Nederlandse pantser- en pantserdekschepen

Inleiding

In de tweede helft van de negentiende eeuw en tijdens het eerste decennium van de twintigste eeuw waren er twee periodes waarin voor de Nederlandse marine relatief veel schepen gebouwd werden. De Vestingwet van 1874, waarin de Nederlandse verdediging tegen buitenlandse invallen werd vastgelegd, bepaalde niet alleen de bouw van forten, maar ook van drijvende forten. Hiervoor werden tussen 1868 en 1878 vier ramtorenschepen, dertien monitors en negenentwintig kanonneerboten gebouwd. Vanaf diezelfde periode werden voor het Auxiliair Eskader in Nederlands Oost-IndiŽ (de Indische vloot) zes kruisers van de Atjeh-klasse en een ramtorenschip gebouwd.

De vier ramtorenschepen in Nederland, Zr. Ms. Buffel, Zr. Ms. Stier, Zr. Ms. Guinea en Zr. Ms. Schorpioen, werden later als pantserschepen geclassificeerd, maar waren eigenlijk ramschepen met twee 23cm kanonnen. De Schorpioen en de Buffel, inmiddels omgedoopt in Hr. Ms. Schorpioen en Hr. Ms. Buffel werden tegen het einde van de negentiende eeuw omgebouwd tot logementschip en overleefden beide de Tweede Wereldoorlog. Beide schepen bestaan tot op heden en zijn als museumschepen respectievelijk te bezichtigen in Den Helder en in Rotterdam.

De monitors waren laag op het water liggende, gepantserde, niet zeewaardige en van een zware geschutstoren voorziene vaartuigen, speciaal bedoeld voor de verdediging van de Nederlandse zeegaten en de Zuiderzee. De negenentwintig kanonneerboten waren ook laag op het water liggende, niet zeewaardige vaartuigen en waren onderverdeeld in schepen met een 23cm kanon en een groep van vijftien boten die uitgerust waren met een 28cm kanon. Van deze laatste groep waren bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog Hr. Ms. Thor, Hr. Ms. Hadda, Hr. Ms. Freyr, Hr. Ms. Tyr, Hr. Ms. Braga, Hr. Ms. Balder, Hr. Ms. Hefring en Hr. Ms. Bulgia nog steeds in dienst als rivierkanonneerboten, mijnenlichters of logementsschip.

De zes kruisers van de Atjeh-klasse werden in het Engels unprotected cruisers genoemd en in het Nederlands ongepantserde kruisers of schroefstoomschepen der eerste klasse. De schepen van deze klasse werden allemaal gebouwd op de Rijkswerf in Amsterdam. De Atjeh-klasse kruiser Zr. Ms. Koningin Emma der Nederlanden werd in 1900 als laatste van haar klasse buiten dienst gesteld en in 1908 in Den Helder ingericht als logementsschip Hr. Ms. Koningin Emma der Nederlanden en viel op 14 mei 1940 in Duitse handen. De Atjeh-klasse kruiser Zr. Ms. Van Speyk was al eerder buiten dienst gesteld en werd in 1904 verbouwd tot logementsschip Hr. Ms. Van Speyk. Dit schip viel eveneens in Duitse handen in mei 1940.

Het ramtorenschip Zr. Ms. Koning der Nederlanden was een zogenaamd ironclad ramtorenschip omdat de romp geheel van ijzer vervaardigd was. Het schip was destijds, met een standaard waterverplaatsing van 5.400 ton het grootste Nederlandse oorlogsschip en was uitgerust met vier 28cm en vier 12cm kanonnen waardoor het ook wel een minislagschip werd genoemd. Het schip werd in 1895 buiten dienst gesteld en verbouwd tot logementsschip te Soerabaja. Hr. Ms. Koning der Nederlanden werd op 2 maart 1942 door de eigen bemanning vernield om te voorkomen dat het in Japanse handen zou vallen.

De secondaire taken van de marine, zoals visserij-inspectie, patrouillediensten en politiewerk op zee, werden in de tweede helft van de negentiende eeuw uitgevoerd door schroefstoomschepen der tweede, derde of vierde klasse, raderstoomschepen en stoomschoeners.

Nederland had rond de vorige eeuwwisseling de aansluiting met de grote zeemogendheden, vooral Groot-BrittanniŽ, Frankrijk en de Verenigde Staten en in mindere mate Duitsland, ItaliŽ, Japan en Rusland, volledig verloren. Deze landen bouwden slagschepen en kruisers van rond de 10.000 ton met een primaire bewapening van minimaal vier 30cm kanonnen. Nederland koos als neutraal land echter voor kleinere schepen die enkel voor orde- en neutraliteitshandhaving en verdediging ingezet behoefden te worden.

Van 1892 tot 1909 werden wederom veel schepen voor de Koninklijke Marine gebouwd. De schepen uit de jaren 1870 waren toen verouderd en de ontwikkeling van torpedo`s en mijnen vereisten nieuwe typen schepen. Rond de eeuwwisseling werden ongeveer veertig Nederlandse torpedoboten in dienst gesteld en nog voor de Eerste Wereldoorlog uitbrak volgden acht torpedobootjagers van de Wolf-klasse. Ter vervanging van de verouderde ramtorenschepen en Atjeh-klasse kruisers werden pantserschepen en pantserdekschepen ontwikkeld. Deze schepen zouden slechts opgewassen zijn tegen lichte vijandelijke eenheden en steunden meer op de ďBalance of PowerĒ van de grote zeemogendheden zoals Groot-BrittanniŽ en Frankrijk. Voor het tonen van de vlag zouden de schepen echter zeer geschikt zijn gezien hun krachtig en robuust silhouet met zware geschutstorens.


Bronnen

Boeken


Versie: 24-3-2017 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/2625/Nederlandse-pantser--en-pantserdekschepen.htm