van Eck greep mij beet en zei: "Vooruit, doe het of ik trek het in stukken." Ik zei: "Ik doe het niet af; probeer het dan maar er af te scheuren." Toen hij dat probeerde, verweerde ik me uit alle macht. Toen hij dat merkte liet hij mij gaan.’ Later sloeg hij als eerste van de 103 nieuwe leden een ouderejaars die hem treiterde. Een gewaagde actie, want hij nam een groot risico. Gelukkig pakte het goed uit, want zelfs de sterkste jongens van het corps waren onder de indruk van wat hij gedaan had. Dit zorgde ervoor dat hij het op andere avonden minder zwaar had. Zo werd hij op een latere avond een uur achter een scherm apart gezet en kon zo even bijkomen tijdens de ontgroening.

Nadat Maduro zijn kandidaatsexamen gehaald had in 1936, werd de studie kort stop gezet. Maduro was namelijk opgeroepen voor de dienstplicht en zou opgeleid worden tot reserveofficier. Hij kwam terecht bij de cavalerie en kreeg in Amersfoort zijn opleiding. Hier leerde hij verschillende mensen kennen, waaronder Oncko Wttewaall van Stoetwegen. Nadat hij een jaar in dienst was geweest, ging hij verder met de studie.

Opnieuw wist Maduro de achting van zijn medestudenten te krijgen door een gewaagde stunt uit te halen. In 1938 was het pantserdekschip Hr. MS. Gelderland teruggekeerd in de haven van Rotterdam. Aan boord hadden ze de 'Loden Verrader' (ook Looden Verrader) meegenomen, een boegbeeld in de vorm van een dame. Dit was afkomstig van een ontploft schip in Curaçao en was eigendom van de familie Maduro. Het boegbeeld werd regelmatig als grap ‘gejat’ en weer teruggegeven door de Nederlandse marine. Zo ook door de bemanning van het pantserdekschip Hr. Ms. Gelderland. Samen met drie medestudenten roeide hij in een bootje naar het schip. ‘We hadden touwen met enterhaken eraan meegenomen, maar dat was niet nodig, want achter de Gelderland lag een kleine sloep en langs dat touw ben ik naar boven geklommen,’ schreef hij zijn ouders. Aan boord werd hij ontdekt. ‘Ik wilde eigenlijk net doen of ik bij het schip hoorde en toen de schildwacht mij toeriep: "Burger of matroos?" riep ik terug: "Matroos natuurlijk en hou nou je kop." Hoewel hij uiteindelijk toch gepakt werd, was het noemen van zijn naam genoeg voor de onderofficier om te verklaren waarom Maduro aan boord was. De opzet was misschien niet geslaagd, maar Maduro werd er wel bekend mee in Nederland. Kranten schreven zelfs over zijn stunt.


Meidagen 1940 herovering van villa Dorrepaal

Bij de mobilisatie van Nederland in 1939 werd ook George Maduro opgeroepen. Toen op 10 mei 1940 Nederland werd aangevallen door Duitsland, kreeg Maduro de kans zich te onderscheiden. Op 10 mei 1940 begon de Duitse invasie van Nederland (Fall Gelb) en waren Duitse parachutisten geland rondom vliegveld Ypenburg bij Den Haag. Nabij de Oude Tolbrug, die over het kanaal de Vliet ligt, hadden zij zich verschanst in een oude villa, genaamd Dorrepaal. Hoewel de parachutisten geland waren rondom de villa, waren zij er die dag nog niet in geslaagd om over de brug Den Haag binnen te trekken. Een klein detachement onervaren Nederlandse militairen, onder leiding van korporaal Hekhuizen van de luchtdoelartillerie, hield stand aan de andere kant van de brug in de villa Heeswijk, maar hadden hulp nodig.

