Ondergang van het IJsselmeerflottielje

Voorwoord

Tijdens de meidagen van 1940 voorkwam het IJsselmeerflottielje, een samengeraapt zootje van vooral verouderde Nederlandse oorlogsschepen, dat de Duitsers met behulp van gevorderde veerboten het IJsselmeer overstaken en zo Noord-Holland konden binnenvallen. Voor deze geslaagde actie moest wel een zeer hoge prijs betaald worden.

Bij de samenstelling van het IJsselmeerflottielje, tijdens de mobilisatie in augustus 1939, bleek overduidelijk dat de Koninklijke Marine slecht uitgerust was om een eventuele Duitse inval mede te verhinderen. De marine beschikte niet over voldoende schepen om alle Nederlandse havens en zeegaten doelmatig te verdedigen. Bijna driekwart van de Nederlandse oorlogsschepen bevond zich in Nederlands Oost-Indië en wat zich aan schepen in Nederland bevond was grotendeels verouderd. Voor het IJsselmeerflottielje, dat als doel kreeg het voorkomen dat de Duitse strijdkrachten het IJsselmeer zouden oversteken of achter de stelling van Kornwerderzand op de Afsluitdijk zouden landen, was in feite maar één oorlogsschip beschikbaar in de vorm van de stokoude rivierkanonneerboot Hr. Ms. Hefring die in 1880 in dienst was gesteld.

Naast de Hefring zou het nieuwe flottielje bestaan uit de gevorderde, zogenoemde Amsterdammertjes, Woudina, Johannes, Nautica, Bastogne, Brons, Mercuur, Hendrika en Patria. Dit waren sleepbootjes die gebouwd waren voor de Amsterdamse grachten en door hun lage vrijboord per definitie ongeschikt voor het veel grotere water van het IJsselmeer. De Amsterdammertjes werden allemaal van 28 tot 30 augustus 1939 opgeleverd aan het Vaartuigendepot Amsterdam. Nadat ook de marine de beperkingen van de bootjes inzag, werden ze vervangen door een achttal gevorderde motorsleepboten. De grotere motorsleepboten kwamen in twee groepen beschikbaar tussen 30 augustus en 4 oktober 1939 en bestonden uit ms Sija, ms Argri, ms Zeemeeuw en ms Tema en ms Oranje, ms Nellie, ms Albatros en ms Adwill II. De kleine grachtslepertjes werden teruggegeven aan hun eigenaren. De motorsleepboten werden voorzien van een mitrailleuropstelling maar er waren per groep slechts drie 7,7mm mitrailleurs beschikbaar.

De commandant van het IJsselmeerflottielje, luitenant-ter-zee der eerste klasse (LTZ 1) A. van Strien, bevond zich aan boord van Hr. Ms. Hefring zodat de 60 jaar oude rivierkanonneerboot het vlaggenschip werd van het flottielje dat gestationeerd werd in Enkhuizen. Het IJsselmeerflottielje viel onder het bevel van de Commandant Marine Willemsoord in Den Helder, schout-bij-nacht H. Jolles. Jolles was tevens Commandant Stelling Den Helder, één van de territoriale commandanten die rechtstreeks ondergeschikt waren aan de Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht (OLZ), generaal I.H. Reynders. Vanaf 6 februari 1940 werd de OLZ-functie overgenomen door generaal H.G. Winkelman.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in het tijdschrift Wereld in Oorlog. Wereld in Oorlog vertelt opmerkelijke, aangrijpende en dramatische verhalen achter belangrijke gebeurtenissen, ontwikkelingen en militaire operaties in de recente oorlogsgeschiedenis. Het accent ligt daarbij op de Eerste en Tweede Wereldoorlog.


Bronnen

Boeken


Versie: 15-5-2017 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2556/Ondergang-van-het-IJsselmeerflottielje.htm