Duitse torpedobootjagers van de Z 1-klasse

Inleiding

Torpedobootjager (Zerstörer in het Duits) was tot 1934 een onbekend begrip voor de Duitse marine. Dit type oorlogsschepen dat speciaal ontworpen en gebouwd werd om op torpedoboten te jagen, kwam pas goed tot ontwikkeling tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog. De Reichsmarine, de voorloper van de Kriegsmarine, kreeg in 1919 echter zeer veel beperkingen opgelegd door de geallieerden. De voorwaarden stonden beschreven in het Verdrag van Versailles, dat op 28 juni 1919 ondertekend werd door de geallieerden en de Duitsers. De Duitse marine mocht onder andere geen torpedobootjagers bezitten met een grotere waterverplaatsing dan 800 ton. Schepen met een dergelijk klein tonnage en bewapend met torpedolanceerbuizen waren te klein en te langzaam om te fungeren als torpedobootjagers. Het waren in feite gewoon torpedoboten. De Reichsmarine kwam hierdoor niet tot de ontwikkeling van Zerstörer.

Pas in 1934 durfde rijkskanselier Adolf Hitler de beperkingen van het Verdrag van Versailles dermate aan zijn laars te lappen dat hij overging tot het laten ontwerpen van de eerste Duitse Zerstörer. De ondertekening van de Anglo-Duitse Marine-overeenkomst, op 18 juni 1935, gaf de Duitsers echter pas echt de gelegenheid om over te gaan op uitgebreide aanbouwplannen voor de Kriegsmarine. De zeer omstreden overeenkomst, die door Groot-Brittannië en Duitsland zonder overleg met Frankrijk en Italië tot stand was gekomen, moest de betrekkingen tussen beide landen ten goede komen. Bovendien hoopten de Britten dat de overeenkomst, die bepaalde dat Duitsland een oorlogsvloot mocht bouwen in de verhouding 35/100 in vergelijking met de Royal Navy, de Duitse herbewapening onder controle te houden. De Duitsers hoopten op een Anglo-Duitse samenwerking tegen Frankrijk en de Sovjet-Unie. Vooral voor Frankrijk en Italië was de overeenkomst controversioneel omdat door de verhouding 35/100 de Kriegsmarine veel groter zou worden dan was vastgelegd in het Verdrag van Versailles, dat zij mede ondertekend hadden.

De eerste ontwerpen voor vier torpedobootjagers van de Z 1-klasse werden in 1934 goedgekeurd door de Kriegsmarine. Omdat de Duitse zeemacht haast had om de oorlogsvloot op sterkte te brengen en omdat de Duitse ingenieurs geen ervaring hadden met het ontwerpen van Zerstörer, werden de eerste vier Duitse torpedobootjagers van het Type 1934 geen succes. Door het slechte ontwerp van de boeg maakten de schepen veel water, zelfs bij relatief kalm weer. Het overkomende water zorgde ervoor dat de voorste primaire kanonnen bijna nooit gebruikt konden worden, dat de maximale snelheid terugliep en het brandstofverbruik opliep. Dat laatste was sowieso al een groot probleem omdat de kleine bunkercapaciteit van 715 ton stookolie de actieradius niet ten goede kwam. Verder beschikten de Zerstörer over een slechte zeewaardigheid omdat de constructie niet goed genoeg was. Hierdoor liepen de torpedobootjagers in een ruwe zee scheuren op in de verbindingen tussen de dekken en de bovenbouw. Een verdere beperking was de geringe munitie opslagcapaciteit van de torpedobootjagers.

De grootste problemen van het Type 1934 Zerstörer werden echter veroorzaakt door de machinerie. De eisen van de Kriegsmarine bestonden onder andere uit een gangbare standaard waterverplaatsing van rond de 2.000 ton, een primaire bewapening van vijf 12,7cm kanonnen, een zware luchtafweerbatterij, minimaal acht torpedolanceerbuizen en een maximale snelheid van 35 knopen. Om hier aan te voldoen kozen de ontwerpers voor hogedruk stoomturbines die een groter vermogen konden genereren dan conventionele stoomturbines. De torpedobootjagers van de Z 1-klasse beschikten inderdaad over een maximale snelheid van 36 knopen, maar de machines waren te ingewikkeld. De bediening ervan vereiste een zeer grote kennis van de machinisten en de Kriegsmarine beschikte niet over voldoende bemanningsleden met de juiste opleiding en ervaring. Hierdoor draaide aan boord van een Duitse torpedobootjager alles om de kennis en ervaring van enkele veteranen. De overige bemanningsleden die de machines moesten bedienen en onderhouden, waren onderworpen aan een constant leerproces. In de praktijk betekende dit dat de schepen bijna dagelijks te maken kregen met storingen, lekkages, vastlopers en andere mankementen in de machinekamer. Omdat de hogedruk stoomturbines, door hun grote afmetingen, veel ruimte in de machinekamers in beslag namen, moesten de machinisten zich vaak op handen en knieën tussen de hete machinecompartimenten verplaatsen om de storingen te verhelpen. Dat dit geen pretje en in sommige gevallen zelfs gevaarlijk was op de beweeglijke, slingerende en stampende schepen, moge duidelijk zijn.


Bronnen

Boeken


Versie: 11-11-2014 Artikel door: Peter Kimenai

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2017
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/3956/Duitse-torpedobootjagers-van-de-Z-1-klasse.htm