Verhoor Hans Fritzsche 2

Ochtendzitting 1 27-06-1946

(Beklaagde Fritzsche neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
De BODE (Luitenant-kolonel James R. Gifford): Met welnemen van het Tribunaal, er wordt melding gemaakt dat beklaagde Von Ribbentrop afwezig is.
Dr. FRITZ: Meneer de President, Heren van het Tribunaal, allereerst een zeer korte uitleg: Gisteren heb ik de Aanklacht herhaaldelijk genoemd en ben van plan dat in de loop van het verhoor weer te doen. Daarmee bedoel ik de presentatie van de zaak tegen Fritzsche door Captain Sprecher tijdens de ochtendzitting van 23 januari 1946.
Meneer Fritzsche, gisteren had u het over uw radiotoespraken betreffende de propaganda van de Geallieerden – mijn laatste vraag: Probeerde u met uw propaganda een wig te drijven tussen de Geallieerden?
FRITZSCHE: Natuurlijk probeerde ik dat. Ik weidde uit over alle ideologische en alle practische politieke tegenstellingen en verschillen tussen de afzonderlijke Geallieerde landen. Ik vond dat een aanvaardbare manier van oorlog voeren. Destijds wilde ik net zo graag een scheiding tussen de Geallieerden als ik vandaag hun eenheid wens, omdat Duitsland het eerste slachtoffer van welk conflict dan ook zou worden.
Dr. FRITZ: Nu wordt u ervan beschuldigd te hebben geassisteerd bij het vestigen van de Nazi overheersing in heel Duitsland. Hebt u geageerd tegen de democratie?
FRITZSCHE: Ik heb nooit tegen de democratie als zodanig geageerd. Ik viel de democratie van de 36 partijen aan, de democratie die voorheen in Duitsland had geheerst, de democratie waaronder zelfs sterke groeperingen zoals bij voorbeeld de twee Marxistische partijen machteloos waren. Ik bekritiseerde buitenlandse democratieën slechts op twee punten: ten eerste de elementen die het basisprincipe van de democratie beperken – ik denk dat het overbodig is en misschien wordt het verkeerd begrepen als ik die vandaag noem. Ten tweede bekritiseerde ik de eis van de buitenlandse democratieën om hun regeringsvorm aan ons op te dringen. Volgens mijn kennis en informatie van destijds leek me dat niet gerechtvaardigd.
Dr. FRITZ: Vond u de dictatuur een betere regeringsvorm?
FRITZSCHE: Ik zou willen benadrukken dat ik dat, onder de heersende omstandigheden en slechts voor een tijdelijke noodtoestand destijds wel vond, vandaag natuurlijk niet. Nadat deze totalitaire regeringsvorm de ramp heeft veroorzaakt van de moord op 5 miljoen mensen vind ik deze regeringsvorm zelfs in tijden van nood verkeerd. Ik geloof dat elke vorm van democratische controle, zelfs een beperkte democratische controle een dergelijke ramp zou hebben voorkomen.
Dr. FRITZ: U wordt er verder van beschuldigd de leer van het Herrenrasse te hebben verspreid. De Aanklager uit deze beschuldiging indirect tegen u. Hoe staat het daarmee?
FRITZSCHE: Ik heb de theorie van het Herrenrasse niet uitgevonden noch verbreid. Ik heb zelfs die term vermeden. Ik heb het gebruik van die term door de Duitse pers en de radio uitdrukkelijk verboden toen ik de leiding had over de een of de ander. Ik meen dat de term Herrenrasse een grotere rol speelde in de anti-Nationaalsocialistische propaganda dan in Duitsland zelf. Ik weet niet wie die term heeft uitgevonden. Naar mijn weten werd die alleen maar in het openbaar door bijvoorbeeld mensen als Dr. Ley gebruikt, mensen – en dat moet ik duidelijk en openlijk uitleggen – mensen die in dit verband door niemand serieus werden genomen. Het is echter waar dat deze term, zonder dat die openlijk werd gebruikt, een grote rol speelde binnen de SS vanwege haar raciale exclusiviteit; maar mensen met intellect, tact en inzicht en met enige kennis van de wereld vermeden het gebruik van dit woord zeer zorgvuldig.
Dr. FRITZ: Meneer de President, bij deze gelegenheid zou ik het Tribunaal een verklaring van Dr. Scharping van 17 mei 1946 willen presenteren. Dr. Scharping was tot het einde Ministerialrat op het Ministerie van Propaganda. Uit deze verklaring zal ik een zin citeren van pagina 13. Ik citeer:
“In dit verband kan worden verklaard dat Fritzsche altijd tegen de term Herrenrasse was. Hij verbood zelfs uitdrukkelijk het gebruik van dit woord op de radio.”
(tot de beklaagde): Maar de Aanklager heeft een passage geciteerd uit een van uw radiotoespraken om die bewering te bevestigen.
FRITZSCHE: Het citaat is juist maar ik verzoek u het goed te lezen. De term Herrenrasse wordt in dit citaat geweigerd voor Joden en het Duitse volk. Het citaat kan niet woren misverstaan.
Dr. FRITZ: Meneer de President, dat staat in Captain’s Sprecher’s toespraak tot de Aanklager, de Engelse tekst pagina 31 en 32.
(tot de beklaagde): Maar u ging door met propaganda voeren, niet alleen in Duitsland maar ook in het buitenland. Wat was het verschil?
