Nederlandse mijnenleggers

Inleiding

De Russisch-Japanse oorlog van 1904 tot 1905 was het eerste belangrijke conflict waarbij veel schepen verloren gingen door zeemijnen. Zowel door de Russen als de Japanners werd de mijn op grote schaal ingezet en aan beide kanten werden hierdoor belangrijke verliezen geleden. Naar aanleiding van deze bevindingen richtten alle belangrijke marines in de wereld een mijnendienst op. De Koninklijke Marine deed dit in 1907.

De eerste Nederlandse mijnenlegger bestond uit de aangepaste stoomkanonneerboot Hr. Ms. Hadda uit 1879. Zij werd op de Rijkswerf te Amsterdam ingericht voor het leggen van Sautter-Harlť mijnen. In 1910 werden de eerste Nederlandse mijnenleggers ontworpen en gebouwd. Dit waren Hr. Ms. Hydra en Hr. Ms. Medusa. Stapsgewijs werd de kleine vloot van mijnenleggers uitgebreid. Hr. Ms. Willem van der Zaan was de grootste en laatste mijnenlegger in Nederlandse dienst. Het schip werd in 1939 in dienst gesteld.

De stalen mijnenvegers van de Jan van Amstel-klasse konden ook worden gebruikt om mijnen te leggen. Zij waren hiertoe uitgerust met twee mijnenlegrails die plaats boden aan 40 zeemijnen.

Ten tijde van de mobilisatie in Nederland, die op 28 augustus 1939 begon, beschikte de Koninklijke Marine in Nederland over zeven mijnenleggers en vier van de acht Jan van-Amstel-klasse mijnenvegers/leggers. Twee veerboten van de Provinciale Stoombootdiensten in Zeeland werden gevorderd en ingericht als hulpmijnenlegger. Verder beschikte men in Nederland nog over twee stokoude rivierkanonneerboten die ingericht waren als mijnenlegger, maar dienst gingen doen als mijnenlichter voor het controleren van mijnenvelden. Deze vijftien schepen begonnen met het leggen en controleren van defensieve mijnversperringen in Nederlandse territoriale wateren die verdeeld waren in een Noorder- en een Zuiderfrontier.

In Nederlands Oost-IndiŽ begon de mobilisatie in mei 1940 toen de Duitsers Nederland binnenvielen. De marine in het Verre Oosten beschikte slechts over vier mijnenleggers en de overige vier schepen van de Jan van Amstel-klasse. Dit aantal was te klein om voldoende mijnversperringen te leggen in de enorme uitgestrektheid van de Indonesische archipel. Daarom werden vier schepen van de Gouvernements Marine gemilitariseerd en een sleepboot gevorderd die ingericht werden om mijnen te kunnen leggen.

Het leggen en controleren van mijnenvelden bleek een zeer gevaarlijke taak te zijn. Op 8 september 1939 liep Hr. Ms. Willem van Ewijck (1) bij Terschelling op een eigen mijn tijdens een controle van de mijnversperring. Het schip brak in tweeŽn en zonk. 30 bemanningsleden kwamen hierbij om het leven. In 1940 werd ter vervanging Hr. Ms. Willem van Ewijck (2) op stapel gezet.

Ruim drie weken later, op 1 oktober, werd Hr. Ms. Jan van Gelder ernstig beschadigd door een mijnexplosie in het Boomkensdiep bij Terschelling. Het schip kon behouden binnen worden gebracht in Den Helder maar er waren twee doden, drie vermisten en zeven gewonden te betreuren. De stalen mijnenveger kon op de werf Gusto te Schiedam gerepareerd worden en werd op 6 maart 1940 weer in dienst gesteld.

Nederland beschikte over verschillende modellen contactmijnen van eigen makelij. Naar gelang het jaar van beschikbaarheid kregen de modellen de namen: type 1907, type 1918 of type 1921.


Bronnen

Boeken


Versie: 23-2-2017 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2080/Nederlandse-mijnenleggers.htm