Daarop werd Maduro er heen gestuurd vanaf de Juliana van Stolberglaan met 14 manschappen, een wachtmeester en een mitrailleur. Eerder die dag had hij een detachement trekkers, verbouwde vrachtwagens, naar de Juliana van Stolberglaan begeleidt. Met drie van deze trekkers vertrokken Maduro en zijn mannen richting de Vliet. De wachtmeester bleef later met vier mannen de voertuigen bewaken, terwijl Maduro met zijn troepen de situatie opnam vanaf de andere kant van het kanaal. Om sterker over te komen op de Duitsers liet Maduro de mitrailleur regelmatig van positie wisselen. Ondertussen zocht hij contact met een naburige eenheid en gaf hij aan dat villa Dorrepaal wel terug te veroveren was. Nadat hij toestemming had gekregen en er een stuk pantserafweergeschut beschikbaar was gesteld, maakte Maduro zijn plan op. In de tussentijd werd er nog steeds gevuurd door de Nederlanders en de Duitsers. Een Nederlandse soldaat werd door zijn knie geschoten, terwijl een ander een kogel op de grendel van zijn karabijn kreeg.

‘Ik verdeelde mijn manschappen in drie groepen; de eerste, onder mijn onmiddellijke bevel zou de Oude Tolbrug overgaan en trachten de villa in de flank binnen te dringen, de tweede onder bevel van de sergeant der infanterie zou onmiddellijk de eerste groep volgen en proberen langs de voorzijde binnen te dringen. Aan een vaandrig van de luchtdoelartillerie deelde ik mede, dat in geval ik mocht sneuvelen het bevel over het geheel op hem over ging. De derde groep liet ik achter om de mitrailleur te bedienen, die vuur moest brengen tussen de eerste twee groepen door.’ Ondertussen was er een sergeant-majoor gearriveerd met een stuk pantserafweergeschut. Deze werd zo opgesteld dat die op Dorrepaal kon vuren, maar niet zichtbaar was voor de Duitsers. Het geschut kreeg de opdracht om vijf schoten te lossen en daarna zouden de soldaten de brug over stormen. Achteraan liep een vaandrig om de groepen sneller te laten lopen.

‘Toen ik geheel gereed was voor de aanval, gaf ik het afgesproken sein aan de sergeant-majoor en onmiddellijk na het vijfde schot stormde ik de Oude Tolbrug over, gevolgd door de eerste en de tweede groep. Gedurende deze aanval werd voortdurend gevuurd vanuit de villa maar het vuur nam af naarmate ik de villa naderde.’ Maduro werd gevolgd door korporaal Hekhuizen en de soldaten Van den Manakker en Glim. Op de brug vielen gewonden, maar het Duitse vuren werd minder zodra ze dichter bij de villa kwamen. Via de tuin kwam Maduro met korporaal Hekhuizen in de villa. In het huis klonk gestamp van voeten en het gekraak van gebroken glas. Binnen ontmoette Maduro echter de sergeant, die met de tweede groep was meegekomen. Onmiddellijk liet Maduro het huis omsingelen door zijn soldaten, terwijl hij het huis doorzocht. Bij de kelder kwamen vier oude vrouwen naar boven, die zeiden dat er Duitsers beneden zaten. ‘Ik riep in de kelder: "Hände hoch, nicht schiessen," waarop geantwoord werd: "wir schiessen", daarop ging de korporaal [Hekhuizen] op mijn last de keldertrap af en schoot in de kelder. De richting van de keldertrap stond loodrecht op den eigenlijke kelder, zodat ik daar niet rechtstreeks in kon zien. Ik hoorde kreten van pijn en onmiddellijk daarop: "Bitte, nicht mehr schiessen," waarop ik het vuren staakte en de Duitsers beval één voor één met opgeheven handen naar boven te komen. 'Zeven Duitse parachutisten kwamen achtereenvolgens naar boven; werden door mijn manschappen ontwapend en naar buiten geleid. Bij deze Duitsers waren twee licht gewonden. Buiten komende werden mij nog vier Duitsers voorgeleid, die achter het terrein waren aangetroffen.’