FRITZSCHE: Er was geen verschil in mijn radiotoespraken. Voor het uitbreken van de oorlog maakte ik kleine verschillen in de toespraken voor Duitsland en die voor andere landen, gewoon omdat het publiek anders was en omdat ik daar een andere mate van kennis moest aannemen. Tijdens de oorlog werden mijn toespraken via de Reichsrundfunk gewoon op de korte golf uitgezonden. Wat voor Duitsland of voor andere landen werd gezegd kon door beide kanten worden gecontroleerd. Bovendien heb ik in de 12 jaar dat ik op de Duitse radio sprak nooit toegestaan dat mijn toespraken werden vertaald omdat dat altijd een verschil opleverde. Geschreven artikelen kunnen worden vertaald, officiële toespraken misschien ook maar geen lichtvoetige en half geïmproviseerde praatjes.
Dr. FRITZ: Werden uw uitzendingen internationaal bekritiseerd?
FRITZSCHE: Ja, zeer vaak. Tijdens de oorlog was er vaak dagelijks kritiek uit een of ander land. Ik liet die kritieken verzamelen. Ik heb ze als document aangevraagd maar mijn verzoek is door het Tribunaal afgewezen. Voor zover ik weet word ik in deze kritieken niet beschuldigd van het aanzetten tot oorlog.
Dr. FRITZ: Nu fungeerde u niet alleen als uitlaat voor propaganda maar ook als opsteller ervan. U wordt ervan beschuldigd te hebben geholpen bij het creëren van een belangrijk instrument van de vermeende samenzwering. De aanklager zegt dat u 13 jaar lang hebt geholpen bij het scheppen van de propagandamachine die de samenzweerders zo goed hebben kunnen gebruiken. Hebt u de persorganisatie van de Nationaalsocialistische staat gecreërd?
FRITZSCHE: Nee, ik heb die organisatie niet opgzet en ik heb ook geen deel gehad aan het opzetten ervan. Die werd opgezet door Dr. Goebbels, Dr. Dietrich en Reichsleiter Amann. Toen ik in de winter van 1938 aan het hoofd kwam van de zogeheten Duitse perssectie probeerde ik de beperkingen die aan de Duitse pers waren opgelegd te verzachten. Ik probeerde dat op het terrein van het materiaal en het personeel. Ik haalde bijvoorbeeld honderden redacteuren die in 1933 en 1934 waren ontslagen terug naar hun werk bij de pers. Vandaag de dag zullen die kwaad op mij zijn maar ik deed het destijds met de beste bedoelingen. Als aanvulling op de officiële persconferenties die onder zeer strenge controle van mijn meerderen stonden, ook wat de verslagen ervan betrof, organiseerde ik ook de zogenaamde aanvullende conferenties waar ik de vertegenwoordigers van de 50 of 60 grootste kranten ontmoette en met hen in meer vrijheid de mogelijkheden van hun werk besprak. Ik uitte als eerste de leuze die daar vaak werd gebruikt: “U kunt in de Duitse kranten iedere kritiek schrijven die u wilt, vooropgezet dat een dergelijke kritiek niet wordt getoond in grote koppen maar ergens in de tekst in een elegante vorm wordt weggestopt.” Vele Duitse journalisten hebben in de afgelopen 12 jaar van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Ik zou blij zijn wanneer dit werk, dat verborgen werk was, vandaag op de een of andere manier geëerd zou worden in het belang van die mensen die gedeeltelijk alleen maar naar hun werk als journalist terugkeerden uit persoonlijk vertrouwen in mij. Ik moet er natuurlijk aan toevoegen dat de mogelijkheid van kritiek niet onbeperkt was.
Dr. FRITZ: Meneer de President, bij deze gelegenheid dien ik met toestemming van het Tribunaal een document in als document Fritzsche-4. Het is een uittreksel uit een brief van de Duitse Generalleutnant Dittmar die tijdens de oorlog regelmatig op de Duitse radio de militaire situatie besprak en die nu in Britse gevangenschap is. De bekende Engelse radioreporter, Mr. Liddell-Hart heeft een uittreksel van die brief aan de Britse Aanklager gezonden. Ik zou dit memorandum dat mij is toegezonden kort willen citeren. Mag ik deze passage citeren?
De PRESIDENT: Ja, dat mag u.
Dr. FRITZ: Dittmar schrijft dat de mogelijkheid tot behoud van de kritische houding bij zijn radiocommentaar voornamelijk te danken is aan de stilzwijgende toestemming en bescherming van Hans Fritzsche, de directeur van de politieke radio. Hij gelooft dat Fritzsche een geheime tegenstander van het regime was en dat hij blij was met de kans, een commentator te hebben gevonden die op discrete wijze ideeën uitte die overeenkwamen met die van hem en op een verraderlijke manier leidden tot een afname van het vertrouwen in het regime.
Volgend op dit citaat is er nog een citaat uit de verklaring van Dr. Scharping die ik al heb ingediend als document Fritzsche-2. Het staat op pagina 11 van deze verklaring en ik citeer:
“De radiomensen en de journalisten kenden Fritzsche’s tolerantie heel goed. Het gebeurde bijvoorbeeld vaak dat Fritzsche op zijn persconferentie een nummer van de Völkische Beobachter in zijn hand had en ironisch commentaar leverde op een anti-Joods artikel. Ik herinner me dat hij eens zijn kritiek met ongeveer de volgende woorden uitdrukte:
“Een Berlijnse krant’ – toen hield hij de Völkische Beobachter omhoog zodat iedereen die kon zien – “heeft weer eens in een redactioneel artikel meer dan twee blunders gemaakt. Misschien zal de uitgever er ooit in slagen de spijker eens op zijn kop te slaan.”
