Een Helmondse kwajongen

Oorlogsherinneringen van Gerrit Manders

Geschreven door: Gerrit Manders & Jeroen Koppes.

Inleiding

Gerrit Manders was 9 jaar toen de oorlog in mei 1940 uitbrak en 13 jaar toen in september 1944 de geallieerden Helmond bevrijdden. Dit is zijn persoonlijke verhaal opgetekend in 2016 en verder uitgewerkt in 2017 en 2018. Het is gebaseerd op zijn herinneringen uit die tijd, maar ook wat hij in latere jaren gelezen heeft. Onze redactie heeft de tekst zoveel mogelijk hetzelfde gelaten. De meeste historische achtergrondinformatie is verwerkt in de aangegeven noten.

Gerrit Manders werd op 23 december 1930 in Helmond geboren in het gezin van vader Martinus (Tinus) Manders[note] Martinus Manders (20-07-1890 – 09-02-1964).[/note] en moeder Petronella (Nel) van Helden[note] Petronella van Helden (21-05-1899 – 20-08-1988).[/note]. Hij had één oudere zus, Louisa (Wies)[note] Louise Christina Manders (09-08-1920 – 04-01-2005).[/note], geboren op 9 augustus 1920 en een oudere broer, Christiaan (Frits)[note] Christiaan Godfried Manders (19-11-1921 – 1701-1989).[/note], geboren op 19 november 1921. Het gezin woonde aan de Uithoornseweg 13, tegenwoordig de Ben van Dorststraat 13. Zus Wies had aan het begin van de oorlog een vriend, Gerrit Veltrop[note] Petrus Joannes Gerardus Veltrop (27-05-1916 – 22-02-1992), trouwde met Louise op 10-01-1942.[/note], waarmee ze later in 1942 zou trouwen.

Het gebied rond de Uithoornseweg was de rand van Helmond. Het werd omgeven door weilanden en boerderijen. De straat zelf was slechts een zandpad. De Beisterveldsche Akkers, De Braak en De Straakvensche Heide waren nog allemaal leeg. Alleen aan de weg naar Bakel stonden al enkele huizen. De boerderijen in dit verhaal zijn allemaal afgebroken.

[img]15694[/img]

Het is oorlog!

In 1939 werd de algehele mobilisatie afgekondigd in verband met dreigende oorlogsuitingen van Duitse zijde. Iedereen die inzetbaar was werd opgeroepen. Zo ook de vriend van mijn zuster, mijn zwager dus. Zij werden overal ingekwartierd maar vooral bij de boeren. Op een zondag zei mijn zus, die 11 jaar ouder was dan ik: "Ga je mee naar Volkel, want daar is mijn vriend ingekwartierd." We gingen met de fiets; ik achterop en na een kleine twee uurtjes trappen, kwamen we aan bij een grote boerderij[note]Helaas is niet meer te achterhalen waar deze boerderij stond, in Volkel zaten in die tijd 2500 tot 3000 Nederlandse soldaten, verdeeld over alle boerderijen in de omgeving. Veltrop was ingedeeld bij het 2e Regiment Infanterie, dat in die tijd in Volkel lag. Zie ook: Op zoek naar een boerderij in Volkel.[/note]. Op de hooischelf lagen daar, althans 's nachts, een 30-tal soldaten. Licht geschut was aanwezig. Iedereen had een geweer en vijf kogels. Er was ook een rijdende keuken, getrokken door paarden. Daar kreeg ik een stuk soldatenkuch[note]Soldatenkuch is door het leger aan de manschappen verstrekt brood.[/note]. Een bekend liedje van Lou Bandy: "Rats, kuch en bonen, is 't soldatendiner. Rats, kuch en bonen, doe daar je maaltje maar mee."[note]Zie voor de gehele tekst: songteksten.nl.[/note] Wat ik nooit vergeet is dat elke soldaat bij zijn eten een grote gele peer kreeg. Die kreeg ik weer van mijn zwager. Een klein onbenullig detail maar toch is dat me altijd bij gebleven.

[img]15695,left[/img][img]15696,right[/img]

Trots en stoer deden ze zich voor. Duitsland kon Nederland nooit binnen vallen. Wij zouden op tal van plaatsen alles onder water zetten. Overal bij de grenzen hadden ze al prikkeldraad gespannen. Soms wel één meter hoog. Twee dagen deden de Duitsers erover, een draad, schaar en laarzen en de klus was geklaard.

10 Mei 1940, ’s morgens 7 uur. Mijn moeder komt naar boven. Vlug opstaan! Naar de kerk![note]Sint Jozefkerk, Tolpost, Helmond.[/note] Het is oorlog!! Duitsland is Nederland binnengevallen. Op de avond van 9 mei had Hitler nog op de radio[note]Het is niet bekend dat Adolf Hiter op 9 mei 1940 een speech heeft gegeven. Wel sloot 'Radio Paris' haar uitzending vanaf 19 mei 1940 af met "Moed en vertrouwen, luisteraars, Nederland zal nooit een Duitse provincie worden!" Bron: BWN.[/note] gezegd dat Nederland nooit een Duitse provincie zou worden. Van die uitspraak bleef niets over. Oorlog, wat moet je je als jongen van 9 jaar daar van voorstellen?!

Mijn ouders hadden wel eens verhalen verteld van de Eerste Wereldoorlog. Toen was Nederland neutraal. Op de eerste dag, 10 mei, kwamen heel veel vaders bijeen. Zo ook mijn vader, samen met de mannen uit de buurt. Jan Slaats[note]Jan Slaats (07-04-1893 – 28-03-1955), Uithoornseweg 10.[/note] was de leider. Jan was baas bij de textielfabriek Van Asten. Hij wist wat leidinggeven was. De mannen moesten schuilkelders gaan maken. Iedereen moest een schop halen en gaan graven. Zo werden al in de eerste week overal schuilkelders gebouwd, waar iedereen in kon vluchten als de bommen vielen.

Mijn zwager en vele anderen werden gevangen genomen en afgevoerd naar Duitsland. Op 10 juni 1940[note]Bron: dienstplichtkaart Veltrop.[/note] werd hij weer vrijgelaten. In Duitsland was het geen rats, kuch en bonen. Daar kregen ze bok- of braadworst. Maar ze waren weer vrij. Hoewel, vrij was heel beperkt. De meesten moesten in Duitsland gaan werken. De 'Arbeitseinsatz'. Arbeit macht frei. Bij iedereen bekend van de concentratiekampen.

Wij woonden in de laatste straat van Helmond, de Uithoornseweg. Om ons heen niets dan weilanden en boerderijen. Zes boeren waren onze buren. Wij dachten: "Ons kan niet veel gebeuren, zij zorgen wel voor eten." Vergeet het maar! Van de zes boeren was er één goede, één slechte en vier redelijke. Niet denken dat ze heulden met de Duitsers, dat was bij geen van de boeren het geval, alleen was het bij de een makkelijker aan voedsel te komen dan bij de ander. We konden altijd goed opschieten met De Groot[note]Johannes Gerardus de Groot (02-04-1909), Uithoornseweg 26.[/note]. Binnen een paar dagen was de gezamenlijke schuilkelder klaar. Toch besloten mijn vader en broer, die 10 jaar ouder was, een eigen kelder te bouwen. Super de luxe met zitbanken. In de winter hadden we een straalkacheltje en verlichting.

Ortskommandant

De eerste dagen waren vol spanning. Ik meen dat ik op de tweede dag naar de Duitsers ging kijken in de Molenstraat. Op elke hoek van de straat stond er wel één met het geweer in de aanslag. De meesten met een motor met zijspan. Wat me ook bijgebleven is, is dat ze lange grijze gummi jassen aan hadden. Elke dag kwamen er meer bezetters. Politietaken werden overgenomen. Naast de burgemeester kregen we een 'Ortskommandant'. Vrij vlug werden er borden geplaatst met daarop geschreven wat wel en niet mocht.

De eerste jaren verliepen, voor zover mogelijk, vrij tam. De 'Ortskommandant' was gehuisvest op de markt. Op de voorgevel van zijn huis prijkte de Duitse vlag. Je waande je af en toe in het buitenland. Hij had bij zijn woonhuis een eigen schuilkelder, geschikt voor minstens dertig personen. Wat me ook is bijgebleven, zijn de marcherende, zingende soldaten. "Hai die haidoriea." Indrukwekkend zoals het een paar jaar later ook indrukwekkend was als de Schotse Hooglanders met doedelzakken elke morgen door de Helmondse straten trokken. Muziek maakt vrij, hoe mooi het ook klinkt, maar het is niet helemaal waar. Voor ons jongeren was het prachtig. We hadden een klein soldatenclubje en wij zongen, hoewel dat verboden was: "Deutschland, Deutschland über alles. Maar van de fabriek van Krupp stond alleen nog maar de stoep." Krupp was de fabriek waar al het oorlogstuig werd vervaardigd.

[img]15697[/img]

Schuilkelder

In het begin heb ik verteld dat de buurt gezamenlijk een schuilkelder maakte, maar met een luchtalarm moest men eerst een paar hindernissen nemen. Eigenlijk was de schuilkelder voor de hele buurt te klein. De schuilkelder lag midden in de wei en was alleen te bereiken via een klein bruggetje. Het bruggetje lag in de Uithoornseweg die nu doorsteekt naar de Wethouder Ebbenlaan. De schuilkelder lag daar net iets ten zuiden van. Waar nu de huizen staan aan de Wethouder Ebbenlaan; tussen de Uithoornseweg en de Bakelsedijk.

Wij hadden thuis een schuilkelder met licht en een straalkacheltje voor de winter. Héél belangrijk was dat daar meer te eten en te snoepen was dan in huis. Daarom was ik bij alarm vaak als eerste in de kelder. Het kon wel eens gebeuren dat de kelder onder water stond. Soms wel tien centimeter. Geen nood, wij schuilden dan in de gang, samen met de buren. Netjes zittend op een rij. Wij moesten van mijn moeder iets op ons hoofd zetten, maar wat? Jawel, mijn moeder had het grootste hoofd, dus zij nam de soeppan als helm. Ik toch een aanmerkelijk kleinere pan. Mijn vader, klein van stuk, kreeg het steelpannetje, met het steeltje naar voren. Hij deed mij denken aan een stationschef. Mijn moeder heeft dat altijd ontkent. Ik zei: "Moeder dat van dat steelpannetje neem ik terug maar van die soeppan niet".

