De Tweede Wereldoorlog en het verzet

De Tweede Wereldoorlog en het verzet

Titel: De Tweede Wereldoorlog en het verzet
Schrijvers: Egbert van de Schootbrugge
Uitgever: Omniboek
Uitgebracht: 2018
Pagina's: 317
ISBN: 9789401912020
Omschrijving:

Egbert van de Schootbrugge is een freelance onderzoeker, die boeken over de Tweede Wereldoorlog vertaalde en/of redigeerde (‘De Tweede Wereldoorlog’ van Richard Overy en ‘Het dagelijks leven in de Tweede Wereldoorlog’ van Evert Werkman). Daarnaast schreef hij in het verleden recensies en artikelen voor deze site, waaronder in 2006 een recensie van de omnibus ‘Verzet 1940-1945’ van Jan Hof, die al in 2002 bij uitgeverij Omnibus verscheen. Deze Jan Hof schreef een stuk of tien boeken over het Nederlandse verzet. De bekendste daarvan is waarschijnlijk ‘Frits de Zwerver’, een klassieker over Frits Slomp, één van de grootste Nederlandse verzetshelden. De omnibus is een verzameling van nooit eerder gepubliceerd materiaal van Hof, waarin diverse facetten, onderwerpen en personen de revue passeren. Blijkbaar heeft de omnibus Van de Schootbrugge geďnspireerd via eenzelfde methodiek het Nederlandse verzet en een aantal vooraanstaande lieden daaruit te beschrijven.

Het boek wordt geďntroduceerd met de opmerking dat na de bevrijding het beeld ontstond dat de Nederlandse bevolking zich op grote schaal tegen de bezetter had geweerd en dat nu, ruim zeventig jaar later, het omgekeerde beeld heeft postgevat, namelijk dat de totale bevolking zich heel braaf heeft aangepast en de Duitsers op allerlei manieren van dienst was. Binnen enkele decennia veranderden de Nederlanders dus van onverschrokken tegenstrevers naar een verzameling lafbekken. Uiteraard is geen van beide beweringen waar, waarbij haast onvermijdelijk het begrip ‘grijs verleden’ opduikt, zoals Chris van der Heijden dat ooit met zijn niet onomstreden boek omschreef: sommigen waren fout, anderen zaten in het verzet en de meerderheid ging gewoon verder met hun dagelijks leven. Een wat ontluisterend beeld, waarbij flinke kanttekeningen worden gezet bij de hoeveelheid verzetshelden die Nederland kende. Het klopt natuurlijk dat het verzet pas echt groot werd toen de stranden van Normandië vol met Amerikaanse en Britse soldaten stroomden en het duidelijk werd dat de oorlog binnen afzienbare tijd afgelopen zou zijn. Het zou niet lang meer duren voordat de Duitsers terug de Rijn over zouden worden gedwongen. In het verzet gaan wordt dan toch een beetje makkelijker dan al in 1940 het geval was. ‘Grijs verleden’ was een welkome nuancering van het veel te positieve beeld, maar gaf tegelijkertijd het startsein om alle verzet ‘grijs te maken’ en te bagatelliseren hoe omvangrijk het Nederlandse verzet was.

Van de Schootbrugge geeft daarvan wel enige cijfers, maar dat was voor verbetering vatbaar, bijvoorbeeld door er een inleiding aan te wijden waarin alles goed op een rijtje wordt gezet. De paar cijfers die hij wel noemt zijn namelijk indrukwekkend genoeg om de conclusie te rechtvaardigen dat het verzet weliswaar niet zo groot was als na de oorlog werd geroepen, maar aanzienlijk groter was dan nu vaak wordt beweerd. Ook in vergelijking met omringende landen. Enig eerherstel voor wat veel nu vergeten helden hebben gedaan is wel op zijn plaats. Het Nederlandse verzet slaagde erin gedurende de vijf jaar van de bezetting maar liefst 350.000 onderduikers te helpen, waaronder 25.000 Joodse Nederlanders. Dat grote aantal onderduikers was het gevolg van verzet tegen drie maatregelen van de bezetters: de verplichte Arbeitseinsatz vanaf begin 1942, de loyaliteitsverklaring die studenten in 1943 moesten ondertekenen en het weer in krijgsgevangenschap moeten gaan van leden van het voormalige Nederlands leger in 1943. Massaal werden deze bevelen ontdoken en het verzet zorgde voor het onderdak en alles wat daar verder aan te pas kwam (voedsel, vergoedingen, vervoer, etc.).