“Met dergelijke ironische opmerkingen had Fritzsche altijd de instemming van zijn luisteraars maar er bestond enig gevaar voor hem want Goebbels las dagelijks de verslagen van deze persconferenties.”
Meneer Fritzsche, volgend op de verklaring van Generalleutnant Dittmar, een vraag. Voelde u zich een vijand van het systeem of hoe komt Generaal Dittmar bij zijn uitspraak?
FRITZSCHE: Ik was geen vijand van het systeem. Het zou belachelijk en onwaardig zijn zoiets vandaag te beweren. Maar ik was wel degelijk een tegenstander van de misbruik van het systeem. Het meest duidelijke dat ik ook het meest tegenkwam omdat het op mijn werkterrein lag, was het goedpraten van slecht nieuws tijdens de oorlog. Het doel van mijn hele nieuwsbeleid was realiteit en blijkbaar is dat het wat Generaal Dittmar bedoelt in het deel van zijn verklaring dat hier is voorgelezen.
Ik ontmoette Generaal Dittmar in december 1942 of januari 1943 op het moment waarop het Duitse 6de leger bij Stalingrad al omsingeld was maar dit feit nog geheim werd gehouden voor de Duitse bevolking. Samen met Generaal Dittmar kondigde ik, tegen het verbod in, het feit aan dat het 6de leger bij Stalingrad omsingeld was. Dat veroorzaakte destijds grote opwinding.
In de volgende maanden en jaren verdedigde ik Generaal Dittmar en zijn realistische presentatie van de militaire situatie altijd tegen alle aanvallen, in het bijzonder tegen de aanvallen door de Partij, maar ook tegen de aanvallen van Buitenlandse Zaken dat er herhaaldelijk op wees dat die sombere presentatie van Generaal Dittmar een nadelig effect had op Duitsland’s bondgenoten.
In verband met deze strijd voor een realistische nieuwsdienst – en ik vraag toestemming dit hier kort te mogen noemen – voerde ik later een verbeten strijd tegen de onverantwoordelijke propaganda over de wonderwapens. Pas een jaar nadat Dr. Goebbels de toekomstige wonderwapens had genoemd, meldde ik voor het eerst een nieuw type wapen. Speer heeft SS-Standartenführer Berg genoemd van wie wordt gezegd dat hij heimelijk propaganda voerde over wonderwapens in samenwerking met het Ministerie van Propaganda.
Hij schreef een artikel in Das Reich, dat veel aandacht trok, met de sensationele en veelbelovende titel: “Wij, de dragers van geheimen.” Ik moest vechten tegen zulke dingen.
Een ander bijzonder opvallend voorbeeld was dit: Een ander lid van de SS, Hernau schreef op het moment waarop de invasie was geslaagd, een artikel waarin hij de situatie afschildeerde alsof de evacuatie uit Frankrijk (uit Duinkerken, vert.) een geheime truc van het Opperbevel was geweest dat de mogelijkheid bood voor een bijzonder sterke tegenaanval. Ik verbood dit artikel op mijn terrein en ik moest herhaaldelijk stelling nemen tegen de onverantwoordelijke geruchten over mysterieuze wapens die heimelijk de ronde deden. Dat deed ik in het openbaar en ik noemde op de radio duidelijk mijn standpunt tegen deze propaganda.
Aan de andere kant mag ik erop wijzen dat mijn meerderen op elk moment van de oorlog mij altijd goed gefundeerde beloften deden, ten eerste over een of ander militair offensief dat net werd voorbereid; bijvoorbeeld een doorstoot vanuit oost-Pruissen naar het zuiden; een doorstoot vanuit Opper-Silezië naar de Vistula, een doorstoot vanuit de Elzas naar het noorden en zo voorts. Hand in hand met deze beloften, die uiterst gedetailleerd waren, gingen de politieke beloften die gisteren kort zijn genoemd, anders gezegd de beschrijving gegeven door Dr. Goebbels dat in het buitenland politeke onderhandelingen gaande waren met de vijand aan een of andere kant.
Dr. FRITZ: Een andere vraag: Wie had de leiding over het persbeleid?
FRITZSCHE: Reichspressechef Dr. Dietrich. Hij gaf zeer gedetailleerde instructies, vaak in nauwkeurige bewoordingen, de zogenaamde “spreuk van de dag van de Reichspressechef.” Over het algemeen gaf hij zelfs de tekst van de commentaren die bij de persconferentie moesten worden gebruikt.
Dr. Dietrich was de meeste tijd op het hoofdkwartier van de Führer en kreeg zijn instructies rechtstreeks van Hitler. De vertegenwoordigers van Dr. Dietrich waren Sundermann en Lorenz.
De tweede factor die van belang was voor het Duitse persbeleid was Reichsleiter Amann die aan het hoofd stond van de organisatie van uitgevers. De derde factor was Dr. Goebbels als Rijksminister van Propaganda. Dietrich en Amann waren in naam aan hem ondergeschikt; in feite hadden beiden hetzelfde gezag als hij en ik moest altijd de verschillen tussen deze drie autoriteiten glad strijken.