Als er bommen vielen en we in de schuilkelder zaten, gilde mijn moeder boven het geweld van de vallende bommen uit. Helmond bleef redelijk gespaard van bombardementen. Vier in totaal, als ik het goed heb. Twee daarvan waren van Engelse afkomst. Kleine vergissing[note]Er waren veel meer bombardementen en/of luchtaanvallen in Helmond dan de genoemde vier. Dodelijke slachtoffers vielen er in ieder geval op 24 mei 1940 (4), 28 augustus 1944 (1), 1 september 1944 (3), 21 oktober 1944 (1), 28 oktober 1944 (3 Nederlandse en 3 geallieerde soldaten), 10 november 1944 (1), 23 december 1944 (4), 1 januari 1945 (1), 14 februari 1945 (2 Nederlandse en 3 geallieerde soldaten). Deze lijst is waarschijnlijk niet volledig. De geallieerde luchtaanvallen waren vermoedelijk ook geen vergissing. Voor meer informatie: Het mysterie van het bombardement op Mierlo-Hout[/note]. In Helmond was niet zoveel stuk, behalve de opgeblazen bruggen. Er was een noodbrug aangelegd die na enkele jaren nogmaals opgeblazen werd.

NSB

Er was achter het politiebureau een Duitse school[note]De Duitsche school zat in de Openbare Lagere School naast het politiebureau aan de Zuid-Koninginnewal. [/note]. De jonge kinderen van NSB'ers waren bij de jeugdstorm of bij de Hitlerjugend. Als hoofddeksel hadden zij een muts van zwart astrakan boven afgedekt met oranje stof. We hadden nog steeds onze burgemeester maar die handelde in opdracht van een klein dik mannetje, commandeur Herr Bil[note]G.A.H. Bil was een Nederlandse NSB'er die als vertegenwoordiger voor de Eindhovense Ortskommandant in Helmond was aangesteld. Helmond viel in die tijd voor het Duitse gezag onder Eindhoven. Hij werd in 1946 in Duitsland gearresteerd en in 1948 tot 2 jaar veroordeeld. De Ortskommandant opereerde naast de altijd nog aanwezige burgemeester van Helmond. [/note]. Een komisch iemand, niet om aan te zien. Deze 'Ober' commandant maakte de dienst uit. Dan 's avonds om 7 uur binnen, dan weer om 10 uur. Hij hield van bekendmakingen. Elke week wel een nieuw verbod of iets dergelijks. Bekend gemaakt door de burgemeester van Helmond in opdracht van 'Ober' commandant Bil. In onze stad waren nogal wat NSB'ers en enkele dames die met de vijand heulden. Afspraakjes werden gemaakt op het station in Helmond om zo de trein naar bijvoorbeeld Eindhoven te pakken. Op die manier ontsnapten de dames aan de afkeurende blikken van buurtbewoners.

Aan het einde van onze straat was een huis gevorderd. Daar[note]Vermoedelijk het huis van Augustinus Joannes Leonardus Stalpers (17-02-1883) op de Bakelsedijk 78.[/note] woonde een Duits gezin met twee knappe dochters met typisch gevlochten staartjes. Ondanks mijn jonge leeftijd vond ik ze wel bijzonder mooi. Je zou hierdoor bijna van partij kunnen veranderen, maar dit is niet gebeurd. Ik had een vriend, Felix Z., een heel sympathieke jongen, ook zijn ouders waren heel aardig. Er was wel één probleem, het waren Duitsers[note]Felix (1932), noch zijn familie, waren Duitsers, vader, moeder en twee zoons werden allemaal in Tilburg geboren. De oom van Felix, geboren in 1890, komt wel voor op een lijst met personen die in 'vreemde krijgsdienst' zijn getreden. Zijn oom verloor hierbij zijn Nederlandersschap. Het gezin van Felix verhuisde in 1942 naar Ede. Zie ook: Het dilemma bij de zoektocht naar Felix[/note]. Op een dag kwam Felix bij ons thuis. Ik heb hem uitgescholden voor vuile mof en hem een paar klappen gegeven. Hier heb ik nog altijd spijt van. Twee maanden later zijn ze naar Duitsland vertrokken. Dat ik vuile mof zei heeft hij denk ik niet aan zijn ouders verteld, gelukkig maar. Onder de NSB'ers waren er wel enkelen die af en toe een seintje gaven als er iets op komst was. Bijvoorbeeld razzia's. Ze hebben daar later ook strafvermindering voor gekregen.

[img]15698[/img]

Eten in oorlogstijd

We leefden van de ene week in de andere. Wel werd het steeds moeilijker. Vooral toen alles op de bon ging. Hoe jong ik ook was, bonnen sorteren was mijn werk. Alles was op de bon, etenswaren, kleding en schoenen. Voor schoenen had je een A bon voor leren schoenen. Bij een B bon was de bovenkant van de schoen van linnen en de onderkant van hout. Dit een keer per jaar. Brood op de bon was gemaakt van bloembollenmeel. Het brood, een beetje klef, lag zwaar op de maag. Ik was weleens bang dat de bloemen uit mijn oren kwamen. Kinderen onder de 15 jaar kregen een snoepkaart, boven de 15 een rokerskaart. Alles was beperkt, net niet genoeg.

Op 10 mei 1940 stuurde mijn moeder me vlug naar de kruidenierswinkel van Kroos[note]G.L. Kroos (31-08-1897 – 28-08-1956), Bijsterveld 17.[/note] op het Bijsterveldplein. Wij hadden nog 20 zegeltjes van Kwatta soldaatjes en 15 van Tjoklat[note]Kwatta en Tjoklat waren beide chocoladefabriekanten. Ze bestaan tegenwoordig nog.[/note]. Ook hadden we nog 10 pakken Douwe Egberts. Chocolade en koffie; daar hebben wij tot einde 1945 plezier van gehad. Het surrogaat was gemaakt van gebrande bonen en Buisman smaakversterker. Met de distributie begint het zwartepieten. Mensen die smokkelden of handelden in het zwart kregen de naam 'zwarte piet'[note]Zie ook: Geschiedenis van Someren in de Tweede Wereldoorlog, pagina 44.[/note]. Het had niets te maken met Sinterklaas. De meeste mensen werkten bij een textielfabriek en textiel was bij de boeren gewild. Was men klaar met werken dan had men zich omwikkeld met lappen stof. Niet te zien onder de overal. Binnen de werkkleding had men vakjes voor het verstoppen van teutengaren. Dat waren de klossen garen die in de fabrieken werden gebruikt. Met die lappen stof en klossen garen gingen we de boer op voor spek, ham, eieren of aardappelen. Wij hadden het geluk dat onze familie[note]Familie van moeders kant. De familie Van Helden in Hegelsom, bij Horst.[/note] in Limburg woonden. Zij voorzagen ons vaak van de nodige belangrijke dingen.

De heilige huisjes waren geen kapelletjes of bedevaartplaatsen. Nee dat waren de boerderijen, de boeren die ons in de oorlogsjaren van eten voorzagen. Men ging met lappen stof de boer op. In Stiphout bij een boer kwamen wij elke twee weken. Eerst met mijn vader later ik alleen of met een vriend, Jan van Os[note]Johannes Antonius van Os (09-09-1929) woonde vermoedelijk op de hoek Heistraat/Van Dungenstraat. Het gezin woonde eerst aan de Houtse Parallelweg 64. Vader Antonius Adrianus van Os (20-07-1887 – 23-08-1967) trouwde met Francisca Maria Bollen (20-11-1893 – 21-03-1939) en kregen twee zonen Jan en Frans (Franciscus Adrianus Johannes van Os, 01-11-1924). Vader hertrouwde met Gertruda Josephina Pijs (15-12-1899 – 29-04-1971). Haar dochter Linie Roos (08-05-1928 – 01-04-2009) uit een eerder huwelijk zou later met haar stiefzoon Frans trouwen.[/note]. Op een gegeven moment zei de boerin: "Jongen, pak de eikes maar vast in want ik moet even in de havermoutse pap roeren. Hoe is ‘t, menneke? Wilde ook ’n bordje, das gezond." De boerin had nogal een grote neus en aan die neus hing een vrij grote druppel. Toen ze vroeg een bordje mee te eten, zei ik: "Dat zal er aan liggen, hoe het valt." Even later was de druppel opgelost in de pap. Ik meende te proeven dat het een beetje zoutachtig was. Ik vroeg aan de boerin of ik een lepeltje suiker mocht. Tot de dag van vandaag, 75 jaar lang, als ik havermoutse pap eet is dat altijd met een lepeltje suiker. We zullen maar zeggen; gewoontegetrouw. Na de pap ging ik verder met het inpakken van de eitjes in krantenpapier. Als de boerin even niet keek draaide ik er twee in. Mijn vriend wachtte buiten op mij. Ik vroeg aan de boerin of hij ook wat eitjes kon kopen. "Ja natuurlijk." Ik zei: "Als mijn vriend binnen komt moet je goed hard praten want hij is wat doof". Tegen mijn vriend zei ik hetzelfde namelijk dat zij doof was. Dat was voor mij smullen buiten. Totdat mijn vriend zei: "Ik ben g.v.d. niet doof", de boerin: "Ik helemaal niet!" Zo had iedereen zijn heilige huisje waar wel wat te halen was.

Het leven werd met de dag moeilijker, maar met de geallieerde invasie in zicht durfde men meer te wagen. Men moest brutaal zijn en durven. Er werd gehandeld in bonnen, eigenlijk in alles wat los en vast zat. Had je zin in een frietje, dan moest je een aardappel of vetbon inleveren. Je kon in plaats van bonnen ook suiker meenemen. Daar kreeg je snoep voor. In de buurt waar ik woonde konden we ’s zondags lektoeten[note]Ook wel stroopsoldaatjes genoemd.[/note] kopen. Echte oorlogssnoep van het bakkertje. Hij maakte die lekkernij van keukenstroop.

Het was een eenvoudig recept: stroop warm maken en uitgieten op het aanrecht. Een beetje laten afkoelen en daarna oprollen. Zo’n rol van 5 bij 40 cm, die moet je trekken tot hij goudgeel was. Dan uitrollen tot vingerdikte en op ongeveer 5 cm doorhakken. Inpakken en wegwezen. Vijf stuks voor een kwartje. Die lektoeten brachten mij op een idee. In Horst te Limburg woonde een oom[note]Eigenlijk een oudoom. Pieter Hendrik Heiligers was getrouwd met Johanna Heesen, de jongere zus van Johanna Christina Heesen, de oma aan moeders kant van Gerrit Manders. [/note]. Die had een stroopfabriek voor appel – en perenstroop. Daar kon je echter geen lektoeten van maken. Wat wel eenvoudig kon was er stroopbrokken van maken. Hiervoor moest je de stroop goed heet maken en een handje vol havermout toevoegen. Vervolgens uitgieten op het aanrecht; een beetje afkoelen en dan met een mes lijntjes trekken. Horizontaal en verticaal. Koud laten worden en dan breken. Dit recept is van mijn moeder. Elke twee weken mocht ik met Jan van Os stroop ophalen met de trein. Ik meen dat het 5 kg was. Ik vroeg mijn oom of hij ook kleine potjes had en ik vertelde hem van mijn plan; namelijk zelf bakken als moeder niet thuis was. Geen probleem.

