Nederlandse kanonneerboten

Inleiding

De term kanonneerboot was voor de Koninklijke Marine lange tijd een onbekend begrip. De Royal Navy noemde vanaf de 16e eeuw kleinere oorlogsschepen, bewapend met relatief weinig en lichte kanonnen, ďsloops of warĒ, afgeleid van het Nederlandse woord sloep. De Nederlanders spraken bij kleinere oorlogsschepen over brikken, schutschepen en korvetten en vanaf de 20e eeuw over pantserboten en flottieljevaartuigen. De Britse en Amerikaanse marines bleven de term sloop hanteren.

Pas in 1935 werden de pantserboten van de Brinio-klasse, de flottieljevaartuigen van de Flores-klasse en Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau evenals het pantserschip Hr. Ms. De Zeven ProvinciŽn (in 1936 omgedoopt tot Hr. Ms. Soerabaja) geclassificeerd als kanonneerboten. Daarmee waren alle schepen voor de lokale verdediging, die geen mijnenveger of mijnenlegger waren, verenigd onder ťťn noemer. Verder beschikte de Koninklijke Marine nog over negen stokoude rivierkanonneerboten uit 1879/1880 waarvan een aantal omgebouwd was tot hulpmijnenlegger.

De kanonneerboten van de Flores-klasse, Hr. Ms. Flores en Hr. Ms. Soemba, waren beide in 1926 indienstgesteld en werden ingezet voor verschillende taken. Zij werden gebruikt voor kustverdediging, het bewaken van havens en mijnenvelden en als patrouilleboten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de beide schepen vooral ingezet als konvooibegeleiders en voor het ondersteunen van amfibische landingen van de geallieerden. Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau was een verbeterde versie van de Flores-klasse en kwam in 1933 in dienst. De kanonneerboot werd vooral ingezet als stationschip in Nederlands West-IndiŽ en als escorteschip tijdens de Spaanse Burgeroorlog.

Vanaf 1936 werd door de Nederlandse regering, in verband met het toenemen van de oorlogsdreiging, meer geld vrijgemaakt voor de bouw van oorlogsschepen. Dit gebeurde in de vorm van een defensiefonds. Dit fonds was een kunstgreep maar zorgde voor een budget voor uitbreiding van de marine zonder dat de defensiebegroting verhoogd diende te worden. Uit het defensiefonds werden het artillerie instructieschip Hr. Ms. Van Kinsbergen, dat ook als kanonneerboot werd geclassificeerd, vier van de acht Jan van Amstel-klasse mijnenvegers en de mijnenlegger Hr. Ms. Willem van der Zaan gefinancierd.

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog bleek dat Nederland behoefte had aan veelzijdige schepen die ook voor escortetaken ingezet konden worden zoals Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau. Op de begroting voor defensie van 1938 werd geld vrijgemaakt voor de bouw van drie kanonneerboten, de K 1, K 2 en K 3. Behorend tot de begroting van 1939 werden nog vier K-klasse kanonneerboten besteld die bestemd zouden worden voor Nederlands Oost-IndiŽ. In mei 1940 werden de in aanbouw zijnde eerste drie K-klasse boten door de Duitsers buitgemaakt. De bouw van de tweede serie van vier was nog niet begonnen en de order werd geannuleerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden een Britse en een Franse kanonneerboot geleend om de taken van de drie K-klasse kanonneerboten over te nemen.


Bronnen

Boeken


Versie: 30-3-2013 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2120/Nederlandse-kanonneerboten.htm