Dr. FRITZ: Richtte u de organisatie van de journalistieke nieuwsdienst op?
FRITZSCHE: Ja, ik heb die organisatie opgericht. In principe was die van mij afkomstig. Ik mag verwijzen naar mijn verklaring, 3496-PS, punt 17. Ik had de leiding over de journalistieke nieuwsdienst van ongeveer 1934 tot 1938. Ik was trots op het feit dat aan het begin van de oorlog zelfs de vijand het goede functioneren van die dienst erkende. Op die tijd stond ik echter niet meer aan het hoofd van de afdeling nieuwsdienst. Als deskundige richtte ik die organisatie op in vredestijd zonder na te denken over de mogelijkheid van het gebruik ervan in oorlogstijd. De conclusie van de Aanklager dat ik ook de inhoud van het nieuws bepaalde is onjuist.
Dr. FRITZ: De Aanklager heeft gezegd dat het Ministerie van Propaganda de beroemdste leugenfabriek was ooit. Wat hebt u daarop te zeggen?
FRITZSCHE: Allereerst, voor mij persoonlijk, zou ik het volgende heel duidelijk willen maken. Ik verklaar onder ede: In echt serieuze kwesties van beleid en het voeren van de oorlog heb ik nooit enige falsificatie gepleegd en heb nooit bewust ook maar een enkele leugen verteld.
Hoe vaak ikzelf het slachtoffer ben geworden van een vervalsing of een leugen kan ik na de onthullingen tijdens dit proces niet zeggen. Hetzelfde geldt, voor zover ik weet voor al mijn medewerkers maar ik wil op geen enkele manier ontkennen dat ik en mijn medewerkers nieuws en citaten selecteerden volgens een bepaald patroon. Het is de vloek van propaganda in oorlogstijd dat men alleen maar in zwart/wit werkt. Slechts een klein aantal grote geesten blijft onafhankelijk. Ik geloof dat deze voorstelling in zwart/wit een luxe is die men zich ook niet langer kan veroorloven.
Wat het Ministerie van Propaganda als zodanig betreft moet ik zeggen dat ik alleen maar kan oordelen over dat 1/12de deel, die ene afdeling waarover ik destijds de leiding had. Maar naar mijn weten is het een vergissing om te geloven dat op het Ministerie van Propaganda duizenden kleine leugens werden verzonnen. In principe werkten we zuiver en eerlijk, technisch gezien zelfs perfect. Als we over duizenden dingen hadden gelogen dan zou de vijand ons veel gemakkelijker hebben kunnen aanvallen dan het geval was. Maar beslissend voor zo’n nieuwsdienst is niet het detail maar de uiteindelijke fundamentele basis waarop propaganda is gebaseerd. Beslissend is het geloof in de betrouwbaarheid van de leiders van de staat, waarop iedere journalist moet vertrouwen en deze basis is geschonden door wat er vandaag bekend is geworden over massamoord, zinloze wreedheden en door de twijfel aan de eerlijkheid van Hitler’s beloften voor vrede; ik ben niet in staat om over de feitelijke details te oordelen.
Dr. FRITZ: Tijdens dit proces is erop gewezen dat er in internationale wetgeving geen regels bestaan voor de wijze van propagandavoeren in oorlog en in vrede.
FRITZSCHE: Ik weet heel goed dat internationale wetgeving geen beperkingen oplegt aan propaganda, in het bijzonder aan propaganda in oorlogstijd. Ik weet ook heel goed dat er maar in een paar afzonderlijke verdragen tussen staten regels staan over het gebruik van propaganda; bijvoorbeeld in het Duits-Poolse verdrag en in het Duits-Russische verdrag. Maar gedurende mijn hele leven als journalist heb ik erop gewezen dat het ontbreken van internationale regels geen excuus is voor leugens. Ik heb altijd de morele verantwoordelijkheid van de journalist en de nieuwsman benadrukt. Ik heb dat lang voor de oorlog gedaan in een internationale discussie op Radio Luxemburg maar het zou te ver voeren om er hier op in te gaan.
Als ik laatst in mei niet de dood heb gezocht, een van de redenen was mijn wens – ik wilde het verhaal vertellen waar in dat systeem het zuivere idealisme zat en de heroische offers van miljoenen en waar de leugens en de wreedheden zaten die niet terugdeinsden voor het plegen van misdaden.
Dr. FRITZ: Noemt u ons alstublieft voorbeelden van gevallen waarin u zich bedrogen voelde.
FRITZSCHE: Gedurende dit proces werd het bericht besproken dat rondging aan het begin van de oorlog tegen Polen over de aanval op het radiostation van Gleiwitz. Destijds geloofde ik heilig in de waarheid van dit officiële Duitse nieuws. Ik hoef over die kwestie niets te zeggen.