Voor het wegleiden van de krijgsgevangenen was echter een officier nodig, dus Maduro moest hen zelf wegvoeren. Bij de villa werden twee lichte mitrailleurs buitgemaakt en een aantal automatische pistolen en handgranaten. Later in de meidagen schoten mannen onder het commando van Maduro twee vermeende spionnen dood. Voor deze daad werd hij enige tijd door de Duitsers gevangen gezet in het Oranjehotel, omdat zij wilden weten wie dit gedaan hadden. Omdat Maduro zei dat hij het niet wist, werd hij na enige tijd vrijgelaten.

    

Verzet, arrestatie en overlijden

Maduro raakte na de meidagen betrokken bij het verzet. Hier zag hij onder andere Oncko Wttewaall van Stoetwegen weer terug. Bij welke daden in het verzet Maduro betrokken was, is niet volledig duidelijk, maar bekend is wel dat Maduro met Wttewaall van Stoetwegen wapens stal uit Duitse barakken. Ook kwam hij in contact met ‘Soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema over eventuele vluchtpogingen. Maduro zou echter niet vertrekken omdat hij zijn geliefde, Hedda de Haseth Möller, niet wilde verlaten en zijn studie wenste af te maken. Ook speelde mee dat hij al eens in de gevangenis had gezeten en dus mogelijk door de Duitsers in de gaten werd gehouden.

In 1941 werd hij opnieuw opgepakt en vastgezet in het Oranjehotel, de gevangenis in Scheveningen. Meerdere andere Nederlanders, die verzet tegen de Duitse bezetter hadden gepleegd, waren daar opgesloten. Terwijl hij in de gevangenis zat, trouwde Hedda de Haseth Möller met een andere man. Toen hij op 15 december 1941 uit zijn cel werd gehaald, vreesde hij naar een concentratiekamp te worden afgevoerd. Maar bij de poort gaf de cipier hem de keuze: "Wilt u drieduizend gulden betalen of weer terug in de gevangenis?" George reageerde: "Dan maar weer terug." De Duitser werd toen kwaad: "Verdammter Jude, Sie können nach Hause gehen, Sie sind Entlassen." Ondanks de mislukte afpersing was Maduro toch vrijgekomen.

Eenmaal vrijgelaten dook hij onder en beleefde angstige momenten. In mei 1943 werd Maduro ’s avonds in Amsterdam gecontroleerd op straat nadat hij een vriend bezocht had. Vlak voordat hij bij Wttewaall van Stoetwegen arriveerde, werd zijn persoonsbewijs gecontroleerd. "Waar woont u", vroeg men George. "Hoofdstaat 700 Sassenheim", zei hij prompt. "Waar gaat u dan nu heen?". "Ik ga naar mijnheer van Boetzelaer." "Waar woont die?". "Minervaplein 3, hier vlak boven", zei George brutaalweg. "Wat gaat u daar nu doen?". "Ik doe kantoorwerk voor mijnheer Boetzelaer", antwoordde hij prompt. Toen was het goed. Boven gekomen kwam George pas na het derde glas cognac bij van de schrik.’

Het ondergrondse leven werd onhoudbaar en Maduro vatte in 1943 het plan op om naar Engeland te vluchten, waarbij hij Oncko achternaging die eerder was vertrokken. In België werden de twee verraden door de Belgische 'Abwehragent' Prosper deZitter, die hen op 4 september 1943 uitleverde aan de Duitsers. Tezamen met een groep Engelse en Amerikaanse piloten werden zij gevangengenomen. Het verraad werd meteen duidelijk, doordat de Duitsers wilden weten wie de Nederlanders waren. Ondanks pogingen om Maduro en Wttewaall van Stoetwegen door te laten gaan voor Amerikanen, werden zij herkend doordat zij geen identificatieplaatjes hadden. Vervolgens werden Maduro en Wttewaall van Stoetwegen opgesloten in de gevangenis van Saarbrücken.