De eerste keer dat we bakten en de stroop net uitgegoten hadden op het aanrecht kwam mijn moeder thuis. Vlug heb ik toen de soeppan opgezet. Laat mijn moeder die nu nodig hebben. Leiden in last. De stroop droop er van alle kanten vanaf. Ik heb het verder maar aan mijn moeder overgelaten. Die verkocht ze op zondag, 10 stuks voor 25 cent. Concurrentie met de lektoeten.

Zelf verkocht ik peperballen gemaakt van peperkoekranden. Vrijdags werden die randen verkocht bij Van den Eijnde[note]Koek- en Banketfabriek Firma A. van den Eijnde, Zuiderstraat 67a. Zie ook: Helmonds Heem, nummer 14, herfst 2011.[/note] in de Zuiderstraat. Verkrijgbaar zonder bon. Van die randen die ik eerst kneedde, maakt ik bolletjes en verkocht er dan 10 voor een kwartje. Eén kwartje was de eenheidsprijs. Mijn moeder liet elke week brood bakken. Dan moest ik met een grote bol deeg naar de bakker. Inschieten heette dat. Dit kostte 15 cent. Dan hadden we voor een paar dagen echte boterhammen.

Een andere keer kwamen mijn ouders niet zo goed weg. Mijn ouders hadden een varken gekocht bij boer Damen in Someren[note]Theodorus "Doruske" Damen (22-08-1879 – 11-07-1948) slachtte clandestien varkens. Hij woonde aan de Slievenstraat 3 in Someren.[/note]. Mijn moeder schreef een ansichtkaartje: We komen het zaterdag om 8 uur halen. Meer stond er niet op. Maar wat wil het geval: er woonden ook twee broers.[note]Lambertus (Bert) van Kol (16-12-1908 – 07-04-1980) woonde aan de Slievenstraat en was controleur bij de V.V.O. (Voedsel Voorziening in Oorlogstijd). Zijn broer Petrus Lambertus (Piet) van Kol (13-03-1912 – 12-06-1961) woonde aan de Slievenstraat 22. [/note] Eén daarvan werkte bij de C.C.D. (Crisis Controledienst) werkte; bij de partij dus.[note]Zowel de C.C.D. als de eigenlijk bedoelde V.V.O. waren geen politieke maar overheidsinstellingen. [/note] Mijn vader, zwager en ik op de tandem naar Someren. Koffie gedronken, het varken om ons heen gewikkeld in lakens en naar huis. We hadden nog geen honderd meter gefietst en we hoorden: "Halt C.C.D."

Eén van die kerels stak zijn hand bij mijn vader achter zijn jas en zei: "Het beestje is nog warm". Mijn vader en ik mochten naar huis. Mijn zwager werd voor een week opgesloten op het politiebureau in Someren en kreeg nog een boete van 200 gulden. De straf of boete van de boer is mij niet bekend. Smokkelen en zwart handelen ging dus niet altijd even goed!

Langzaamhand begon men aan de bezetting te wennen. Hoewel, van echt wennen was geen sprake, maar men deed wat voorgeschreven werd. Nieuwe heren nieuwe wetten. En nieuwe wetten daar waren de bezetters dol op. Bijna dagelijks verscheen er een nieuw bericht. Hier in stond wat wel en niet mocht. Na 7 uur 's avonds niet op straat. 's Avonds verduisteren. Voor elke raam zwarte rol gordijnen.

Als het vroeg donker was in de winter had men een knijpkat. Door een knijpende beweging te maken had je een beetje licht. Voor de koplamp van een fiets zat een rond plaatje met in het midden een gleufje van drie bij één centimeter. Veel zien was er niet bij. Dit was trouwens niet het enige fietsprobleem, er waren namelijk ook geen banden. Slim, wat je toen wel moest zijn, nam men een tuinslang. De slang aan elkaar gemaakt met een kram. Wij hadden een tandem met één goede band, die was zo'n 500 gulden waard! Op de andere band zat een bult. De tandem was erg belangrijk. Want mijn vader ging daar elke zaterdag mee de boer op. Elke 2 a 3 weken naar de familie in Horst. Zij waren boeren en tuinders. Zij voorzagen ons vaak van dingen die we hier niet konden krijgen. Naar Horst in alle vroegte, eerst de band met bult om wikkelen met stroken van een oud laken. Dat ging hartstikke goed tot half weg Horst, tot Griendsveen. Bij een van die typische peelhuisjes werd er opnieuw gewikkeld. Zo ook op de terugweg. Altijd maar hopen dat die bult het zou houden. Vader, moeder en ik achterop. Zaterdags ging mijn vader alleen. Af en toe mocht ik mee, er was plaats genoeg op de tandem. Wat me altijd bij is gebleven is dat we ergens eieren hadden gekocht. Eenmaal buiten wilde mijn vader de eieren herpakken. We stonden op een zandweg en een ei viel op de grond in het mulle zand. Mijn vader zei: "wat jammer", stapte op het ei en sloeberde wat er nog van over was op. De rest van de eieren werden in de kalk bewaard. Dan bleven ze langer houdbaar.

Kaas haalden wij in Brouwhuis[note]Vermoedelijk bij Theodorus Johannes Duijmelinck (17-04-1896 – 26-03-1974) en zijn vrouw Johanna Wilhelmina Voogels (26-08-1893). Duijmelinck werkte in de ververij van Terwindt, Arntz & Holtus, waar de vader van Gerrit Manders ook werkte. Hij woonde aan de Weg naar Vlierden 3a.[/note]. Mijn zuster met de kinderwagen waarin een pop lag en ik ging ook mee als camouflage. Om de twee weken een grote kaas en vaak enkele meters verse worst. Het was best een stukje lopen maar daar wende je aan. Boter maakte mijn moeder zelf. We hadden een Keulse pot. Daar deed ze twee pakjes roomboter in, twee pakjes margarine en een halve liter melk plus een beetje zout. Het geheel mengen en met een houten lepel opkloppen totdat het een papje werd. Even laten verstijven en je had de lekkerste boter van de wereld.

We gingen ook met de trein naar Horst, de boer op met een tas of kussensloop. Het doel was van alles, maar vooral appels. Gebakken appels op je boterham met suiker, dit doe ik nu nog wel eens. Een paar honderd meter voor het station remde de trein af. Dat was het moment om vlug uit te stappen. Tevens het moment voor de mannen die naar Duitsland moesten om te ontsnappen en onder te duiken. Zij kregen vaak onderdak bij de boeren. De jongens van 13-14 jaar droegen in die tijd geen korte broek meer maar een plusfour, ook wel drollenvanger genoemd. Appels moesten we zelf plukken. Daar was die plusfour een uitkomst voor. Je kon ongezien de pijpen vullen zonder dat het opviel. Ieder was op zijn manier bezig om aan eten te komen.

Mijn moeder kreeg een recept om roggebrood te maken. Van roggemeel maakte men een ronde bol. Deze legde je in een pan met water op een omgedraaid schoteltje. Vervolgens werd het geheel aan de kook gebracht. Het was best lekker maar het lag wel zwaar op de maag. Ondanks de bezetting werd men toch steeds brutaler. We slachten gedurende de oorlog thuis een varken en twee schapen. We hadden konijnen en kippen. Af en toe kregen we bezoek van een nerts die nogal wat schade aan bracht onder de kippen. Ik weet nog dat een kuiken aan de onderkant was opengereten. Mijn moeder zie: "Geen probleem" en naaide het zaakje dicht met naald en draad. Het kuikentje is gewoon volwassen geworden en heeft nog veel eieren voor ons gelegd.

Op zaterdag was het vaste prik en slachtte mijn vader een aantal haantjes. Ik zie het nog voor me. Haantje op het kapblok, mijn vader sloeg toe maar hij keek altijd de andere kant op. Al deze herinneringen zijn eigenlijk nog van een kind, het ene moment een kind, het andere moment doe je dingen als een volwassene. Als een van de oudsten in de straat was ik de leider van onze kleine soldatenclub. Het leek wel echt; Nederlandse helmen, houten sabels, bolderwagens met stenen. Men vocht toen van straat tegen straat. De meeste straten waren sterker en groter. Zodoende zocht ik aansluiting bij andere clubjes. Het laatste jaar van de oorlog hadden wij zoveel aan munitie gebietst en verzamelt dat we bijna mee konden doen met de echte oorlog. Volgens mij waren wij beter voorzien dan ons leger in 1940.

School en melk

Kinderen van de lagere school[note]Sint Jozefschool in de Pastoor van Leeuwenstraat. [/note] konden deelnemen aan de gaarkeuken. Niet iedereen deed dat; ik wel omdat je dan een kwartier eerder met je bordje of pannetje naar het Patronaatshuis[note]Op de hoek van de Verlengde Wolfstraat en de Heistraat.[/note] mocht. Van het eten zag ik niet heel veel. Kappucijnerstamppot vond ik verschrikkelijk, zo ook andijviestamp. De wortelstamp met hachee vond ik wel heerlijk. Voor de ouders was dit een uitkomst, want er waren veel gezinnen met zes of meer kinderen. Ieder schoolgaand kind kreeg ook elke dag een beker melk. Omdat ik de grootste was, was ik de melkschenker. Op het einde van de schooltijd moest ik alle klassen voorzien hebben van melk. De derde klas was gehuisvest in de meisjesschool, een kleine honderd meter verderop. De kinderen van meester Moors[note]C.F. Moors (10-08-1907), Bakelseweg 90.[/note] moest ik daarom dagelijks ophalen en begeleiden. Ik voelde me heel wat, bijna gelijk aan een onderwijzer. Totdat meneer Moors mij tot de orde riep. Normaal deed ik de klasdeur nogal luidruchtig open en riep dan niet al te zacht: "Melkdrinkers!!!" Ik zag het vermanende vingertje en meneer zei: "Even overdoen. Eerst kloppen en daarna vragen of de melkdrinkers mogen komen." Mijn hele prestige was naar de donder!! Onderweg van school naar school was het pesten en zongen ze in koor: "Meneer, a.u.b. alsjeblief."

Een voordeel aan het mogen inschenken was dat ik er wel voor zorgde dat ik zelf geen dorst had. Nu we het toch over melk hebben; we hadden drie soorten, namelijk volle-, halfvolle- en taptemelk[note]Taptemelk (ook wel ondermelk of magere melk) is melk waarbij het melkvet zo goed als verwijderd is.[/note]. Alle drie waren ze op de bon. Op de bon stond aangegeven voor welk soort melk gold. Ik moest elke dag te voet of met de glijer (step) met een melkkan naar Kato de Slijper[note]Kato de Slijper heette eigenlijk Catharina Duimelinck-Henraat en had een winkeltje op de Heistraat 79. Zie ook: Op zoek naar Kato de Slijper.[/note]. Hoe zij aan die naam kwam, Joost mag het weten. Ook zei ze altijd: "Ja jongen, ge kriegt er van uithangen". Wat dat betekende is nog altijd een vraagteken voor mij. Wat mij wel opviel was dat ze de litermaat in een grote bak melk dompelde en dan de hele duim in de litermaat hield. Ik zei een keer: "Kato dor winde veel liters mee." Zij zei: "Jonge gij bent veul te slim veur dees wereld. Wilde 'n snupke jongen?" Maar de duim bleef in de melk.