Dan, in december vorig jaar, hier in de gevangenis in Neurenberg realiseerde ik me uit een gesprek met Grossadmiral Raeder dat het in feite een Duitse U-boot was geweest die de Athenia had getorpedeerd. Tot aan dat moment had ik heilig geloofd in de waarheid van het officiële Duitse rapport dat er geen Duitse onderzeeboot in de buurt was geweest. Ik heb mijn advocaat verzocht de felste uitlatingen die ik in mijn radiotoespraken over de Athenia deed eruit te halen en aan mijn documentenboek toe te voegen. Dat zijn uitlatingen die feitelijk tegen mij zouden spreken maar die aan de andere kant aantonen dat ik niet alleen werkte op basis van het officiële Duitse nieuws maar dat ik ook nieuws verzamelde dat de officiële Duitse versie ondersteunde; bijvoorbeeld het feit dat het in eerste instantie niet openbaar werd gemaakt en daarom verdacht was; dat het wrak van de Athenia, een dag na de ramp door Britse destroyers met kanonvuur tot zinken werd gebracht, iets wat voor zich spreekt in het belang van de scheepvaart maar wat mij destijds verdacht leek. Ik heb ook Amerikaans nieuws over hetzelfde onderwerp gebruikt. Maar het meest indrukwekkende valse nieuws waarvan ik het slachtoffer ben geworden werd uitgegeven in de laatste paar dagen van de oorlog. Dat moet ik omschrijven om de zaak duidelijk te maken.
In de dagen waarin Berlijn door het Russische leger werd omsingeld werd de inwoners van Berlijn verteld dat een bevrijdingsleger, het leger van Generaal Wenk naar Berlijn optrok; dat er geen gevechten meer plaats vonden aan het Westelijk Front. Het nieuws werd verspreid dat Von Ribbentrop naar het Westelijk Front was gegaan en daar een verdrag had gesloten en er werden in Berlijn pamfletten gedrukt die ongeveer deze tekst bevatten: “Soldaten van het Wenkleger, wij Berlijners weten dat jullie tot Potsdam gevorderd zijn. Vlug, kom snel en help ons.” Deze pamfletten werden gedrukt op een tijdstip waarop het leger van Wenk al niet meer bestond en verslagen was. Die pamfletten werden blijkbaar onopzettelijk boven Berlijn verstrooid om de inwoners van Berlijn nieuwe moed in te spreken. Dat gebeurde in de dagen waarin Hitler, volgens de getuigenis van Speer, zijn gevolg al had verteld dat het geen zin meer had nog iets voor de rest van de Duitse bevolking te doen.
Dr. FRITZ: Meneer de President, de twee radiotoespraken over de kwestie rond de Athenia die beklaagde Fritsche heeft genoemd zitten in het document Fritzsche-1 dat ik gisteren heb ingediend. Ik verwijs alleen aar de inhoud van deze toespraken.
(tot de beklaagde): Noemt u alstublieft voorbeelden van onwaarheden die u bekend waren en die u niet als leugens beschouwde.
FRITZSCHE: Een voorbeeld is de zogenaamde V-mars. Kolonel Britton, een Britse kolonel riep op tot deze V-mars, deze Victory mars op de Britse radio. Op dezelfde avond stond ik voor een Duitse microfoon en zei, blijkbaar onschuldig: “We zullen een V-mars houden, de V staat voor Victorie.” Toen zei Kolonel Britton dat ik de V van hem had gestolen. Ik zei dat dat niet het geval was, dat ik hem het eerst had bedacht.
Dr. FRITZ: Als u dacht dat u alleen volgens de waarheid handelde, waarom dan uw scherpe taal, waarom het verbod op het luisteren naar buitenlandse radiozenders?
FRITZSCHE: Ik heb in mijn verklaring al benadrukt dat naar mijn mening mijn taal altijd minder scherp was dan die van mijn tegenstanders. Het verbod op het luisteren naar buitenlandse radiozenders werd zeer tegen mijn wil uitgevaardigd. Dit verbod was voor mij alleen maar hinderlijk in mijn discussies met mijn buitenlandse tegenstanders in de diverse landen. Vanwege dit verbod moest mijn vijand om zo te zeggen, half in de schaduw spreken, ik kon niet officieel met hem spreken maar aan de andere kant wist ik dat veel van mijn luisteraars hem hadden gehoord.
Mag ik hier opmerken dat ik altijd voor een milde straf was tegen de overtreders van het verbod om te luisteren naar buitenlandse radiozenders. Juridische autoriteiten vroegen mij als deskundige altijd om raad. Ik mag benadrukken dat ik in het bijzonder na Stalingrad mijn eigen luisterdienst opzette voor de Russische radio om achter de namen te komen van de soldaten die bij Stalingerad gevangen waren genomen die op de radio werden genoemd en die door te geven aan hun verwanten omdat het voor mij wreed leek de verwanten een dergelijke bron van informatie over het lot van hun naasten te onthouden.
Bovendien was er maar een alternatief met betrekking tot het verbod op luisteren naar de radio. Dat was ofwel het in beslag nemen van alle radio’s en zo het hele Duitse omroepstelsel afschaffen – de Partij eiste dit vaak – ofwel een verbod op het luisteren naar buitenlandse zenders dat mij het minste van de twee kwaden leek.
Tenslotte waren we in oorlog en de vijand was niet zo nauwgezet in zijn methoden. Ik zou een voorbeeld willen geven. Dat was de zender Gustav Siegfried 2, die aan het begin van zijn uitzendingen in Duitsland luisteraars won met verhalen die ik niet nader wil omschrijven maar die mij ertoe brachten mijn eigen luisterpost te verbieden naar dit station te luisteren.