Maduro en Wttewaall werden apart opgesloten en kwamen zes cellen van elkaar af te zitten. De zes maanden die Maduro in 1941 in het Oranjehotel had doorgebracht, kwamen hem nu goed van pas. Maduro schreef op wat Wttewaall van Stoetwegen diende te vertellen als hij verhoord werd. Later gaf Maduro een kaart van Rusland aan Wttewaall van Stoetwegen, die hem de eerste keer niet durfde aan te nemen. Pas bij de tweede keer accepteerde hij de kaart. De reden hiervoor was waarschijnlijk om Wttewaall van Stoetwegen een opsteker te geven in de lastige situatie. In de gevangenis ondernamen Maduro en Wttewaall van Stoetwegen twee ontsnappingspogingen. Tijdens geallieerde bombardementen, konden zij ontsnappen. Op 11 mei 1944 deden zij een poging toen de Amerikanen Saarbrücken bombardeerden. Er vielen vijf voltreffers op de gevangenis, zoals Wttewaall van Stoetwegen beschreef:

‘Het was net voor het eten. George zat te lezen toen het gebeurde en hij zat ongeveer dertig meter van de inslag af. Alle cellen werden opengegooid, twee vleugels waren zwaar geraakt, de onze had toevallig niets. Ik liep meteen naar George zijn cel, hij was al weg en ik ontmoette hem in het puin met een Duitse 'Luftschutzhelm' op zijn hoofd en mijn regenjas aan. We konden weg maar George vond het immoreel daar hier mensen onder het puin lagen te gillen. We hebben er twee uitgegraven wat Polen bleken te zijn […]. Later vertelde ons de oppercipier (Herr Oberverwalter!) dat we als het Duitsers geweest waren een lintje gekregen zouden hebben.’ De bombardementen zorgden voor angstige momenten. En meer dan eens zaten de mannen in angst bij de deur van hun cel, want daar was het veiliger dan onder het raam. Totdat er tijdens een bombardement iets bijzonders gebeurde.

‘Op een zekere dag toen ze weer kwamen en Saarbrücken hevig gebombardeerd werd, heeft een Pool George zijn cel die alleen op de klik zat geopend. George holde toen naar de mijne, maakte die open en daar het personeel in de schuilkelder zat, hebben we geprobeerd weg te komen. George had zijn eigen kleren aan en ik gevangenis-kleren. Maar hij had, daar hij mijn jas aanhad die hij snel aan mij gaf om aan te trekken zodat ik toen ook minder op viel, gelegenheid met mij weg te komen tot buiten de muur, waar we gesnapt werden door de directeur van de gevangenis met het pistool in de hand. We hebben ons eruit gepraat door te zeggen dat we naar de schuilkelder zochten, ze hebben toen een week gezocht naar de vent die onze cellen had opengemaakt, maar niet gevonden.’ Hoewel ze buiten de gevangenis waren gekomen, werden zij meteen weer gevangen gezet. Na 46 weken werden Wttewaall van Stoetwegen en Maduro van elkaar gescheiden. Het was eind juli 1944. Oncko werd afgevoerd naar Sachsenhausen, terwijl Maduro naar Dachau ging. Wttewaall van Stoetwegen woog op dat moment 56 kilo. Maduro liep op dat moment moeilijk en had last van zijn hart.

Op 25 november 1944 arriveerde Maduro in Dachau, nadat hij 11 dagen op transport had gezeten. Daar stierf hij op 8 februari 1945 aan de vlektyfus. Op zijn sterfakte staat 9 februari, maar dit is de datum waarop de akte ondertekend is, in plaats van de datum waarop hij overleden was. Ter nagedachtenis werd in 1952 in Den Haag de miniatuurstad Madurodam opgericht. Destijds ging de opbrengst van het park naar studenten die aan tuberculose leden. Tegenwoordig gaat het geld naar goede doelen voor kinderen. Postuum werd hem in 1946 de Militaire Willems-Orde 4e klasse toegekend voor zijn bijdrage aan de meidagen van 1940.

Oncko Wttewaall van Stoetwegen overleefde de oorlog, maar kon die nooit verwerken. Uiteindelijk maakte hij zijn rechtenstudie af en trouwde in 1949 met Machteld van Loon. Hij overleed in 1991.


Bronnen

Boeken


Versie: 4-9-2018 Artikel door: Samuel de Korte

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/5095/Maduro-George.htm