Dan was er ook nog een melkventer, die had alleen karnemelk in een Limburgse grote houten ton op zijn handkar. Alsmaar roepen: "bojmelk", wat hetzelfde is als botermelk oftewel karnemelk. Hij had zijn vaste aanlegplaats voor een potje bier. Dan duwde hij de kar een beetje uit het zicht. Vaak riepen wij: "Dikke, je moet er een beetje water bij doen." Zijn vaste antwoord was dan: "Er is al water bij."

Als ik dan ’s maandags naar school ging, had ik altijd een paar boterhammen bij me. Goed belegd met ham, dat kon je zien, want dat kwam er aan alle kanten uit. Zo’n bammetje bracht toch al gauw één gulden op. Er werd weleens gemopperd dat er alleen ham aan de zijkant zat en in het midden niks. Ik deed dat dan af met: "het zal we verschoven zijn". Iedereen leerde een beetje handelen. Wij hadden op zolder een overvloed aan meel, namelijk wel tien zakken van 50 kg. Weliswaar geen eigendom, maar bewaard voor bakker Bosch[note]Antonius Martinus Bosch (10-08-1914 – 13-10-1995) woonde op de Bakelsedijk 80 en had de bakkerij op de Bakelsedijk 71.[/note]. Bakker Bosch had bij Pennings[note]Wilhelmus Marinus Pennings (17-07-1907) woonde aan de Uithoornseweg 2 en werd in juni 1943 in Den Bosch veroordeeld tot vier maanden cel. Hij kwam meteen vrij omdat hij zijn tijd in voorarrest had uitgezeten. [/note] nog een plek gevonden in de straat. Daar zakte de zolder bijna door, want daar waren veertig zakken van 50 kg opgeslagen. Het duurde niet lang, want het huis werd verraden. De straf was niet mis; ik meen vier maanden in de gevangenis in ’s-Hertogenbosch. De bakker wist van niets en de persoon waar het opgeslagen lag, hield ook zijn mond. Mijn ouders kwamen goed weg. Bakker Bosch was een echte 'zwarte bakker'. Niet dat hij het brood aan liet branden, maar hij heeft in het zwart veel mensen geholpen.

[img]15699[/img]

Vliegtuigen

Tussen al die dingen door, die stiekem moesten gebeuren, ging de oorlog gewoon door. In Helmond was het tot september ’44 vrij rustig. Wel was er een nachtwacht ingesteld. Twee mannen stonden dan in een portiek af te wachten of ze vliegtuigen hoorden. Als dat zo was, trokken ze aan de bel en riepen dan: "Vliegtuigen!!!" De mannen die de wacht hielden, rookten wel eens een sigaret. Eén van de moeders maakte een opmerking: "Vandaag of morgen gooien ze er een bom op". Want zij dacht dat dit te zien was vanuit het vliegtuig. Die opmerking viel verkeerd. Men maakte ervan: "Ze moeten er maar een bom op gooien". Die onenigheid heeft toch tot de bevrijding geduurd.

Winter

Wat me heel goed is bijgebleven, is de winter van '41 op '42. Eén van de strengste uit de geschiedenis. Geen bloemen vóór het raam maar op het raam; wekenlang! Er was geen verwarming. Het ijs zat aan de plank aan het voeteneind van het bed. Mijn zuster trouwde in januari 1942. De taxi die het bruidspaar naar het stadhuis bracht, had achterop de auto een generator die je moest stoken met kolen of houtblokjes. Het was koud, bitterkoud! Op je bed had je zoveel mogelijk dekens en daar nog bovenop een winterjas. Mijn moeder had in elk bed een kinderkopsteen gelegd, voorverwarmd uit de oven. Mijn vader had een bivakmuts op tegen de kou. Hij had wel iets weg van een inbreker die zich probeerde te verstoppen onder de dekens. Voor de winter en in de winter was het hamsteren geblazen. Aardappelen werden opgeslagen door ze in te kuilen. Men maakte buiten een kuil, dan stro; tegen het bevriezen, daarop de aardappelen en afdekken met stro en een laag zand. Naar gelang men nodig had, haalde je er iedere keer een kook uit.

In de kelder stonden twee grote Keulse potten. In de ene zuurkool en in de andere snijbonen. Zuurkool maakte men van witte kool. Fijn snijden, lauw water erop en een beetje zout erbij. Dan afdekken met een plank die omwikkeld was met een doek en daar bovenop een zware steen (weer een kinderkop). Zo ook bij de snijbonen. Maar als je die wilde gebruiken, moest je die eerst even afkoken, anders rook het niet zo fris. De doek om de plank moest je ook op tijd vervangen in verband met het gisten. Het was niet moeilijk om zonder bon aan aardappelen te komen. Het aardappelveld[note]Dit was een deel van het land van H.G. Kemps (20-6-1888 – 1956), die zijn boerderij aan de andere kant van de weg had op de Uithoornseweg 32.[/note] grensde bij ons aan de achtertuin. Dus ’s avonds vlug over de afrastering en het inkuilen kon beginnen. Niet netjes maar wel noodzakelijk.

Verder hadden we een voorraad weckflessen vol met schapenvlees. Zelf vetgemest, wat trouwens verboden was. We hielden het schaap in het schuurtje. 's Ochtends nam ik 'm dan mee naar de weilanden tegenover ons huis. Daar bond ik het schaap aan een paaltje zodat hij kon grazen. Vaak trok hij aan het eind van de dag het paaltje zelf uit de grond om met het paaltje achter zich aan terug naar het schuurtje te lopen. Op een kamer boven hingen schijfjes appels, peren en pruimen, geregen aan touwtjes, te drogen. Zondags kookte mijn moeder die schijfjes en hadden we heerlijke tutti frutti. Laat de winter maar komen!

Maar er was nog een probleem; hoe hield je het warm? Per jaar kreeg je, als ik het goed heb 4 of 5 mud[note]Een mud is een oude inhoudsmaat. Omgerekend naar steenkool was een mud kooltjes ongeveer 70/75 kilogram. [/note] kooltjes no 5. Daarnaast had je nog recht op briketten. Elke zondag gingen we naar het bos kroten, oftewel dennenappels, rapen. Deze waren heel geschikt voor het aanmaken van de kachel. Wat ook fijn aanmaakhout was, waren gebundelde droge takken, mutsers genaamd. Elke zaterdag kwam Koos Kerstens[note]Jacobus Laurijs (Koos) Kerstens (09-10-1889 – 17-03-1966)[/note]; de klotboer, telkens 100 turven brengen. Turf, oftewel klot, werd toen nog gestoken. Men had harde zwarte en lichte turf, ook wel tus genoemd. Koos kwam met paard en kar uit Deurne.

Vaak ging ik op de vroege avond op hout uit. Bij de buren tegenover ons liep een klein riviertje; wij noemde het een zoei. In de winter was dat bevroren. Dat riviertje, de Beisterveldsche Broekloop, liep door tal van weilanden, grofweg van noord naar zuid tussen de huidige Ben van Dorststraat en Wethouder Ebbenlaan door naar waar nu het Hortensiapark is. Wat deden wij? Gewapend met een tang en zaag, knipten wij het prikkeldraad door en zaagden wij de weipalen om. Een touw om die palen heen en over het ijs naar huis slepen. Al met al, konden we stoken!

Zes dagen in de week zaten wij in de keuken, klein maar fijn, en in de winter lekker warm. Voor de warmte zorgde het fornuis. Mijn moeder kon daar heerlijke gerechten op klaarmaken. Het fornuis 'lustte' alles. Zo stond er op zondagavond een teil te pruttelen met de was. Want op maandag was het wasdag. Op vrijdag was die teil weer nodig voor onze wasbeurt. Wie was het eerst, wie de volgende. We hadden geen geiser, dus geen warm water.

Koffie zetten was ook al zo’n ritueel. Gemalen koffie in de kan; kokend water erop; even laten trekken; dan twee kopjes uitschenken en deze weer terug schenken, want dan bleef de dras[note]Koffiedik.[/note] onder op de bodem van de koffiekan. ’s Avonds werd er altijd gekaart met de buren. Rikken, een mooi Brabants kaartspel. Zondag was een heel andere dag, dan verbleven wij de hele dag in de huiskamer. Terwijl mijn moeder en ik naar de kerk waren zorgde mijn vader voor warmte in de kamer. Eer de haard de gewenste warmte gaf was de mis allang uit. In de haard kon men alleen maar nootjes stoken, beetje duur, en niet de warmte van een fornuis. Elke zondag na het eten van zondagse soep met beschuit en rijstepap met suiker en kaneel, moest ik met de lampetkan naar een klein cafeetje om de hoek één liter bier halen. Dat waren vijf glazen; twee voor mijn vader, twee voor mijn moeder met suiker en één glas bier ook met suiker voor mij. Zoals ik al zei: doordeweeks zaten we in de keuken en op zondag in de woonkamer, maar we hadden nog een kamer, namelijk de beste kamer.

Daar kwamen wij alleen met de feestdagen met andere woorden, met Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Of een enkele keer als er familiebezoek kwam. In dat beste kamertje stond niets bijzonders. Vier zware clubs[note]Clubs zijn fauteuils met meestal hogere armleuningen en vaak in leer uitgevoerd.[/note], een mooi theekastje en op een bloemtafeltje een levensgroot heilig hart beeld. Als mijn moeder uit de kerk kwam, zette ze haar hoed op de aureool van het beeld en haar echte vos met glazen ogen hing ze er om heen. De kerk was tijdens de bezetting heel belangrijk, niet alleen voor het bidden maar men kon elkaar bekijken en daar van aflezen of je het goed had of minder goed. Bij mooie kleding hoorde ook mooie schoenen. Een probleem deed zich voor: ik had geen bonnen meer voor leren schoenen. Eén weesgegroetje extra en zie het hielp. In een krantje stonden veel advertenties met te koop of te ruil. Bijvoorbeeld wie wil een leren bal ruilen tegen nette schoenen maat 43.