Dr. FRITZ: U wordt ervan beschuldigd te hebben aangedrongen op een beleid van meedogenloze uitbuiting van de bezette gebieden. Erkent u een dergelijk beleid?
FRITZSCHE: Nee. Het doel van mijn hele propaganda arbeid in Europa was en moest zijn de volkeren van Europa te winnen voor de Duitse zaak. Al het andere zou onlogisch zijn geweest. Alle radiouitzendingen in alle Europese talen, die onder mijn leiding werden gemaakt, hadden jarenlang maar een doel: vrijwillige samenwerking te verkrijgen, in het bijzonder van de bezette gebieden, voor de strijd van het Reich.
Dr. FRITZ: Was u van mening dat het Duitse bestuur in de bezette gebieden vrijwillige samenwerking aanwierf?
FRITZSCHE: In het begin zeker met een enkele uitzondering. Dat was Koch in de Oekraïne. Anders zochten, voor zover ik kon nagaan, alle besturen van de bezette gebieden deze samenwerking min of meer met vaardigheid. Ik zag de enorme inspanningen die de Geallieerden zich getroosten om dit Duitse beleid van samenwerking te dwarsbomen, iets wat zeer gevaarlijk voor hen was. Ik zag dat de Geallieerden bij deze pogingen allereerst hun middelen van propaganda toepasten. Dat alleen zou niet hebben gewerkt. Daarna zag ik dat ze andere middelen gebruikten bij deze pogingen, opstand en sabotage. Die laatste inspanningen hadden meer succes. Opstand lokte altijd wraakacties uit en wraakacties leidden altijd tot nieuwe opstanden. Ik hoop dat ik niet verkeerd begrepen wordt, en dit is niet cynisch bedoeld, wanneer ik het volgende zeg: Als propagandist vond ik bijvoorbeeld de moord op Heydrich een klein succesje. De verwoesting van Lidice, uitgevoerd door de Duitsers was echter een geweldig succes voor de Geallieerden. Anders gezegd, ik was en moest altijd een tegenstander van wraakacties zijn.
Dr. FRITZ: Wist u van wraakacties? Hoe ging u daarmee om in uw propaganda?
FRITZSCHE: Over Lidice, dat ik net heb genoemd, hoorde ik pas maanden later omdat ik toen aan het Oostfront was. Ik hoorde alleen maar – en dat is belangrijk – over de verwoesting van huizen in Lidice en het verjagen van de inwoners. Ik hoorde pas hier in de rechtszaal over de moord op een deel van de inwoners. Ik hoorde dat er gijzelaars werden genomen maar niet dat ze werden gedood. Het doden van gijzelaars werd alleen in de bezette gebieden bekend gemaakt. Als er ergens anders executies plaatsvonden werd mij altijd gezegd dat het ging om personen die ter dood waren veroordeeld wegens opstand of samenzwering. Het Nacht und Nebelbefehl was mij ook niet bekend. Aan de andere kant hoorde ik regelmatig over boetes die aan steden of districten waren opgelegd. In onze propaganda verwezen we altijd naar de oorzaken van dergelijke wraakacties.
Dr. FRITZ: En hoe beschreef u in uw propaganda het werk van het Duitse bestuur?
FRITZSCHE: Ik heb altijd verwezen naar de bouwwerkzaamheden die ondanks alle moeilijkheden en tegenstand in de bezette gebieden werden uitgevoerd, in het bijzonder en ver vooraan het werk voor de uitbreiding van de landbouw, daarna naar de toename van de industriële productie. Ik liet verwijzingen maken naar de bevoorrading van de bezette gebieden met voedsel, vaak uit, dat wil ik benadrukken, beperkte Duitse voorraden. Ik liet rapporten opstellen over het stichten van scholen en ik ontving vaak zeer indrukwekkende rapporten en liet die bewerken over bijvoorbeeld de bevoorrading van steden als Parijs, ondanks sabotage door de vijand van spoorlijnen of andere lijnen van bevoorrading. Ik liet die rapporten verzamelen in permanente dossiers en liet er hele series toespraken over maken. Er waren veel van dergelijke rapporten. Ik moet benadrukken dat er voor zover ik weet in geen enkel door Duitsers bezet gebied een kindersterfte van 80 procent was en in geen enkel gebied lagen er velden braak. Het is gewoon niet waar, zoals de Aanklager hier eens heeft gezegd, zij het in een moment van opwinding, dat Duitsland en de Duitsers tijdens de oorlog goed gevoed en gelukkig waren terwijl de bezette gebieden verhongerden. Dat is niet waar.
Dr. FRITZ: Wat wist u van slechte toestanden in de bezette gebieden?
FRITZSCHE: Bovenal, de mislukking van de oproep aan de bevolking zichzelf te besturen en het gebrek aan beslissende politieke concessies aan de landen die zichzelf bestuurden. Direct na de campagne in Frankrijk heb ik herhaaldelijk het opstellen geëist van een Magna Charta voor Europa waarin de grondrechten van de Europese volkeren waren vastgelegd. Ik schreef vele memoranda over dit onderwerp die door Dr. Goebbels werden aanvaard en aan Hitler getoond. Toen ik in de herfst van 1942 besloot terug te keren naar het Ministerie van Propaganda was een van de beloften die Dr. Goebbels mij deed dat eindelijk het Magna Charta voor Europa zou worden uitgeroepen.