In totaal verschenen vanaf mei 1940 in Nederland maar liefst 1.300 verschillende illegale bladen, een aantal dat nergens in Europa werd geëvenaard. Sommige waren eenvoudige stencils die maar een paar keer verschenen, anderen groeiden uit tot gerenommeerde bladen (Het Parool, Trouw, Vrij Nederland en De Waarheid) die ook na de oorlog bleven voortbestaan. De eerste drie verschijnen nog steeds. In 1943 had Het Parool een oplage van maar liefst 40.000 stuks. Met de door de Duitsers afgedwongen papierschaarste en het fanatisme waarmee de Sicherheitsdienst jacht maakte op de illegale pers, moet het een enorm zwaar en gevaarlijk karwei zijn geweest om al die jaren te kunnen blijven draaien. Om dat alles mogelijk te maken waren vervalste papieren nodig en moesten soms gewapende overvallen worden uitgevoerd. In Nederland vonden verder twee unieke stakingen plaats. In februari 1941 werd in Amsterdam en in navolging daarvan in andere steden openlijk geprotesteerd tegen de Jodenvervolging, de enige keer dat zo’n staking plaatsvond in bezet Europa. In Oost-Nederland (Hengelo en Enschede) waren op 5 en 6 mei 1943 de zogenaamde ‘April-Meistakingen’ tegen de verplichte Arbeitseinsatz, die oversloegen naar Noord- en Zuid-Nederland. Slechts met grof geweld kon de staking door de Duitsers worden neergeslagen. Het is slechts een minieme greep uit de wapenfeiten van het Nederlands verzet.

De omvang van het Nederlandse verzet mag dus aanzienlijk hoger worden ingeschat dan nu vaak wordt verondersteld. Hoe omvangrijk is echter nog steeds een ingewikkeld punt. Loe de Jong heeft de beoordeling lastig gemaakt. De Jong maakte een verschil tussen verzet en illegaliteit. Begrippen die overigens tegenwoordig als synoniemen worden gezien. Bij de illegaliteit ging het volgens hem om acties die door de Duitsers verboden waren en die altijd in organisatorisch verband werden uitgevoerd. Hij rekende de Nederlanders die onderdoken of die hulp boden aan onderduikers niet onder de illegaliteit. Verzet had voor hem juist een zeer brede inhoud, namelijk elk handelen om te verhinderen dat de Duitsers Nederland konden omvormen tot een nationaalsocialistische staat en economie. Verzet kon bijvoorbeeld bestaan uit het luisteren naar Radio Oranje of het dragen van nationalistische of monarchistische symbolen, zoals bijvoorbeeld gebeurde op Anjerdag.

Er ontstond volgens deze wat wereldvreemde afbakening een situatie waarin mensen die met groot gevaar voor eigen leven en dat van hun familieleden op individuele basis onderduikers hielpen niet tot de illegaliteit werden gerekend, maar slechts tot de categorie ‘verzet’, waarbij ook iedereen hoorde die met een anjer in zijn knoopsgat stiekem in de kelder naar de radio zat te luisteren. Iemand die in Londen voor die radio werkte was dan ook een verzetsheld. De Jong becijferde dat volgens zijn definiëring zo’n 45.000 Nederlanders in de illegaliteit zaten. Dat kwam neer op zo’n 0,5% van de toenmalige negen miljoen Nederlanders. Zonder dat gekunstelde onderscheid van De Jong tussen verzet en illegaliteit moet dat aantal velen malen groter worden ingeschat. Wat nog steeds betekent dat het merendeel van de Nederlanders zich zonder slag of stoot neerlegde bij de Duitse overheersing. Reden te meer om die paar procent die dat niet deed niet te vergeten en te blijven herdenken.

Zoals al opgemerkt, het zou goed zijn geweest als Van de Schootbrugge aan de omvang van het Nederlandse verzet een deugdelijke inleiding had gewijd. Hij laat de lezer kennismaken met 34 kopstukken uit het Nederlands verzet, verdeeld over de rubrieken: (1) verzet aan onderduikers, (2) falsificaties, gewapend verzet en sabotage, (3) illegale pers, (4) spionage en (5) organisatie. Dat is een erg nuttige indeling.

Het laat zich raden dat met 34 portretten verspreid over zo’n 250 pagina’s het erg beperkte biografieën zijn. Het boek is vooral een mooie inleiding met portretten van een aantal kopstukken die in veel overzichtswerken terugkomen (Johannes Post, Pim Boellaard, Hannie Schaft, Gerrit Jan van der Veen en Walraven van Hall), maar gelukkig ook van een aantal onbekenden die via dit boek aan de vergetelheid worden onttrokken. Daaronder bevinden zich Frans Goedhart (die een onovertroffen rol speelde binnen de illegale pers), Jacoba van Tongeren (een van de vele die bij het laten onderduiken van personen een rol speelde; ze ontwikkelde daarvoor een code die even simpel als geniaal was en niet door de Duitsers kon worden gekraakt) of Theo Dobbe (één van de leiders van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en Landelijke Knokploegen (LKP) en door Hanns Rauter beschouwt als zijn grootste tegenstander). Hopelijk heeft de auteur plannen om met een vervolg te komen, met iets minder personen (liefst degenen die in andere overzichten ontbreken) en geconcentreerd op één rubriek om veel beter in de diepte te kunnen gaan bij een van de vijf categorieën die de schrijver onderscheidt.

Beoordeling: Goed

Bronnen


Versie: 8-7-2018 Artikel door: Frans van den Muijsenberg

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/5047/De-Tweede-Wereldoorlog-en-het-verzet.htm