[img]15700[/img]

Ik er op af; de rechterschoen gepast en er werd geruild. Nieuw waren ze niet maar ze zagen er redelijk uit. Thuis aangekomen paste ik de andere en tot mijn verbazing waren het twee verschillende schoenen. Een met een stompe, de andere met een spitse neus. Mijn moeder zei "goed poetsen en je ziet er niets van." Geloof me, het verschil was niet weg te poetsen! Moeder troostte me en zei dat ze nog een verrassing had. Schoenen met een B bon dat betekende; boven een stuk linnen en onder een houten zool. De kleur was licht blauw, de veters hagel wit, met een driekwart hak, meisjes schoenen natuurlijk. De volgende verrassing was een kinderjas, zelfgemaakt van damesstof namelijk. Astrakanbont met krulletjes. Nog nooit had iemand op school zo'n succes als ik. Volgens mij waren er ook twijfels bij de onderwijzers, al zeiden ze wel dat het mooi was. Voor mij was het nooit meer! Dan maar liever klompen. Op een dag kwam mijn broer naar huis met een paar schoenen, maat 48. Het waren een soort skischoenen die hij gekregen had van een Duitse soldaat. Aan de onderkant waren ze beslagen met stalen noppen. Dat ze wat te groot waren, was geen probleem, daar zou ik wel ingroeien. Ik was een keer in de winkel van de Edah, in de Heistraat, toen twee dames tegen elkaar zeiden: "Och arm, ze hebben zijn schoenen moeten verlengen". Dat had te maken met een leren band die erop genaaid was.

Bonnen

Soms werden er weleens extra bonnen uitgegeven; dan werd dat bekend gemaakt door de stadsomroeper, Jan de Belleman[note]Bijnaam van de stadsomroeper Johannes Leonardus Hubertus (Jan) Nooijen (13-03-1882 – 10-05-1961)[/note]. Zijn stem klinkt me nog in mijn oren. Hij stapte van zijn fiets, belde flink en riep dan: "Burgers van Helmond, heden is ten slachthuize verkrijgbaar het V.G.T.-vlees[note]Voorwaardelijk goedgekeurd onder toezicht, snel bederfelijk vlees.[/note] Zegt het voort, zegt het voort". Een gedeelte van een beest was nog goedgekeurd. Rijen dik stond men te wachten en de kilo’s vlogen de deur uit en de pan in. Dit voor de helft van de prijs. Achteraf bekeken, hadden wij het zo slecht nog niet. Vaak kochten wij wat verboden was, bijvoorbeeld een half varken. Dan kwam tante Nel[note]Maria Johanna Petronella van Issum, getrouwd met Jan van Helden, de broer van Petronella van Helden.[/note] uit Limburg; specialiste in worst maken. In een ingebouwde kast op de slaapkamer hingen ringetjes worst te drogen. Als ze voldoende droog waren, haalde ik menig worstje weg. Op een gegeven moment kwam ik erachter dat mijn moeder de worstjes telde. Vanaf dat moment, sneed ik er de achterkant af, dus de voorkant bleef hetzelfde. Maar de lol duurde maar even.

Vlisco

De Vlisco was, en is nog, een textielfabriek. De vader van een vriend van mij was daar meestal nachtwacht. Tini[note]Martinus Adrianus (Tini) van Brussel (25-02-1930), woonde aan de Raadstraat 10.[/note], mijn vriend, en ik mochten kijken in een Duits Lager. Een grote hal met allemaal opgeslagen spullen, zoals marinebroeken zonder gulp met een klep. Als wij dan naar huis gingen, hadden we vaak twee of drie broeken over elkaar aan. Een beetje vermaken thuis en of voor ons zelf houden, of verkopen. Zo deden we dat ook met de laarzen die daar lagen.

Als je ouders bij een fabriek werkten, kreeg je allemaal een houten tonnetje met sardientjes mee. Elke week was ik de pineut, want ik moest ze schoon maken. Schoon en wel in een grote pot; mijn moeder deed daar azijn op, wat snippers ui en wat peperbolletjes. Elke vrijdag vis eten, soms wel vaker. De vis werd, normaal gesproken, duur betaald, maar deze was voor niks.

[img]15702[/img]

Als mijn vriend en ik weer eens naar de Vlisco gingen, kwamen wij langs een Duits café met niet zo’n beste naam. Hoewel de naam van het café 'De Linden' was. Vóór het café, aan het Beugelplein 12, stonden namelijk twee grote lindebomen. Die bomen waren voor mij belangrijk of liever gezegd: de bloesem. Mooi van kleur en heerlijk van geur. Ik kreeg namelijk het idee om er shag van te maken. Wat had ik nog meer nodig? Het blad van mangelwortel en verder had ik echt tabaksblad nodig, wat wij in onze eigen tuin hadden. Dit alles samenvoegen; fijn snijden en kleine pakjes maken. Net als in België verpakt in krantenpapier. Thuis: een tafeltje op straat en verkopen maar. Puur natuur, onbespoten, zestig cent per pakje. Het waren meestal kinderen die het kochten voor hun vader. Er waren vaders die wilden het geheim weten. Maar de samenstelling hield ik geheim. Jammer dat de bomen niet hele jaar door bloeiden. Geen nood, het volgend jaar weer. De sigaretten van toen waren Consi en Remplaçant; ook wel 'Blazertjes' genoemd.

Razzia

Terwijl wij allerlei spannende dingen meemaakten, ging de oorlog gewoon zijn gang. Er waren razzia’s, dat wil zeggen dat er mannen werden opgepakt om in Duitsland te werk gesteld te worden. De meesten werkten aan de Siegfriedlinie. Dat werd een lange betonnen wal. Allemaal blokken beton. De Siegfriedlinie bestaat nog. Als je naar Monschau rijdt, kom je er langs. Voor de Engelsen geen probleem, die rolden daar een brug overheen en de tanks rolden verder.

Joden mochten nergens naar binnen. Overal hingen er plaatjes en bordjes met: Voor Joden verboden! Elke Jood had een gele ster op zijn revers genaaid. Na elke anti-Duitse gebeurtenis moest iedereen weer om zeven uur 's avonds binnen zijn. Dat stond overal aangeplakt, al was het in de winter niet zo erg.

Hegelsom

In Helmond was het over het algemeen de eerste jaren vrij rustig. Dat was niet overal zo. We kregen op een zeker moment een bericht per post uit Hegelsom. Een klein dorp in Limburg, met ongeveer 500 inwoners, bij Horst. Daar aangekomen zijn we erg geschrokken. De Engelsen hadden een bom laten vallen. Een gat: onvoorstelbaar groot! Er vielen zes dodelijke slachtoffers, het echtpaar Saris-van Rens[note]Gerrit Manders beschouwd de familie Saris-van Rens als familie, ook al zijn ze dat officieel niet. Ze woonde in hetzelfde buurtschap als een oom en tante.[/note], het echtpaar Aerts-Wijnands en mevrouw Kellenaers-Derix met haar zoon Leo.

[img]15703,left[/img][img]15704,right[/img] [img]15707,left[/img][img]15705,right[/img]

Een meisje[note]Maria Saris, in een ander ooggetuigenverslag wordt ze abusievelijk 'Marieke' genoemd. [/note] van vier jaar probeerde te vluchten en viel in een waterput, waarvan de bovenste ring was weggeslagen. Mensen die te hulp schoten, hoorden de kleine meid roepen: "Hier ben ik". Gelukkig was de waterstand vrij laag. In een fractie van een seconde was ze wees en heel haar familie kwijt. Een paar dagen zijn we daar gebleven in verband met de begrafenis. Toen we met de trein weer naar huis gingen, stopte deze een paar kilometer voor het station van Helmond. De reden daarvan was dat de locomotief moest bijtanken, zowel water als kolen. Op elke locomotief zat een stoker en een machinist. Daar ontstond het idee om aan extra kolen te komen. Tijdens het bijvullen werd er nog al gemorst. Dus wij met de bolderkar daar naar toe. Het was wel een beetje lopen maar het loonde de moeite. Ik had het idee dat er met opzet gemorst werd. Als de kolen op waren zorgden de Duitsers voor nieuwe aanvoer. De trein 'must go on'. Mijn ouders maakte vaak gebruik van de trein. Soms mocht ik met een vriend alleen. We kochten dan een perronkaartje voor 10 cent. Eenmaal binnen hoopte we dat er geen conducteur kwam. In Horst Sevenum wachtte mijn neef met een pakje, ook hij had een perronkaartje. Zo konden wij ons kaartje netjes inleveren. Met zo'n kaartje mocht je niet van het perron af, dan werd het ongeldig. Vaak is het gelukt, niet altijd. Zo'n oorlog maakt je wel vindingrijk. Niet alles verliep op een eerlijke manier. Maar dat zij vergeven hoop ik.

Radio

Inmiddels, het is ondertussen 1943, moest iedereen zijn radio inleveren. Mijn broer, 10 jaar ouder dan ik, had daar iets op gevonden. Samen met enkele vrienden hadden ze een mooie plek voor de radio gevonden bij de Raymakers textielfabriek waar ze werkten. Mijn broer had daar een vooraanstaande positie[note]Vermoedelijk bedrijfsleider van de technische werkplaats.[/note]. Zodoende konden ze ’s avonds de stem horen van Radio Oranje; de stem van Vrij Nederland: "Tot u spreekt A. den Doolaard".[note]Pseudoniem Cornelis Spoelstra jr. (07-02-1901 – 26-06-1994).[/note] Meestal om 8 uur[note]Radio Oranje zond om 9 uur uit, bij navraag was het bij Gerrit Manders niet geheel duidelijk of het nu 8 of 9 uur was.[/note] 's avonds. Zo bleven wij een beetje op de hoogte; ik mocht echter niet alles weten. Er werden bijvoorbeeld ook een heleboel codes doorgegeven die bestemd waren voor het verzet, zoals: - de kersen zijn rijp, - de appel valt niet ver van de boom, etc. etc.

Invasie

Bij de meeste mensen werd de drang naar vrijheid steeds groter. Iedereen zag de geallieerde invasie naderen, althans men hoopte daarop. De Duitsers verwaarloosden hun depots. Zodoende konden Tini en ik geweren, munitie en handgranaten weghalen. Die goederen hadden we verborgen en gedeeltelijk in het water gegooid. We zeiden elke kogel die we weghaalde en niet gebruikt werd spaarde een mensenleven.