Dr. FRITZ: Meneer de President, bij deze gelegenheid zou ik een passage willen citeren uit de verklaring van Scharping, document Fritzsche-2, pagina 13 van de verklaring:
“Na de bezetting van diverse Europese landen vaardigde Fritzsche richtlijnen voor persberichten uit dat de volkeren van Europa een statenbond moesten vormen op basis van gelijkheid met Duitsland. Hij zei mij een aantal toespraken over dit onderwerp uit te werken waarin dit standpunt een beslissende rol moest spelen en dat op hetzelfde moment de autoriteiten aanwijzingen moest geven voor een gezonde hervorming van de bezette gebieden.”
(tot de beklaagde): Wist u wat er hier door de Aanklager is gezegd over de activiteiten van de politie in de bezette gebieden?
FRITZSCHE: Nee.
Dr. FRITZ: Op dit punt zou ik een vraag willen inlassen. Ik heb getuige Paulus al gevraagd naar uw optreden nadat u hoorde van het Kommissarbefehl. Hoe staat het daarmee?
FRITZSCHE: Ik hoorde over het bevel, gevangen genomen Sovjet commissarissen te executeren begin mei 1942 toen ik bij het 6de leger kwam. Ik was er direct op tegen. Of het uitgevoerd werd of niet weet ik niet. Feldmarschall Paulus heeft ongetwijfeld gelijk toen hij het opvolgen van deze order door zijn leger al voorkomen had. Hoe dan ook, ik maakte me er sterk voor dat dit bevel als zodanig werd ingetrokken en dat bereikte ik ook. Het 6de leger gaf op mijn advies bepaalde informatie aan het OKW of aan de Staf Operaties van de strijdkrachten. Ik ben er bovendien van overtuigd dat veel legerleiders op dezelfde manier handelden als de commandant van het 6de leger en het bevel gewoon niet opvolgden. Hoe dan ook, later werd het uitdrukkelijk ingetrokken.
Dr. FRITZ: De Aanklager citeert twee passages uit uw radiotoespraak van 5 juli 1941. Meneer de President, dat staat in het Engelse verslag van Captain Sprecher, pagina 32 en 33.
(tot de beklaagde): De Aanklager trekt uit die toespraak de conclusie dat u hebt aangezet tot meedogenloze maatregelen tegen de bevolking van de Sovjet-Unie. U zou de bevolking van de Sovjet-Unie belasterd hebben.
De PRESIDENT: We kunnen het hier niet vinden. Wat is het PS nummer?
Dr. FRITZ: Het staat in het transcript, Meneer de President.
De PRESIDENT: We hebben het transcript hier niet. We hebben het documentenboek. Het documentenboek heeft geen pagina 32 en 33. Het heeft alleen 32 en 31 en een beetje....
Dr. FRITZ: Ik kan u het documentnummer geven, dat is 3064-PS, bewijsstuk USA-723 en ....
De PRESIDENT: Het is pagina 14 in ons boek. Nou, zei u 5 juli?
Dr. FRITZ: 5 July 1941.
De PRESIDENT: Nou, ik heb 7 juli en 10 juli maar 5 juli niet. Welke pagina van het stenografisch verslag is het? Weet u dat?
Dr. FRITZ: Pagina 32, pagina 33 van het Engelse transcript. Ik heb het Engelse transcript hier.
De PRESIDENT: Welnu, dan kunt u het maar beter voorlezen.
Dr. FRITZ: Deze passage uit Captain Sprecher’s verklaring voor de Aanklager luidt:
“Brieven van het front, film journalisten, propaganda eenheden toegevoegd aan het Duitse leger waar het ook maar optrok, P.K. verslaggevers en soldaten met verlof bevestigen: In deze oorlog in het Oosten is het niet de ene ideologie die tegen de andere strijdt, niet het ene politieke systeem tegen het andere maar cultuur, beschaving en menselijke waardigheid zijn in opstand gekomen tegen de duivelse principes van een onderwereld.”
FRITZSCHE: Ik zou het volgende willen zeggen: Met deze uitspraak riep ik niet op tot meedogenloze maatregelen tegen de bevolking van de Sovjet-Unie en ook heb ik de bevolking van de Sovjet-Unie niet willen beledigen. Ik verwijs naar de volledige tekst van de toespraak van 5 juli. Ik wil die toespraak niet voorlezen maar ik zou toestemming willen vragen die kort samen te vatten.
Dr. FRITZ: Meneer de President, in mijn documentenboek-1 heb ik alle radiotoespraken – ik weet niet of het Tribunaal dat al heeft.
De PRESIDENT: Nee, we hebben het niet.
Dr. FRITZ: Ik heb de volledige tekst van al deze radiotoespraken van beklaagde Fritzsche waaruit de Aanklager passages tegen hem heeft geciteerd in mijn documentenboek.
De PRESIDENT: Het is mij zojuist overhandigd. Welke pagina is het?
Dr. FRITZ: Pagina 8 tot 13, de radiotoespraak van 5 juli 1941.
(tot de beklaagde): Wilt u verder gaan?
FRITZSCHE: Ik vraag toestemming de inhoud kort te noemen.
