Keitel, Wilhelm

Jeugdjaren en voor de nazimachtsovername

"Dit zwakke en gewillige werktuig leverde het leger, het instrument van de agressie, aan de partij uit en leidde het bij zijn misdadige handelingen."

Zo omschreef Robert Jackson, de hoofdaanklager tijdens het proces van Neurenberg, Wilhelm Keitel, tijdens de oorlog chef van het opperbevel van de Wehrmacht en over het algemeen beschreven als jaknikker of hielenlikker. Wie was deze legerleider, die alle bevelen van Hitler haast slaafs uitvoerde en hoeveel macht had hij? Hier zal worden ingegaan op deze vragen.

Jeugdjaren en voor de nazimachtsovername

Wilhelm Bodewin Johann Gustav Keitel werd op 22 september 1882 geboren in Helmscherode in de Duitse deelstaat Brunswijk, als zoon van Carl Keitel en Apollonia Vissering. Hij stamde uit een typisch Pruisische familie waar normen als deugd en gehoorzaamheid hoog in het vaandel stonden. Zijn vader was een boer uit de middenklasse met eigen grond, net als veel andere familieleden. Wilhelm bracht zijn jeugd door op het landgoed van de familie. Wilhelms moeder overleed in 1888 kort na de geboorte van Wilhelms jongere broer Bodewin. Wilhelm kreeg de eerste jaren thuisonderwijs. Later bezocht hij het Humanistische Gymnasium in Göttingen. Zijn schoolprestaties waren gemiddeld.

Wilhelm droomde ervan om net als zijn vader boer te worden. Dat ging echter niet omdat zijn vader de boerderij zelf wilde blijven beheren. Daarom trad hij na zijn eindexamen in dienst bij het Duitse leger, bij het 'Niedersächsischen Feldartillerie-regiment 46' in de rang van Fahnenjunker. Zelf verklaarde Keitel in de gevangenis, tijdens het proces van Neurenberg, tegenover de psychiater Leon Goldensohn dat hij ervoor koos om militair te worden, omdat hij in de agrarische sector weinig kon verdienen. Een jaar na zijn indiensttreding werd Keitel tot Leutnant gepromoveerd, in 1908 tot regimentsadjudant en in 1910 tot Oberleutnant. Op 18 april 1909 trouwde hij met Lisa Fontaine, de dochter van een landgoedeigenaar. Uit het huwelijk zouden zes kinderen geboren worden, van wie er één op jonge leeftijd overleed.

Vlak na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog raakte Keitel, in september 1914 aan het front in België, gewond aan zijn rechter onderarm door een granaatsplinter. Nadat hij genezen was, werd hij gepromoveerd tot Hauptmann en kreeg hij het bevel over een artilleriebatterij. In hetzelfde jaar leerde hij de toenmalige Major Werner von Blomberg, de latere minister van oorlog, kennen. In het voorjaar van 1915 begon hij met een opleiding tot officier binnen de Generale Staf, waarna hij in 1916 werd benoemd tot Erste Generalstabsoffizier bij de '19. Reserve-Division'. Hij werd daarmee een van de jongste stafofficieren in het Duitse leger. Keitel bracht een groot deel van de oorlog door achter het front, waardoor hem de ellende van de loopgraven goeddeels bespaard bleef. In 1918 nam hij als Erste Algemeine Stabsoffizier bij het Marinekorps 'Flandern' deel aan de slag bij Namur en maakte het einde van de oorlog mee in Vlaanderen.

Keitel was geschokt door de val van het Duitse keizerrijk en het uitbreken van de revolutie in Duitsland. Hij zag niet in dat dit werd veroorzaakt doordat Duitsland de oorlog verloren had. Hij dacht juist dat Duitsland verloor vanwege de socialistische revolutie, de zogenoemde dolkstootlegende. Aan zijn vrouw schreef hij: "Dank God dat we nog jong genoeg zijn om te herbouwen wat werd vernietigd in een paar dagen van grenzeloze domheid." [note] Documentaire ‘Hitlers krijgers’, TDM Entertainment, 2014[/note]

Na de oorlog overwoog hij alsnog om het boerenbedrijf van zijn vader over te nemen. Zijn familie was het hier echter niet mee eens en zijn vrouw wilde niet getrouwd zijn met een boer. Keitel bleef actief binnen het sterk ingekrompen Duitse leger, dat nu werd aangeduid als de 'Reichswehr'. Naar eigen zeggen was hij hier wel toe gedwongen, omdat zijn vrouw na de oorlog al haar geld verloor door de hyperinflatie, die op dat moment heerste in de Weimarrepubliek. Hij was drie jaar werkzaam als leraar tactiek op de 'Kavellerieschule' in Hannover. Daarna werd Keitel actief binnen de staf van het '6. (Preussischen) Artillerie-Regiment'. In 1923 werd hij gepromoveerd tot Major. Van 1925 tot 1927 was hij Gruppenleiter in de 'Heeres-Organisationsabteilung (T 2)' bij het 'Truppenamt', een onderdeel van het 'Reichswehrministerium' dat feitelijk een voortzetting was van de 'Generalstab' uit de Eerste Wereldoorlog. In 1927 werd hij benoemd tot bevelhebber van de 'II. Abteilung' van het '6. (Preussischen) Artillerie-Regiment'. In 1929 volgde zijn promotie tot Oberstleutnant.

Van oktober 1929 tot oktober 1933 was Keitel weer werkzaam binnen het 'Reichswehrministerium', nu als 'Abteilungschef'. In deze hoedanigheid was hij onder meer betrokken bij de uitbouw en vergroting van het leger, hetgeen volgens het verdrag van Versailles uitdrukkelijk verboden was. Hij reisde hiervoor onder meer naar de Sovjet-Unie, waar de 'Reichswehr' een geheime opleidingsfaciliteit had. Naar verluidt was hij zeer onder de indruk van de goede organisatie van het communistische land. Zijn leidinggevenden beschreven hem als een consciëntieuze en ijverige stafmedewerker.


Bronnen

Boeken


Versie: 28-11-2018 Artikel door: Wesley Dankers

Deze website is een initiatief van STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) Alle rechten voorbehouden © 2002--2018
Directe link: http://www.go2war2.nl/artikel/5101/Keitel-Wilhelm.htm