Tini vertelt daar zelf over: "Wij hadden het spelletje 'sabotage plegen'. Zo zijn we een keer naar houthandel Swinkels langs de Kanaaldijk gegaan. Daar was een opslagplaats voor onderdelen van Duitse vliegtuigen.[note]De fabricage van vliegtuigonderdelen vond plaats in de Fokker-fabriek aan de Kanaaldijk op het terrein van Piet de Wit textielnijverheid.[/note] Een aantal vliegtuigonderdelen hebben we in de Aa gegooid, waaronder staartstukken met het hakenkruis erop."[note]Onder Bescherming van de Engel Gabriël, pagina 67.[/note]

Onze burgemeester[note]A.J.W.M. Moons werd op 17 juni 1943 uit zijn functie gezet.[/note] werd uit zijn functie ontheven. De NSB'er Maas[note]H.A. Maas werd op 4 oktober 1943 geïnstalleerd als burgemeester, hij werd op 5 augustus 1944 ontslagen. Hij werd tijdelijk vervangen door de NSB'er J.G. Bouwman. Na de bevrijding nam Moons zijn oude ambt weer op.[/note] nam zijn plaats in om na enige tijd zelf weer afgezet te worden. Het luide gezang van de marcherende Duitse soldaten werd minder. Aan het bekende "Und wir fahren gegen Engeland" begonnen ze zelf te twijfelen. Eind 1943, begin 1944 werd het voor iedereen steeds moeilijker. Op een gegeven moment had bijna niemand voldoende stook. Van de een op de andere dag kapte en zaagde een ieder ik weet niet hoeveel hectare bos om. Met handkarren, paard en wagen en een enkele vrachtauto. Het eens zo prachtige bos was in twee dagen een kale vlakte. Jammer maar noodzakelijk. Eind 1943 lag mijn moeder in het ziekenhuis in Utrecht. Ze had een aandoening aan haar kaak waardoor ze in Utrecht af en toe geopereerd moest worden. Mijn vader was de hele dag werken en mijn broer was bijna altijd bij zijn geliefde. De directie van zijn werk had er voor gezorgd, dat hij niet naar Duitsland hoefde. In opdracht van de firma studeerde hij in Tilburg op de universiteit. Mijn zuster was in tussen getrouwd. Ik stond er dus min of meer alleen voor. Mijn vader was niet bepaald een goede kok. Wat hij lekker vond moest ik ook maar eten. Meestal streuf; kurse streuf of spek streuf[note]Kersen- of spekpannenkoek.[/note]. Niet te dun, minimaal één centimeter.

In december 1943 had mijn vader een lap stof geruild tegen negen zware konijnen, een bil van een schaap en nog wat geld. Dit bij een kleermaker[note]Naam onbekend, vermoedelijk Derde Haagstraat, kleermaker aan huis.[/note] in Helmond West. Deze zou voor mij een kostuum maken. Een plusfour en colbert. Op mijn verjaardag, 23 december, was het klaar. Nu nog een paar echte leren schoenen en ik was klaar voor de nachtmis op 25 december. Het was die nacht gelukkig niet zo koud. Ik deed mijn winterjas niet helemaal dicht zodat een ieder kon zien dat ik in het nieuw gestoken was. Natuurlijk wierp dat vragen op hoe dat kan. We hadden soms wel een beetje geluk. Intussen ging ik de lagere school verlaten en ging naar de LTS[note]Weg op den Heuvel 38.[/note] een vak leren. Een vak leren, je voelde je meteen een beetje volwassen. Elke dag voelde je de spanning, wanneer komt de invasie. Je voelde dat het ging gebeuren. En ja hoor een paar maanden later in 1944 gebeurde het, 6 juni, D-Day, de invasie was ingezet. Blijdschap en angst om wat er te gebeuren stond. We zouden de oorlog meer van dicht bij meemaken dan de voorgaande jaren. In Normandië vielen op een dag duizenden doden. We hadden alles van horen zeggen. Nieuws ging van mond tot mond, wij zaten nogal een stukje van het front; maar de bevrijding kwam dichterbij. Even een beetje tegenslag. De Duitsers verzetten zich hevig, het Ardennenoffensief[note]Het Ardennenoffensief vond plaats na de bevrijding van Helmond. [/note], maanden van spanning gingen voorbij. Veel gezinnen zochten hun heil ergens anders, denkend dat het daar veiliger was. Ook gingen families samen wonen. Men wilde zoveel mogelijk elkaar steunen. Afwachten, het was nog ver weg. Stad na stad, dorp na dorp werd veroverd. De geallieerden kwamen steeds dichter bij. Bruggen in Helmond werden door de Duitsers opgeblazen. Alles werd schaarser, voor zo ver mogelijk probeerde we te hamsteren. Men nam voorzorgsmaatregelen. De schuilkelders werden weer in orde gemaakt, 's nachts werd er weer gewaakt.

De bevrijding nadert

Dolle dinsdag, 5 september, het terugtrekken van de Duitse soldaten. Honderden mensen stonden overal te genieten van die uittocht van de Duitsers. Wij stonden op de Bakelsedijk. Honderden soldaten trokken fietsend voorbij. Alsmaar vragen: "wo is Deurne of Venlo?" Het antwoord: "immer gerade aus". Een beetje Duits hadden we intussen wel geleerd.

Op een gegeven moment riep mijn moeder dat ik naar huis moest komen. Even later nog een keer, maar nu dringender. Ik liep vlug op huis aan. De mensen waar ik bij stond, dachten dat ik iets gezien had en de hele meute kwam achter mij aan. Ik had geen idee waarom ze achter mij aan kwamen en vluchtte bij Pennings[note]Huis Pennings, Bakelsedijk 78.[/note] de gang in. De rest volgde en vroegen aan mij waarom ik plotseling weg liep. Heel simpel; mijn moeder had mij geroepen. Dat had een hoop gemopper tot gevolg. Iedereen weer terug naar zijn plaats om te genieten van de met paard en wagen en fietsen terugtrekkende Duitsers. Sommige mensen riepen: "Fahren nach Engeland is de andere kant op". Dagen duurde het terug trekken maar dat was niet overal het geval. Wat moesten wij; we waren immers nog bezet. De winkels waren bijna leeg. Maar er was hoop. De Engelse troepen naderden snel. We hadden ze bijna in het vizier.

De geallieerden naderden het Nederlands grondgebied. Maastricht was een van de eerste steden die bevrijd werd[note]Maastricht werd bevrijd op 14 september 1944.[/note]. Dagelijks hoorde je vooral 's avonds vliegtuigen over komen. Allemaal richting Duitsland met een vracht aan bommen. Op diverse plaatsen stonden schijnwerpers. Kreeg men een vliegtuig in de lichtbundel dan ging het afweergeschut te keer. Zo is er menig vliegtuig neergehaald. Een vreemde gewaarwording; het ene gedeelte van Nederland vrij het andere nog bezet.

In september '44 zagen we duizenden vliegtuigen over komen. Vol met parachutisten, tanks met alles wat men nodig had om deze aanval op de Duitsers te winnen. Deze aanval mislukte. De vijand had alles en iedereen ingezet. Duizenden doden vooral aan Engelse en Poolse zijde.

We hadden nog geen radio en zeker geen tv. Berichten bereikten ons via de ondergrondse. De echte, want wat waren er op eens veel. Had je thuis een blauwe overal, een leren riem en Nederlandse helm. Niet te vergeten een oranje band. Klaar was je. Helmen waren er genoeg, niet gebruikt, dus splinter nieuw. Ik had ze wel gezien maar wist toen niet wat de ondergrondse was. Ik dacht dat wij de ondergrondse waren. Wij zaten immers vaak in de schuilkelder. Na de bevrijding hadden ze zelfs in de kerk zondags de overal aan en, wat erger was, de helm op, want zonder waren ze naakt. Wat wel de echte waren en welke niet loste zich vanzelf op.

Op 25 september, 's morgens vroeg ging mijn vader met een kussensloop op weg richting Brouwhuis. Alles wat men eten kon was welkom. Vaak had ik al appels gebakken voor op het brood. Zonder boter maar geen nood, een beetje water in de pan en bakken. Op 25 september na de middag rolden de Britse tanks binnen. Dat wil zeggen het oostelijk gedeelte van Helmond, deze zijde van het kanaal. Helmond West, was een paar dagen eerder al bevrijd. Op de tanks zaten vele burgers. Op een van die tanks zat mijn vader druk te zwaaien met zijn kussensloop. Twee zware dagen braken aan. Gierende granaten, een geweld dat horen en zien je verging. Niemand kwam buiten, iedereen zat in de schuilkelder. Of het waar is, weet ik niet maar het gerucht ging dat Helmond tot een open stad zou zijn verklaard. Dit was voorgesteld door beide mogendheden. Een open stad wil zeggen dat in de stad niet gevochten mag worden. De Duitse troepen trokken verder terug naar het noorden, naar de grote steden. Hard werd er gevochten in Overloon, Vierlingsbeek en omgeving en niet te vergeten om Nijmegen.

Helmond werd de stad van de bevoorrading. Straten en tenten vol met allerlei onderdelen. De Burgemeester van Houtlaan vanaf het begin van de Molenstraat tot aan het Bijsterveld en de gehele Wethouder Ebbenlaan tot aan de Leonarduskerk. Deze straat was gedeeltelijk nog een zandweg. Op vele weiden werden ontzettend grote tenten geplaatst. De meeste soldaten sliepen in tenten, maar velen ook privé. Kinderen, maar ook volwassenen, gingen op pad voor een slaapje. Overal hoorde je: "Come you tonight sleep in my home." Mijn buurvrouw voegde daar nog aan toe: "I langs my zoon sliep and you langs mijn man." Een paar Engelse woordjes waren snel geleerd. Skem of kenadewiet – get out of it – men verstond het zo het betekende: donder op en ga weg hier. "Kom you tonicht ther’s verry nais sister at home." "Doe yoe hev tjoklat voor de babie?" ’s Avonds werd er gekaart. Daar verheugde men zich op. De meeste soldaten brachten wel wat mee. Meestal biscits, blikjes sardientjes, korned bief in blik, blikjes melk en chocolade.

We waren een paar dagen bevrijd, de rood wit en blauwe vlag hing in de straat toen er plotseling geschoten werd. Vanuit de boerderij van Van Hoey[note]Joanna van Hoey (07-12-1883), Braaksestraat 2.[/note] zowat 200 meter van ons. De vlag werd snel weer binnengehaald. De zes achtergebleven Duitse soldaten werden gevangen genomen. Het feesten was begonnen. Grote danstenten geplaatst. Straten versierd, buurtcomités opgericht. Bij de ingang van elke straat werd een boog gemaakt.

Mijn vader was werkzaam bij de textielfabriek Terwindt, Arntz & Holtus aan het Stationsplein en was daar verfmeester. Er werden oude lakens in de buurt verzameld en door hem geverfd in de nationale kleuren. Daarna werden er vlaggetjes van gemaakt. De vlaggetjes werden over en weer opgehangen, een fraai gezicht met de boog Vrij Nederland. De verlichting had ik verzorgd door in een lantaarn te klimmen en een plusfitting te plaatsen, aftappen dus. Lampen hadden wij genoeg, zo ook deze elektrische draad. Engelse draad.