Ik sprak over de verslagen die het Duitse publiek hoorde over wat Duitse soldaten hadden gezien tijdens hun opmars door de Sovjet-Unie, in het bijzonder met betrekking tot gevangenen in de gevangenissen in diverse steden. Ik beschreef die zaken niet nogmaals, ik haalde ze alleen aan uit de rapporten die destijds waren gepubliceerd. Daaruit trok ik de conclusie dat men nu zag hoe nodig de strijd was tegen een systeem waaronder dergelijke wreedheden mogelijk waren. Voor de bevolking van de Sovjet-Unie gebruikte ik uitdrukkelijk woorden van medeleven en sympathie.
Dr. FRITZ: In hetzelfde verband en met dezelfde strekking haalt de Aanklager dan een zin aan uit een alinea uit uw radiotoespraak van 10 juli 1941. Meneer de President, dat staat in documentenboek 1 – de toespraak van 10 juli 1941 – ook met de volledige tekst op pagina 14 tot 19.
(tot de beklaagde): Wat hebt u op die beschuldiging te zeggen?
FRITZSCHE: Wat ik net heb gezegd wordt in dat citaat nog duidelijker en in die hele toespraak verwees ik nogmaals naar de zojuist genoemde rapporten. Ik verwees ook naar de beschrijvingen van buitenlandse correspondenten. Ik noemde toen heel openlijk de houding van Moskou betreffende deze gebeurtenissen en ik zei heel eerlijk: “Radio Moskou zegt dat deze wreedheden feiten zijn, maar houdt vol dat die niet werden gepleegd door Russen maar door Duitsers.”
Gezien deze houding van Moskou nam ik, om het zo maar te zeggen, het publiek in vertrouwen. Ik riep miljoenen Duitse soldaten op als getuige; ik riep hun moeders, vaders en vrouwen op als getuige. Ik riep formeel de bewoners van de bezette gebieden waar de Duitsers destijds aan de macht waren op als getuige en waar zij, zoals ik zei, alleen verantwoording schuldig waren aan de wetten in hun eigen hart. Toen trok ik de conclusie: Deze Duitse soldaten kunnen de wreedheden niet hebben begaan die door Berlijn aan hen worden toegeschreven en op dezelfde manier door Moskou.
De Aanklager beweert dat deze poging om Duitse wreedheden aan de Russen toe te schrijven belachelijk was. Ik vind het niet belachelijk, ik vind het tragisch. Het toont duidelijk, zoals ik het begrijp, de absolute zuiverheid en eerlijkheid van de hele Duitse oorlogvoering aan. Ik geloof vandaag nog steeds dat moorden en geweld en Sonderkommandos slechts op een vreemd lichaam zaten, als gezwellen op het moreel gezonde lichaam van het Duitse volk en haar strijdkrachten.
Dr. FRITZ: Tenslotte citeert de Aanklager een passage uit uw toespraak van 9 oktober 1941, een ander citaat dat elders is gebruikt.
Meneer de President, dat staat in het documentenboek 1van Fritzsche; de volledige tekst van de toespraak staat op pagine 20 tot 25. De citaten van de Aanklager zijn opgesomd in een document in het documentenboek van Fritzsche van de Aanklager. Ik denk dat het Tribunaal die eenvoudig kan vergelijken.
(tot de beklaagde): De Aanklager trekt uit dat citaat de conclusie dat u had ingestemd met het beleid van de samenzweerders van de meedogenloze uitbuiting van de bezette gebieden. Wat hebt u daarop te zeggen?
FRITZSCHE: Er is geen sprake van meedogenloosheid in het citaat dat door de Aanklager is genoemd, noch in de rest van de tekst van de toespraak van 9 oktober 1941. Ik verwijs naar mijn verklaring, 3469-PS, paragraaf 39, een paragraaf die de Aanklager in dit verband heel eerlijk heeft geciteerd.
Mag ik ter aanvulling nog kort de strekking van de toespraak opsommen?
Dat was in de tijd dat Duitse soldaten waren gelegerd tussen de Zwarte Zee en de Golf van Biskaje. Ik sprak over de mogelijkheid van het benutten van de bronnen van dit enorme gebied. Ik zei:
“De mogelijkheden van dit continent zijn zo enorm dat daarmee iedere behoefte voor oorlog en vrede gedekt kan worden.”
Ik zei in dit verband dat er van het uithongeren door een blokkade, zoals in 1914-1918 werd geprobeerd nu geen sprake kon zijn. Ik sprak over de mogelijkheden van een verenigd Europa waarmee midden in de oorlog begonnen kon worden.
Dr. FRITZ: Midden in de oorlog?
FRITZSCHE: .....midden in de oorlog en ik bedoelde het verenigen van Europese naties met gelijke rechten. Het is boven alle twijfel verheven dat ik op dat moment niet dacht aan meedogenloze uitbuiting van de bezette gebieden, maar alleen die politiek en economisch voor ons te winnen zodra de stormen van de oorlog waren gaan liggen.
Dr. FRITZ: Meneer de President, Ik kom nu toe aan een ander onderwerp, dus dit is misschien een goed moment voor een schorsing?
De PRESIDENT: Ja.
Dr. THOMA: Meneer de President, ik heb een verzoek. Ik zou mijn cliënt voor de rest van de dag willen laten excuseren want ik wil hem spreken.
De PRESIDENT: Ja, zeker.
(de zitting wordt geschorst.)


Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947.
Versie: 18-6-2010 Vertaald door: Arnold Palthe

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/1977/Verhoor-Hans-Fritzsche-2.htm