Elke avond werd er op straat gedanst. In het weekend werden er avonden georganiseerd door de 'Town Major'. Mijn vroegere schoolmeester, G. Schellekens[note]G.P.M.C. Schellekens, Bakelseweg 57.[/note], regelde het vervoer. Met Engelse legerwagens werden de meisjes afgezet bij de zaal van Bocken[note]Blinkertsestraat 4c. [/note] of bij café van Hout in de Beelsstraat[note]Beelsstraat 58.[/note]. Hollandse jongens verboden. De meisjes werden op zo'n avond verwend met sigaretten, chocolade en het belangrijkste; nylon kousen. Vers gehaald in Brussel tijdens een ontspanningsuitje van de bevrijder. Je kon de nylons laten repareren; ladders ophalen noemde men dat. De mannelijk partners hadden soms wat grove handen en dan was een laddertje zo geschied. Een Helmondse komiek[note]Vermoedelijk genaamd Aben, echter niet kunnen verifieren. [/note] maakten er wat leuke liedjes op. In het weekend trad hij op in café Van Oorschot[note]Café van Oorschot zat op de Heistraat 141, de eigenaar was Petrus Hubertus van Oorschot (17-08-1897 – 30-07-1971).[/note] in de Heistraat. Wij mochten niet binnen dus luisterde we buiten. Eén was heel toepasselijk: "Joe Swiethard mai sweethart het sweethart allemaal Joe darling mai darling dat is de nieuwe liefdes taal."

[img]15710[/img]

Op het einde van de straat stonden twee oude huisjes, daar woonde de familie Branten[note]Franciscus Branten (24-11-1898 – 22-05-1964) woonde met zijn vrouw Francina Branten-Mantens op de Uithoornseweg 22.[/note]. Mevrouw was bijna twee meter en haar man 1.55 cm, vandaar Franske van Sien. Zij was niet bepaald een schoonheid. Zo kon het toch gebeuren dat een van de soldaten zich niet kon beheersen en haar een bemoedig tikje gaf op haar achterste. Dit was teveel voor Franske. Hij pakte een schop uit de schuur en probeerde de seksist duidelijk te maken dat als hij nog een keer aan zijn vrouw zou zitten, hij hem er uit zou schoppen.

We hebben wel eens een liefdesbrief onderschept. Het begon met; "kom vlug terug uit schuimen (germany). 's Nachts stik ik vaak van cryen (huilen). You koking verry lekker. Mijn buikje wordt steeds ronder. Ik denk teveel Tjoklat gegeten. Ik ben in volle verwachting! Wanneer ik je weer zie."

Mijn oom[note]Johannes (Hannes) van Helden (08-06-1882 – 21-02-1951).[/note] in Limburg had een flinke dochter[note]Vermoedelijk Petronella (Nel/Zus) van Helden (14-06-1922 – 08-09-2015).[/note]. Dus het huis zat vaak vol soldaten. Maar mijn nicht mocht niet naar buiten. Eentje was zo brutaal dat hij tegen mijn oom zei; "i like to promenade"[note]Ik hou van wandelen.[/note]. Mijn oom verstond pruimen nat. In het Limburgs is proemennaat ingewekte pruimen op sap. Mijn oom zei: "Zuske kijk eens of er nog een fles in de kelder staat".

Bij ons thuis waren drie militairen ingekwartierd. Onderin de kleine kamer was het hoofdkwartier. Daar kwam alles binnen in ik denk wel honderden kabels. Op de weilanden stond het afweergeschut, verdeeld ingegraven en beschermd door twee meter hoge wallen. Elk afweergeschut stond in verbinding met het hoofdkwartier. Als er Duitse vliegtuigen opkomst waren, werd dat gemeld aan dat afweergeschut dat dan in die richting opgesteld moest worden. Aangegeven met plaatjes A.B.C. enz. enz. Als Tini en ik wisten dat er geschoten zou worden gingen we daarna hulzen rapen. Deze koperen hulzen verkochten wij. Van die hulzen werden vazen gemaakt. Eerst getorst daarna behamerd. Het afweergeschut was omringd door vijf boerderijen. Bij de boerderij van De Groot was de veldkeuken gevestigd. Daar heb ik veel vertoeft. De eerste keer dat ik er was wilde de kok mij verwennen en kreeg ik twee in de schil gekookte aardappelen. Hij dacht een mager jongetje zijn leven gered te hebben. Zo hongerig was ik nou ook weer niet.

De Engelse taal was soms ook een probleem, met de drie soldaten binnen was het soms lastig voor ze om duidelijk te maken wat ze nodig hadden. Om duidelijk te maken dat er hout nodig was voor de kachel, deed één van de soldaten voor hoe hij met een hakbijl de deurpost te lijf zou gaan, met 'wood' als opmerking. Moeder snapte niet helemaal wat hij bedoelde en was bang dat hij daadwerkelijk het huis zou slopen voor wat warmte.

Ik zag daar binnen wel lekkere dingen die ik liever had dan een aardappel in de schil. Elke dag was ik in de keuken te vinden met mijn hondje Cherrie. Waar ik was daar was hij ook. Ook hij wist dat er wat te halen was. Elke morgen krijg ik een bord 'porridge'[note]Een soort pap.[/note]. Typisch Engels. Op een zekere morgen was ik in de keuken en zag ik op de werktafel grote stukken vlees liggen. Toen de kok met iets anders bezig was, schoof ik een mooi stukje van de tafel op de grond. Hopende dat Cherrie dat zou begrijpen en verdomt hij ging ermee vandoor. Achteruitlopend, want het stuk was net iets te groot. Thuis aangekomen kreeg hij als belonging een stukje vlees. 's Avonds zaten we aan een lekkere maaltijd hachee. Het vlees werd natuurlijk eerst gewassen. De keuken was in de schuur van boer De Groot. Tegen over de boerderij stond een grote tent, daar werd driemaal daags gegeten. Elke middag om ongeveer vijf uur kwam de kok, Affa genaamd, triomfantelijk een grote roestvrije schaal vol met eten brengen. Elke dag zei hij hetzelfde: "meat men all meat". Moeder vond de samenstelling van het eten wel wat vreemd. Aardappelen, vlees, gebakken groenten alles door elkaar. Vreemd maar wel lekker. Tot dat ik een keer in de eettent was en zag dat de roestvrije schaal op een puist[note]Een afgezaagde boomstronk.[/note] stond, wat men niet lusten kieperde men in deze afvalschaal. Thuis gekomen zei ik; mam nu weet ik wat dat betekend "all meat men". Dit was ook meteen het einde aan wat eerst zo lekker was.

Vanaf dat moment was het eerst wikken en wegen. Wij moesten wel eens helpen met het maken van boterhammen. Spierwit brood wat was belegd met corned beef. Zo dik als een vinger. Niet alle boterhammen kwamen op de juiste plek. Of juist wel.

Wat ik me nog herinner uit de keuken zijn de vele potten met Bovril[note]Bovril bestaat nog steeds en is ondertussen onderdeel van het Unilever concern.[/note], dat als smaak versterker diende voor de soep. Eieren met spek. Sardientjes, melk in blik en de ochtend porridge. Wat ook wel typisch was, was dat er gezamenlijk thee werd gedronken. Men maakte een hoopje zand, goot daar een jerrycan benzine over en stak dat aan. Vooral als het wat koud was. In een cirkel stonden ze dan om het vuur. Ze hadden dan een vrij grote thee mok en die ging van mond tot mond. Heerlijke thee met veel suiker en melk. Was ik niet op de boerderij dan was ik thuis. Boven hadden wij een magazijn met chocolade repen, drank en sigaretten. Eentje meer of minder viel niet op. Er lagen stapels dekens, de dames maakte hier winterjassen van. Vaak verfde ze die in zwart of blauw. Van mijn moeder moest ik in de buurt blijven maar af en toe gingen we wel eens poolshoogte nemen in andere gedeelte van de stad.

Mijn vriend Tini vertelde mij dat hij munitie en handgranaten wist te liggen. Met dit spul gingen wij naar het Heike[note]Over de Bakelsedijk naar Bakel lag het 'Heike' voor de Aa aan de rechterkant, nu de Luchtvaartbuurt. [/note] om handgranaten te werpen. Het was dan zaak om zo snel mogelijk op de grond te liggen. Ook haalde we het kruit uit de hulzen om het vervolgens in kranten te wikkelen en aan te steken. Een keer gingen we naar het Heike en troffen daar in een schuttersput een Duitse soldaat aan. Gewapend en wel. Hij had zijn ogen dicht, even dacht ik dat hij dood was. Vlug naar huis en het verhaal verteld. Met soldaten in een carrier op rupsbanden gingen we erop af. Dwars door de weilanden. Daar aangekomen was de vogel gevlogen. De Engelse soldaten trokken ons verhaal in twijfel, maar het was echt gebeurd.

Kogels hadden wij genoeg. Op de grote slaapkamer stond een oude kinderwagen. Onder aan de kinderwagen hing een bakje met deksel. In dat bakje vond ik een paar honderd revolverkogels en een revolver. Hier ging ik mee de straat op. Band met kogels om, revolver op de heup en een helm op van het 2e Britse leger. Dat maakte wel indruk bij vrienden. Dat dwong respect af. Maar niet lang, de MP trof mij zwaar bewapend aan. Hoe ik aan die spullen kwam? Natuurlijk gevonden. Ik moest alles netjes inleveren en daar bleef het bij. Mijn neef[note]Leonardus (Leo) Josephus Norbertus van Hoek (6 juni 1928 - 6 december 2011).[/note] woonde in het zandbos[note]Tegenwoordig Helmondsingel 40, Deurne.[/note] in Deurne, samen hebben we onvoorstelbaar veel munitie ingegraven in het zandbos en in Helmond. Alles is veilig begraven tot op heden. We hadden als kinderen veel vrij. Er was weinig of geen school.

De ambachtsschool[note]De Ambachtsschool lag aan de Weg op den Heuvel 38, het werd eind jaren '70 gesloopt.[/note] veranderde in een hospitaal[note]De Ambachtsschool was gevorderd van 04-10-1944 tot 14-07-1945.[/note]. Compleet met operatiezalen. Op een van die zalen lag mijn neef[note]Lambert (Bèr) van Helden (14-12-1924 – 10-11-2010).[/note] uit Horst. Hij was op een mijn gelopen. Ik was op bezoek bij hem toen een dokter[note]De dokter en verpleegsters waren van het Britse leger. In de herinneringen van Manders waren het schotten. [/note] langskwam. Hij vroeg aan mijn neef om met zijn tenen een beweging te maken. Omdat ze elkaar niet begrepen maakte de dokter een beweging met zijn vingers. Mijn neef dacht het goed begrepen te hebben en deed die beweging na met zijn vingers, niet met zijn tenen. Voor het dagelijkse bezoek kreeg mijn moeder een bil paardenvlees. De vader[note]Lambert van Helden (12-06-1884 – 12-10-1977).[/note] van mijn neef was de broer van mijn moeder. Hij had een kleine slagerij[note]Slagerij Van Helden was een slagerij aan huis aan de Kogelstraat 5 in Hegelsom. Vanaf ca. 1940 was de slagerij van Willem (Wiel) Christiaan van Helden (02-01-1914 – 12-04-1986), zoon van Lambert.[/note] en had ons vaker voorzien van wat eigenlijk niet mocht. Tegen Kerstmis zorgde hij voor het nodige wat nodig was voor het kerstfeest.

Erni was een van de militairen die bij ons was ingekwartierd. Hij kreeg vanuit Engeland een echte 'plum pudding'. Echt Engels. Mijn moeder had heerlijk gekookt en wij zaten met zes personen aan tafel. Ons gezin; vader, moeder en ik, plus de drie militairen. Moeder zei toen op haar beste Engels: "doe maar when you ben home". Ik denk dat ze het begrepen hadden. Er werd goed gegeten. Kerstmis '44 was geslaagd. Gevierd in vrijheid voor ons. Voor een groot gedeelte van Nederland was het nog armoe troef, hongerwinter en oorlog. Intussen raakten we gewend aan de bezetting maar wel de goede bezetters (de geallieerden). Er was meer te krijgen maar de bonnen bleven voorlopig. Veel dingen die te krijgen waren, waren voor mij nieuw. Pinda's at ik met de schaal en al op. Vis was weer te krijgen; wat gelukkig het einde betekende van de zure sardientjes.

Vliegveld Helmond

Eerst speelde zich alles af in en om het huis. Aan de herrie van het afweergeschut raakte men gewend. Het werd minder spannend voor ons. Elke avond werd er gefeest en gedanst, dat was voor ons niet zo belangrijk. Mijn vrienden en ik verplaatsen ons richting het vliegveld. Een nieuw avontuur. Elke volwassen man[note]Oorlogsvliegvelden van Gemert Bakel Helmond, van Wildekamp e.a. geeft "ruim 400 lokale werkkrachten" (pagina 67) op een mannelijke bevolking van Helmond in 1944 van 15.900 (Helmond 1941 t/m 1954, pagina 54).[/note] moest werken op het aan te leggen vliegveld aan de Deurneseweg, de werkverschaffing genoemd. Het werd een noodlandingsvliegveld[note]Vliegveld Helmond was een gewoon operationeel vliegveld en niet specifiek gebouwd voor noodlandingen, al vonden die wel plaats.[/note]. Aangeschoten vliegtuigen bijvoorbeeld zonder langinsgestel konden daar landen. Maar ook voor normale vliegtuigen, die voor bevoorrading zorgden richting front. De startbanen werden gemaakt van kokosmatten[note]De start/landingsbaan van het vliegveld werd uitgevoerd in bakstenen. Kokosmatten werden wel gebruikt als ondergrond voor andere delen.[/note], kokos; een beter soort ijzersterke vloerbedekking. De landingsbaan was ongeveer 1400 meter lang en 40 meter breed[note]In werkelijkheid 1350 meter bij 42 meter (Wildekamp e.a., pagina 69).[/note]. De banen werden eerst vlak uit gezet daar kwam een laag kokosmatten overheen en daar over gaas[note]Over de kokosmatten kwam PSP te liggen, Pierced Steel Plank, een gestandaardiseerd geperforeerde stalen mat.[/note]. Speciaal geschikt voor buiklandingen. Diverse keren hebben we zo'n noodlanding zien gebeuren. Eenmaal geland en aan de kant geschoven werd het onze prooi. Dagen konden wij bezig zijn om te slopen wat interessant en los en vast zat. Mica ramen waren zeer gewild. Een buurman[note]Marinus Adrianus van den Berg (12-10-1902 – 15-11-1971) woonde aan de Uithoornseweg 4. [/note] uit de straat maakte daar hangertjes van. Met een figuurzaag maakte hij diverse modellen. Op zo'n hangertje werd een zilveren dubbeltje of kwartje gelegd dan een strijk ijzer er op, zo kwam het dubbeltje vast te zitten. Een klein gaatje boren kettinkje erdoor en klaar was het sieraad. Voor het leveren van mica kregen we een paar cent, ook voor aluminium buisjes of dunne pijpen. Hij maakte daar bevrijdingsdingen van.

[img]15709[/img]

Het ging in die dagen (vanaf oktober 1944) van huis naar het vliegveld. Dan bleven we weer in de buurt. Kijken waar het meeste te beleven was. Op een gegeven moment was er paniek op het kantoor bij mij thuis. Er was een B-17[note]Vermoedelijk de B-17G (43-37900, YB-M) van het 508th Bomb Squadron dat op 30 maart 1945 een noodlanding maakte na een aantal rondjes boven Helmond te hebben gecirceld (Wildekamp e.a., pagina 121-122). Manders schreef in eerste instantie over een Dakota, die hebben echter nooit een noodlanding gemaakt. Bij navraag bleek het een viermotorig vliegtuig te zijn met in ieder geval een mitrailleur in de staart. Het enige vliegtuig dat aan die beschrijving voldoet is de B-17G. [/note] aangeschoten en die was op weg naar Helmond om daar een noodlanding te maken. Wij snel naar het vliegveld. Het was toch wel een eindje lopen. Onderweg daarnaartoe hoorden en zagen wij hem overkomen. Een landingsgestel ontbrak[note]Het landingsgestel ontbrak niet, het vliegtuig had motorproblemen. Het werd dan ook geen buiklanding.[/note]. Dat werd een buiklanding! Jammer; omdat te zien, waren wij net te laat. Wel de drukte er omheen. Kijkers werden op afstand gehouden. De dag erna zijn we gaan kijken. Ze hadden het wrak van de landingsbaan verwijderd. Het vliegtuig lag in een grote plas water. Moeilijk om bij te komen. Maar toch lukte het. Via de vleugel die dienst deed als een soort brug konden we naar binnen. Het meest belangrijke was er al uitgehaald. Behalve een ding, namelijk de mitrailleur van de boordschutter. Met moeite was ik achterin gekropen en ging op een soort stoeltje zitten. Links en rechts een kist vol kogels. Nieuwsgierig als ik was haalde ik de trekker over. Wist ik veel hoe dat werkte. Een herrie van jewelste!! Alsof de Duitsers terug waren gekomen. Iedereen op het vliegveld lag plat op de grond. Gelukkig stond de mitrailleur met de loop naar beneden gericht. In elk geval grote paniek bij ons en bij de soldaten en wat te doen? Ik snel maken dat ik weg kwam. Dan maar door het water. De dagen erna was er meer toezicht. Maar dat speelde mij in de kaart. Een vriend[note]Jan van Os.[/note] van mij, twee jaar ouder, werkte bij de krant. Hij zorgde voor een baantje namelijk de krant bezorgen. Met de fiets van mijn zus moest ik 147 kranten bij de arbeiders, die nog bezig waren met het aanleggen van de startbanen bezorgen. Ook moest ik twee kranten bij de twee boerderijen van het vliegveld bezorgen. Zodoende kon ik mijn plan beramen. Bij het vliegveld lagen rollen kokos, die bij de mensen zeer gewild waren als vloerbedekking. Op het moment dat de situatie veilig was, hebben wij twee rollen naar het riviertje de Aa gerold. Aan de rollen hadden we palen bevestigd om het zaakje drijvende te houden. We trokken de rollen richting Bakelsebrug. Bij het water woonde een oude schoolvriend[note]Martinus (Tinie) Johannes van Dijk (12-01-1932 – 26-12-1974), woonde op de Bakelsedijk 188, later hernummert naar 216, ondertussen afgebroken. Lag te hoogte van waar nu Scouting Paulus zit. [/note]. Bij hem thuis hingen wij de rollen te drogen. Toen alles droog was haalde mijn vader het hele spul op met één handkar.

Tegenover het vliegveld lag het seminarie Christus Koning. Indien nodig huisvestte men daar 600 zweefvliegtuigpiloten[note]Eind maart 1945 werden vanuit Vliegveld Helmond bijna 600 Amerikaanse zweefvliegtuigpiloten teruggevlogen naar hun bases in Frankrijk. Zij hadden meegewerkt aan operatie Varsity als onderdeel van operatie Plunder. Een operatie om in Duitsland de Rijn over te steken. Deze operatie begon op 24 maart 1945. (Wildeman e.a., pagina 121).[/note]. Op een zeker moment wisten Duitse bommenwerper enkele bommen af te werpen. Een aantal Britse soldaten liet het leven. Zo ook drie burgers[note]Op 14 februari 1945 viel een Duits vliegtuig het vliegveld aan. Hierbij kwamen drie burgers om het leven; Marinus Henricus Peeters (25-02-1925 – 14-02-1945), Antonius Wilhelmus Hubenaar (04-04-1936 – 14-02-1945) en Adrianus Antonius Johannes Melis (07-01-1935 – 14-02-1945)[/note]. De vijand werd overal verslagen. Het was nog een kwestie van weken. Zondags werd het vliegveld druk bezocht door kijkers. Het opstijgen van grote en kleine vliegtuigen was erg spannend. Op 11 april 1945 werd het vliegveld ontmanteld. Het feest vieren ging maar door en zeker op 5 mei na de algehele capitulatie. De scholen konden weer beschikken over hun lokalen. De noodlokalen had ik maar weinig bezocht. In de eerste klas LTS[note]Dit is de eerder beschreven Ambachtsschool aan de Weg op den Heuvel 38.[/note] en in de tweede moest ik een taakstraf maken. Ik spijbelde namelijk nogal veel. Ik had meer tijd op andere plaatsen doorgebracht. Ik was al op jonge leeftijd gefascineerd door uniformen. Zo was ik op latere leeftijd bij de BB, de Bescherming Bevolking en lange tijd bij de beroepsbrandweer. Maar alles te samen was ik op één ding uit, spanning en sensatie.

Na de oorlog

De gehele familie Manders overleefde eigenlijk zonder problemen de oorlog. Gerrit Manders trouwde op 21 jarige leeftijd met Lies, waarna een dochter, Nelly, werd geboren. Na dit huwelijk zou hij nog twee maal trouwen. Gerrit Manders werkte na de oorlog als brandweerman, aannemer en kunstenaar. Hij maakte vooral schilderijen, mosaik, houtsnijwerk en smeedwerk.


Bronnen

Boeken

Websites

Met dank aan

- Harry van den Bergh (Veteranencafé Uden)
- Jac Buijssen
- Bram Dermout (STIWOT)
- Bert Heesen (STIWOT)
- Tania Heimans
- Leo Lensen (STIWOT)
- Gerry van Liempt (Heemkundekring Helmont)
- Gerrit Manders
- Jeroen Niels (STIWOT)
- Ben Pauly (Gemeente Helmond)
- Kevin Prenger (STIWOT)
- Marieke Pronk
- Rita Verwegen
- Liesbeth Vrieze (STIWOT)
- Egbert Wijnen (RHC-Eindhoven)
- Defensie Materieel Organisatie, Ministerie van Defensie

Versie: 23-6-2018 Artikel door: Jeroen Koppes

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/5032/Een-Helmondse-kwajongen.htm